Palmzondag B 2012

ZONDAGSVIERINGEN
Palmzondag B (1/04/2012)

Begroeting

Samen met Jezus, de Christus, zetten we onze laatste stappen richting Pasen.
Een weg die loopt van het ene uiterste naar het andere,
van huldebetoon tot kruis.
Vertrouwen wij ons-gaan-op-die-weg toe aan
+ de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Openingswoord

Vandaag begint de Goede Week.
Een week van stilte en bezinning vooral,
omdat er verschrikkelijke dingen te gebeuren staan.
Wij weten al wat er zal gebeuren.
Wij weten ook hoe het uiteindelijk toch allemaal ten goede wordt gekeerd,
op Pasen.
Maar toentertijd wisten de leerlingen dat niet.
Vandaag trekken we met Jezus en zijn leerlingen mee
naar het Jeruzalem van Palmzondag.
naar Roeselare

Gebed bij de palmwijding

Een eeuwenoude traditie:
op Palmzondag palmtakjes zegenen
en ze dan meenemen naar huis om ze een plaatsje te geven
achter  het kruisbeeld.
Deze palmtakjes verwijzen naar de vreugde
omdat we in Jezus de Messias hebben gevonden,
Hij die ons leven zin en toekomst geeft.
Maar tegelijk herinneren deze takjes ons
aan de tragiek en het onbegrip,
de pijn en het lijden die Jezus heeft moeten doorstaan,
en die mensen nog steeds moeten doorstaan
omwille van hun geloof en hun inzet
voor een meer rechtvaardige en liefdevolle wereld.

God, zegen + deze groene takken die de winter overleven,
zegen ze als hoopvolle tekens van leven op aarde.
Zegen deze palmen
en de huizen en kamers waarin ze straks een plaatsje krijgen.
Zegen de mensen die er wonen en die ons dierbaar zijn.
Zegen ook allen, God,
die in hun leven de weg van Jezus gaan
en op die weg met lijden worden geconfronteerd.
Zegen hen, zegen ons allen met uw liefde en vrede
in Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Slottekst

Eén takje is ons genoeg.
Een palmtak geschoven achter het kruis
is voor ons een jaar lang teken
dat uit de dood leven verrijst.

Hoop in zicht,
een Mens om tegen te leunen,
een geloof om op te bouwen,
kruishout voor de deuken van het leven.

Eén takje is ons genoeg:
de tijd is gekomen
om uit onze angst te stappen
en onze toekomst in de handpalm
van zijn hand te schrijven.

Evangelie (Marcus11,1-10)

Toen Jezus en zijn leerlingen dicht bij Jeruzalem waren, bij Betfage en Betanië, tegen de Olijfberg aan, stuurde Jezus twee van zijn leerlingen eropuit
2   met de opdracht: `Ga naar het dorp daar vlak voor je. Meteen als je er binnenkomt, zul je een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog geen mens gezeten heeft. Maak het los en neem het mee.
3   Als iemand tegen jullie zegt: ` `Wat doen jullie daar?” zeg dan: ` `De Heer heeft het nodig; Hij stuurt het meteen weer terug.” ‘
4   Ze gingen weg en vonden een veulen, vastgebonden bij een deur, buiten aan de straat, en ze maakten het los.
5   Sommige omstanders zeiden tegen hen: `Wat doen jullie daar, waarom maken jullie dat veulen los?’
6   Ze antwoordden hun zoals Jezus gezegd had. En ze lieten hen hun gang gaan.
7   Ze namen het veulen mee naar Jezus, wierpen er hun kleren overheen, en Hij ging erop zitten.
8   Velen spreidden hun kleren uit op de weg, anderen deden hetzelfde met twijgen die ze op het veld gesneden hadden.
9   Zowel de mensen die voorop gingen als die volgden, schreeuwden: `Hosanna!
Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.
10 Gezegend het koninkrijk dat komen gaat, van onze vader David.
Hosanna in de hoogste hemel!

of:

Evangelie (Johannes 12,12-16)

Als afsluiting van deze palmwijding luisteren wij naar het verhaal van Jezus’ in­tocht in Jeru­zalem.

12 De volgende dag hoorde de menigte feestgangers dat Jezus toch naar Jeruzalem kwam, en in groten getale
13 trokken ze Hem met palmtakken tegemoet. Ze riepen almaar:  `Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer: de koning van Israël!’
14 Jezus wist een ezeltje te vinden en ging erop zitten, zoals geschreven staat:
15 Vrees niet, dochter Sion! Zie, uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen.
16 Dit begrepen zijn leerlingen aanvankelijk niet; maar toen Jezus verheerlijkt was, toen werd het hun duidelijk dat het geschreven stond met het oog op Hem en dat dit met Hem ook gebeurd was.

Vergevingsmoment

– Omdat we Jezus liever op een afstand houden als we Hem zien aankomen,
omdat we Hem wel binnenlaten in de stad maar niet in ons hart,
omdat Hij voor ons dikwijls een Verre-Andere blijft,
vragen we:
Heer, ontferm U over ons.

– Delen in de euforie van de mooie dagen,
zoals de inwoners van Jeruzalem, is gemakkelijk.
Maar zo zelden kunnen we het opbrengen
om ook trouw te blijven in kwade dagen,
om een gegeven woord, een belofte of een engagement, volledig na te komen.
Daarom vragen we:
Christus, ontferm U over ons.

– Met Jezus Jeruzalem binnengaan… durven we dat?
We zijn bang voor het lijden, de spot, de kritiek als we Jezus  volgen.
Omdat we al op de vlucht slaan nog vóór we in de stad aankomen,
vragen we:
Heer, ontferm U over ons.

Openingsgebed

God, de liefde is sterker dan de dood:
Jezus, uw mensgeworden Zoon,
heeft ons dat met zijn leven getoond.
Help ons, naar zijn voorbeeld,
miskenning en lijden te aanvaarden,
uit liefde voor de anderen.
Versterk ons geloof in de verrijzenis
en in het uiteindelijk geluk bij U,
die met de Zoon en de heilige Geest op ons wacht. Amen.

Lezingen

– In de eerste lezing legt Paulus ons de betekenis uit van wat wij in deze Goede Week herdenken.
– Daarna luisteren wij naar het lijdensverhaal zoals Marcus het heeft opgetekend.

Eerste lezing (Jesaja 50,4-7)

4 De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken,
om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan.
Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,
in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen.
5 De Heer God heeft mijn oor geopend,
en ik heb mij niet verweerd,
ik ben niet teruggedeinsd.
6 Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,
en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;
mijn gezicht heb ik niet onttrokken
aan beschimping en bespuwing.
7 De Heer God staat mij bij,
daarom kom ik niet bedrogen uit;
daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen,
omdat ik weet dat ik niet beschaamd zal worden.
KBS Willibrord 1995

Tweede lezing (Filippenzen 2,6-11)

6 Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
7 Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
8 heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.
9 Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
10 opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
11 en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
de Heer, dat is Jezus Christus.
KBS Willibrord 1995

Inleiding op het lijdensverhaal

Omdat Jezus van Nazareth een struikelsteen was
voor de kerkelijke autoriteiten van zijn tijd,
omdat Hij een blok was aan hun been,
besloten zij Hem uit de weg te ruimen.
Zij betaalden Judas, één van de twaalf, dertig zilverlingen voor het verraad.

Evangelie (Marcus 14,1-15,47)


14 1  Twee dagen later zou het Pasen zijn, het feest van de ongedesemde broden. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten een gelegenheid om Hem met een list in handen te krijgen en ter dood te brengen.
2   Want ze zeiden: `Niet op het feest, er moet geen opschudding onder het volk ontstaan.’
3   Toen Hij in Betanië was, in het huis van Simon de melaatse, en daar aanlag, kwam een vrouw met een albasten flesje echte, kostbare nardusbalsem. Ze brak het flesje en goot het leeg over zijn hoofd.
4   Sommigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: `Waar was de verspilling van die balsem nu goed voor?
5   Want die had voor meer dan driehonderd denariën verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden.’ Ze voeren tegen haar uit.
6   Maar Jezus zei: `Laat haar. Wat maken jullie het haar toch lastig? Ze heeft een goed werk gedaan aan Mij.
7   Want de armen heb je altijd bij je, en zo vaak je wilt kun je hun goed doen, maar Mij heb je niet altijd bij je.
8   Ze heeft gedaan wat zij kon. Bij voorbaat heeft ze mijn lichaam gezalfd met het oog op mijn begrafenis.
9   Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld de goede boodschap verkondigd wordt, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’
10  Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de hogepriesters om Hem over te leveren
11  Toen ze dat hoorden, waren ze daarmee ingenomen en ze beloofden hem geld te geven. Hij zocht naar een goede gelegenheid om Hem over te leveren.

Voorbereiding van het paasmaal
 
12 Op de eerste dag van het feest van de ongedesemde broden, wanneer men het paaslam slachtte, zeiden zijn leerlingen tegen Hem: `Waar wilt U dat wij voorbereidingen gaan treffen voor het paasmaal?’
13  Daarop stuurde Hij twee van zijn leerlingen eropuit met de opdracht: `Ga naar de stad. Daar zal jullie iemand tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem,
14  en zeg waar hij binnengaat tegen de heer des huizes: ` `De meester laat vragen: Waar is de kamer waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? ”
15  Hij zal jullie een ruime bovenzaal wijzen, die ingericht is en op orde gebracht. Maak het daar voor ons klaar.’
16  De leerlingen gingen weg en kwamen in de stad. Ze troffen het aan zoals Hij hun gezegd had, en ze maakten het paasmaal klaar.

Laatste avondmaal

17  Toen de avond gevallen was, kwam Hij met de twaalf.
18  Toen ze aan tafel waren gegaan, zei Jezus onder het eten: `Ik verzeker jullie, een van jullie, die nu met Mij eet, zal Mij overleveren.’
19  Zij werden bedroefd en de een na de ander zei tegen Hem: `Ik toch niet?’
20  Maar Hij zei hun: `Een van de twaalf, die met Mij zijn hand in de schaal doopt.
21  De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat, maar wee die mens, door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt. Het zou beter voor die mens zijn, als hij niet geboren was.’
22  Tijdens de maaltijd nam Hij een brood, sprak de zegenbede uit, brak het brood, gaf het hun en zei: `Neem het, dit is mijn lichaam.’
23  Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die beker; ze dronken er allen uit.
24  En Hij zei hun: `Dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten.
25  Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot de dag waarop Ik de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van God.’
26  Na het zingen van de psalmen gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg.

Ze zullen allemaal ten val komen

27
Toen zei Jezus tegen hen: `Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder treffen, en de schapen zullen verstrooid worden.
28  Maar na mijn opwekking zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’
29  Maar Petrus zei tegen Hem: `Ook al komen ze allemaal ten val, ik zeker niet.’
30  Jezus zei tegen hem: `Ik verzeker je: vandaag, in deze nacht, nog voordat de haan twee keer kraait, zul jij Me drie keer verloochenen.’
31  Maar hij verklaarde met nog meer nadruk: `Ook al moet ik samen met U sterven, ik zal U niet verloochenen.’ Dat zeiden ze allemaal.

In Getsemane

32 Ze kwamen bij een plek die Getsemane heet, en Hij zei tegen zijn leerlingen: `Ga hier zitten, terwijl Ik ga bidden.’
33  En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon angstig en onrustig te worden,
34  en zei tegen hen: `Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier, en blijf wakker.’
35  Hij ging een eindje verder en wierp zich op de grond. Hij bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem voorbij zou gaan.
36  `Abba, Vader,’ bad Hij, `U kunt alles. Neem deze beker van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.’
37  Hij ging terug en vond hen in slaap, en Hij zei tegen Petrus: `Simon, slaap je? Kon je niet één uur wakker blijven?
38  Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken. De geest is wel van goede wil, maar het vlees is zwak.’
39  Hij ging weer bidden met dezelfde woorden.
40  Toen Hij weer terugkwam, vond Hij hen wederom in slaap, want hun ogen waren zwaar, en ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.
41  Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: `Slaap nu maar rustig verder. Het is voorbij. Het uur is gekomen; nu wordt de Mensenzoon overgeleverd in de handen van de zondaars.
42  Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.’

Arrestatie van Jezus

43 Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas aan, een van de twaalf, en hij had een hele bende bij zich met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.
44  Hij die Hem overleverde, had een teken met hen afgesproken: `Die ik zal kussen, die is het. Grijp Hem en zet Hem veilig vast.’
45  Toen hij eraan kwam, ging hij recht op Hem af en zei: `Rabbi’, en kuste Hem.
46  Ze grepen Hem en overmeesterden Hem.
47  Een van de omstanders trok zijn zwaard, sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem een oor af.
48  Daarop zei Jezus: `Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en knuppels op Mij afgekomen om Mij in handen te krijgen.
49  Dag in dag uit gaf Ik bij u in de tempel onderricht, en u hebt Me niet opgepakt. Maar de Schriften moeten in vervulling gaan.’
50  Ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg.
51  Een jongeman volgde Hem met slechts een linnen doek om het naakte lijf; ze grepen hem vast.
52  Maar hij liet de doek achter en vluchtte naakt weg.

Verhoor door de hogepriester.

53 Ze brachten Jezus naar de hogepriester, en alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden kwamen bij elkaar.
54  Petrus was Hem op een afstand gevolgd tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester, en hij zat zich daar tussen de knechten bij het vuur te warmen.
55  De hogepriesters en heel het Sanhedrin zochten getuigenissen tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar ze vonden niets.
56  Want velen legden wel een valse verklaring tegen Hem af, maar hun getuigenissen waren niet afdoende.
57  Ook stonden er enkelen tegen Hem op met de valse verklaring:
58  `We hebben Hem horen zeggen: ` `Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.” ‘
59  Maar zelfs dit getuigenis was niet afdoende.
60  De hogepriester trad naar voren en stelde Jezus de vraag: `U antwoordt niets? Wat brengen ze wel niet tegen U in!’
61  Maar Hij bleef zwijgen en antwoordde niets. Weer stelde de hogepriester Hem een vraag en zei tegen Hem: `Bent u de Messias, de Zoon van de Gezegende?’
62  Jezus zei: `Ja, dat ben Ik, en u zult de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel.’
63  De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: `Waarvoor hebben we nog getuigen nodig?
64  U hebt de godslastering gehoord. Wat vindt u?’ Allen oordeelden dat Hij de doodstraf verdiend had.
65  Sommigen begonnen Hem te bespuwen, deden Hem een blinddoek voor, sloegen Hem dan en zeiden: `Profeteer nu eens!’ De knechten gaven Hem een afranseling.

Verloochening door Petrus

66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam daar een slavin van de hogepriester aan.
67  Toen ze Petrus zag, die zich zat te warmen, keek ze hem aan en zei: `Jij was ook bij die Jezus van Nazaret.’
68  Maar hij ontkende dat: `Ik weet niet, ik begrijp niet waar je het over hebt.’ En hij ging naar buiten naar de voorhof. En er kraaide een haan.
69  Toen de slavin hem daar zag, begon ze opnieuw en zei tegen de omstanders: `Dat is een van hen.’
70  Hij ontkende opnieuw. Na een tijdje zeiden de omstanders op hun beurt tegen Petrus: `Jij hoort inderdaad bij Hem, want je bent ook een Galileeër.’
71  Hij begon te vloeken en te zweren: `Ik ken die man niet over wie jullie het hebben.’
72  Meteen kraaide voor de tweede keer de haan. En Petrus herinnerde zich wat Jezus hem gezegd had: `Voordat de haan twee keer kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ Hij barstte in tranen uit.

Voor Pilatus

15 1 Toen de hogepriesters met de oudsten, de schriftgeleerden en heel het Sanhedrin meteen ’s morgens vroeg een besluit genomen hadden, boeiden ze Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.
2   Pilatus stelde Hem de vraag: `Bent U de koning van de Joden?’ Hij gaf hem ten antwoord: `U zegt het zelf.’
3   De hogepriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in.
4   Pilatus stelde Hem nogmaals een vraag: `Antwoordt U niets? Kijk waar ze U allemaal van beschuldigen.’
5   Jezus antwoordde niets meer, tot verbazing van Pilatus.
6   Bij een feest liet hij gewoonlijk één gevangene vrij, degene om wie ze vroegen.
7   Een zekere Barabbas zat toen gevangen, samen met de oproerlingen die bij het oproer een moord hadden gepleegd.
8   De menigte kwam de trappen op en begon te vragen dat hij voor hen zou doen wat hij altijd deed.
9   Pilatus antwoordde hun: `Wilt u dat ik u de koning van de Joden vrijlaat?’
10  Want hij merkte dat de hogepriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
11  Maar de hogepriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas moest vrijlaten.
12  Waarop Pilatus hun weer zei: `Wat wilt u dan dat ik doe met Hem die u de koning van de Joden noemt?’
13  Zij schreeuwden terug: `Kruisig Hem!’
14  Pilatus zei tegen hen: `Wat voor kwaad heeft Hij dan eigenlijk gedaan?’ Maar zij schreeuwden nog harder: `Kruisig Hem!’
15  Omdat Pilatus het volk tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij, en Jezus liet hij geselen en leverde hij over om gekruisigd te worden.

Bespotting en kruisiging

16 De soldaten namen Hem mee in het paleis, dat wil zeggen: het pretorium, en ze riepen heel de cohort bij elkaar.
17  Ze deden Hem een purperen mantel om, vlochten een krans van doorns en zetten Hem die op.
18  Ze begonnen Hem de groet te brengen: `Gegroet, koning van de Joden!’
19  Ze sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, spuwden Hem in het gezicht, en knielden voor Hem neer om Hem te huldigen.
20  Toen ze zo de spot met Hem gedreven hadden, namen ze Hem de purperen mantel af en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Toen brachten ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen.
21  Ze dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van zijn akker kwam, de vader van Alexander en Rufus, om zijn kruis te dragen.
22  Ze brachten Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met Schedelveld.
23  Ze gaven Hem wijn met mirre, maar Hij nam die niet aan.
24  Ze kruisigden Hem en ze dobbelden om zijn kleren om te zien wie wat zou krijgen.
25  Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden.
26  Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning van de Joden.
27  Samen met Hem kruisigden ze twee bandieten, één rechts en één links van Hem.
29  De voorbijgangers lasterden Hem en zeiden hoofdschuddend: `Ha, jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,
30  red jezelf en kom van het kruis af.’
31  In dezelfde trant dreven ook de hogepriesters samen met de schriftgeleerden onder elkaar de spot met Hem: `Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden.
32  De Messias, de koning van Israël; laat Hij nu van het kruis afkomen, zodat we zien en geloven.’ Ook degenen die samen met Hem gekruisigd waren, maakten beledigende opmerkingen tegen Hem.

Jezus’ dood

33 Toen het zesde uur aangebroken was, viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur.
34  Op het negende uur riep Jezus met luide stem: `Eloi, Eloi, lema sabachtani?’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?
35  Sommige omstanders die het gehoord hadden, zeiden: `Hoor, Hij roept Elia!’
36  Een van hen rende weg, doopte een spons in wijn, stak die op een rietstok en wilde Hem te drinken geven. `Laten we eens kijken of Elia Hem eraf komt halen’, zei hij.
37  Maar Jezus had, na het slaken van een luide kreet, de Geest gegeven.
38  Het voorhangsel in de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën.
39  Toen de centurio die tegenover Hem stond, zag dat Hij op deze manier de geest gaf, zei hij: `Inderdaad, die man was de Zoon van God.’

Begrafenis van Jezus

40 Op een afstand stonden er ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus de jongere en Joses, en Salome,
41  die Hem waren gevolgd toen Hij in Galilea was en Hem onderhouden hadden, en nog veel andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem waren opgetrokken.
42  En toen het avond geworden was – het was voorbereidingsdag, dat wil zeggen de dag vóór de sabbat –
43  durfde Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de raad, die zelf ook leefde in de verwachting van het koninkrijk van God, het aan om naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen.
44  Pilatus was verbaasd dat Hij al dood zou zijn, en hij riep de centurio bij zich en vroeg hem of Hij al gestorven was.
45  Toen hij dat van de centurio vernomen had, gaf hij het lijk aan Jozef.
46  Deze kocht een linnen doek, nam Hem van het kruis af, en wikkelde Hem in het linnen; hij legde Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen, en hij rolde een steen voor de ingang van het graf.
47  Maria van Magdala en Maria van Joses keken toe waar Hij werd neergelegd.
KBS Willibrord 1995

Geloofsbelijdenis

Spreken wij nu ons geloof uit in God
die in ons midden is als Vader, Zoon en Geest.

Ik geloof in Hem die wij noemen: Ik zal er zijn voor u.

Hij is de kern, de bron van al wat bestaat.
Op Hem wil ik mij richten
en zijn voorbeeld maken
tot de leidraad van mijn leven.

Ik geloof in Jezus.

In Hem heeft onze God een menselijk gelaat gekregen.
In Hem is de belofte van de Vader werkelijkheid geworden.
Ik geloof dat Hij niet vergeefs heeft geleefd
en niet vergeefs is gestorven,
maar dat Hij elke dag opnieuw verrijst
in mensen die zijn liefde belichamen.

Ik geloof in zijn Geest,

die ook vandaag mensen bezielt,
die hen aanzet om zijn manier van leven
tot de hunne te maken,
om de weg te gaan van breken en delen,
van goedheid en verbondenheid,
van recht en vrede,
altijd weer ten bate van iedereen. Amen.

Voorbeden

Meer dan wie ook wist Jezus zich door God bemind.
En die gelovige zekerheid gaf zin en richting aan zijn leven.
Daarom mogen we, in zijn naam,
al wat in ons hart leeft aan God aanreiken.

– Voor de wereld van vandaag, bidden wij.
Dat er mensen mogen opstaan
die het opnemen voor onderdrukte minderheden.
Mensen die begaan zijn met sociale achterblijvers
en zich het lot van rechtelozen aantrekken.
Laten wij bidden…

– Voor baanbrekers en wegbereiders naar een meer rechtvaardige samenleving
bidden wij.
Dat zij medestanders vinden,
opdat vrede en vrijheid realiteit zouden worden
voor alle mensen.
Laten wij bidden…

– Voor alle kerkgemeenschappen die de naam van Jezus belijden
bidden wij.
Dat zij die belijdenis waarmaken
door zijn levensstijl en zijn inzet voor kwetsbare mensen
tot de hunne te maken.
Laten wij bidden…

Gebed over de gaven

Heer, onze God,
wij bieden U dit brood en deze wijn aan,
tekens van de zelfgave van uw Zoon, tot in de dood.
Geef dat wij, die deze gaven ontvangen,
niet wijken van het kruis van zovele mensen hier en ver weg,
maar dat we ze trouw en liefdevol nabij blijven
zoals de vrouwen die Jezus volgden, uw Zoon en onze Heer. Amen.

Tafelgebed

Met hart en ziel danken wij U, God,
die door uw Geest
onze geest voortdurend vernieuwt
opdat wij de wereld
mensvriendelijker zouden maken.
Uw Geest stimuleert ons
om te geloven in Jezus
en Hem te belijden voor alle mensen
als de Heer,
als de hoop van de wereld.
Daarom loven wij U met de woorden
die uw Geest ons heeft ingegeven:

Heilig, heilig, heilig …

Laat ons nooit vergeten, barmhartige Vader,
dat onze verlosser Jezus Christus
de Heer is,
dat Hij mens is geworden,
die Emmanuel,
dat is: God-met-ons,
genoemd wordt.

Laat ons nooit vergeten
dat Hij de wereld heeft gezien met onze ogen,
dat Hij onze woorden gesproken heeft,
dat Hij onze vreugde en onze nood heeft gekend,
dat Hij het werk van een mens heeft verricht
en dat Hij ons brood gegeten heeft.
Laat ons nooit vergeten
dat Hij de Mensenzoon is
– mens onder de mensen –
die meer heeft geloofd in de mens,
meer heeft gehoopt en bemind
dan wij ooit kunnen.

Laat ons nooit vergeten
dat ons geloof, dwars door alle leed,
dat onze hoop over de dood heen,
dat onze liefde tegen alle machten in,
ons doen gelijken op Hem
die Gods gelijke genoemd mocht worden.

Laat ons nooit vergeten dat ook Hij
weerloos heeft moeten buigen
voor het geweld en de macht.

Laat ons nooit vergeten
dat de machtigen Hem geslagen hebben
tot de dood toe
omdat Hij leerde dat Gij zijn vader zijt,
dat wij gered worden door ons geloof in U,
dat onze hoop op U nooit wordt teleurgesteld,
dat uw liefde geen grenzen kent
en dat vooral de armen en de kleinen
door die boodschap blij kunnen worden.

Laat ons nooit vergeten
dat Hij op de vooravond
van dat lijden en die dood
in het breken van het brood
en het rondreiken van de beker
het teken heeft gesteld
dat ons in zijn naam en zijn liefde samenbrengt.

Want die avond
heeft Hij het brood in zijn handen genomen,
Hij heeft zijn ogen opgeslagen
naar U, God en Vader,
Hij heeft U dank gezegd,
het brood gebroken
en aan zijn leerlingen uitgedeeld met de woorden:
“Neem en eet,
dit is mijn lichaam voor u.”

Zo nam Hij ook de beker,
sprak een dankgebed uit en zei:
“Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed
dat voor u en voor allen wordt vergoten
tot vergeving van zonden.
Telkens als gij van dit brood eet
en uit deze beker drinkt,
doe het dan om Mij te gedenken.”

Zijn dood gedenken wij,
zijn opstanding belijden wij,
zijn toekomst verwachten wij.

Wij zijn hier bijeen in zijn naam,
omdat wij mensen willen worden zoals Hij,
mensen die geloven in elkaar
en vertrouwen op U,
die hopen dat Gij uw belofte,
van een gelukkig leven zonder einde,
waar zult maken aan ieder van ons
en aan alle mensen van wie Gij houdt
en van wie wij houden,
en van wie wij blijven houden,
ook al zijn zij overleden.

Wij willen het brood breken
en wij zullen het eten,
wij zullen de beker rondreiken en drinken
in zijn naam
om de herinnering aan hem levend te houden
en om niet te vergeten
dat Hij de armen,
de treurenden,
de zachtmoedigen,
de hongerigen,
de barmhartigen,
de zuiveren,
de vredelievenden,
de vervolgden
en al wie hulp nodig heeft,
gelukkig heeft genoemd.

Geef ons die Geest van deemoed en liefde;
dan zullen wij gelukkig en blij worden
en U dankbaar huldigen:
door Christus,
met Christus,
in Christus,
hier rond deze tafel
en overal,
nu en alle dagen die ons gegeven zijn. Amen.

Onze Vader

Als de zon ondergaat en het duister wordt,
als we ontgoocheld geraken en geen hoop meer hebben,
dan blijft God ons nabij.
Ook dan mogen wij bidden:
Onze Vader,…

Laat uw aangezicht over ons lichten, God,
en keer U tot ons.
Breng het goede dat in ons sluimert tot leven,
wek Jezus op in ons hart,
wek in ons zijn liefde en wijsheid,
zijn vergevensgezindheid en geduld.
Dan zullen we weer hoopvol kunnen wachten
op Jezus Messias, uw Zoon,
    Want van U is het koninkrijk …

Vredewens

In leven en lijden,
in sterven en verrijzen,
openbaarde Jezus wat ware liefde is.
Bidden wij, in een wereld vol tegenstellingen, om echte vrede.
Heer Jezus Christus,
Gij wenst ons uw vrede toe,
Gij wilt dat iedere plaats een stad van vrede wordt.
Schenk ons de moed
om ons met elkaar te verzoenen en vrede te stichten.
Zo bouwen wij mee aan uw Rijk van vrede en gerechtigheid.
De vrede van de Heer zij altijd met u.
En geven wij elkaar een teken van vrede en vriendschap.

Lam Gods

Communie

In een gebaar van uiterste liefde
vatte Jezus tijdens het Laatste Avondmaal
zijn leven samen en ook zijn levenshouding van zelfgave:
Hij brak brood en reikte het aan:
‘Neem het, dit is mijn Lichaam voor u’
Heer, ik ben niet waardig…

Bezinning

Wat zijn wij voor mensen
die applaudisseren als je beroemd bent,
maar die, als blijkt
dat wij er zelf niet beter van worden,
applaus al gauw achterwege laten?

Wat zijn wij voor mensen
die vrienden zijn als het goed gaat,
maar die, als blijkt
dat het slechter begint te gaan
niet meer naar anderen omzien?

Wat zijn wij voor mensen
die vol begrip praten
over asielzoekers en vluchtelingen,
maar die, als blijkt
dat ze onze naaste buren worden,
niet meer met hen praten?

Wat zijn wij voor mensen
die luisteren als Gij spreekt over uw koninkrijk dat komt,
maar die, als blijkt
dat het geen koninkrijk is van pracht en praal,
al veel minder interesse vertonen?

Wat zijn wij voor mensen
die U juichend Jeruzalem binnenhalen,
maar die, als blijkt
dat uw Blijde Intrede tot veroordeling leidt
U nog nauwelijks een blik waardig gunnen?

Wat zijt Gij voor een Mens,
trouw tot in de dood,
die van mensen weet
en hen vergeeft,
steeds weer?

Slotgebed

Heer Jezus,
Gij hebt u niet vertoond in macht en majesteit.
Als een vredevorst zijt Gij gekomen
gezeten op een ezel.
Wij bidden U,
maak ons nederig en zuiver van hart,
zodat wij niet schreeuwen en beschuldigen,
en anderen niet langer de dood aandoen.
Laat ons de eenzame weg gaan
van oorlog naar vrede, van dood naar leven.
En als uw voorbeeld ons onrustig maakt
omdat het alles van ons vraagt,
wees Gij dan de kracht die ons bevrijdt uit onszelf
en ons tot meer in staat stelt dan wij durven vermoeden. Amen.

Zending en zegen

Neem een palmtakje mee, en geef het een plaats bij u thuis.
Het zal altijd weer herinneren aan de overwinning van Jezus op de dood.
Maar eerst moeten we de komende week nog de weg van lijden, breken en delen gaan.
En daartoe zegene ons: + de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Dit bericht is geplaatst in Zondagsvieringen met de tags . Bookmark de permalink.