Elkaar terugfluiten

Lc. 3,15-16.21-22

Onlangs was ik even in de St-Ludgardisschool. Het was half twee. De bel ging; gedaan dus met spelen. Ik stond vlak bij de deur van het eerste leerjaar. Het was mooi om zien hoe twee rijtjes van zes-, zevenjarigen bij het binnengaan in de klas, netjes de voetjes afveegden. Allemaal min één: die huppelde lekker óver de mat. Prompt riep de juf het jongetje op het matje. Letterlijk dan. Het veegde alsnog zijn voetjes, extra goed en extra lang.

Johannes de Doper doet ook zoiets in onze evangelielezing van vandaag: mensen op het matje roepen, ze terugfluiten. Hij staat midden in de ondiepe Jordaan, de rivier die tevens landsgrens is. Aan de ene kant: Israël, aan de andere: de woestijn waarin het volk jarenlang heeft rondgezworven nadat het de slavernij had afgeschud. Een symbolische rivier: de grens tussen toekomst en verleden, tussen licht en duisternis.

Toen de joden, eeuwen voordien, vanuit de woestijn door het water van de Jordaan Israël waren binnentrokken in de buurt van Jericho, de stad van de palmbomen, hadden ze dat ervaren als een soort reiniging: onvrijheid afgespoeld, alle ellende weggewassen. Eindelijk wachtte hun een menswaardig bestaan. Met frisse moed en vol goede voornemens begonnen ze aan de opbouw van een nieuwe, leefbare samenleving.
Maar hoe gaat dat met mensen? In de praktijk duren schone liedjes doorgaans niet lang. Er kwam sleet op de aanvankelijke, o zo goede bedoelingen. Vervuiling deed haar intrede: jaloersheid, concurrentie, machtshonger, afgunst, het verschil tussen mijn en dijn vervaagde.

En dus fluit Johannes de Doper zijn volk terug. Hij roept hen terug naar wat de oorspronkelijke bedoeling was: het land tot Beloofde Land maken. Hij roept hen terug naar de bron: bekeert u. En hij laat ze de daad bij het woord voegen: hij dompelt ze kopje onder in het Jordaanwater. En terwijl dat gebeurt, gaan hun gedachten terug naar het verleden: ze herinneren zich waartoe ze destijds geroepen werden: vrije mensen worden in een vrij land; er met z’n allen het beste van maken; zich inzetten voor wat werkelijk goed is, niet alleen goed voor jezelf maar ook goed voor elkeen en voor de hele gemeenschap. Druipnat maar helemaal verfrist naar lichaam én naar ziel beseffen de nieuw gedoopten dat zij, als volk van God, er opnieuw tegenaan moeten.

In die rij van mensen die zich, letterlijk en figuurlijk, komen herbronnen, staat ook Jezus. Hij behoort ook tot dit volk. Ook Hij beseft dat het beter moet. En verklaart zich dan ook solidair met de oproep van Johannes. Hij stapt dus mee in het water van Jordaan, mediterend over de betekenis van dit doopritueel.

Tijdens dit bezinningsmoment overkomt Hem iets heel bijzonders. Lucas schrijft dat de heilige Geest, belichaamd in een duif, over Hem neerdaalde. De andere evangelisten lijken te suggereren dat het om een visioen ging. Het ‘hoe’ doet er niet toe. Waar het om gaat is dat Jezus, na door Johannes te zijn gedoopt, in gebed verzonken, zich gegrepen weet door Gods Geest. Gedoopt met water, ervaart Hij dat Hij nu als het ware gedoopt wordt met heilige Geest. God doopt Hem met Geestkracht, met goddelijke energie en leven. Zo be-Geest-erd, ‘ben Jij nu mijn geliefde Zoon’ verklaart God.

Zijn verder leven lang zal de Zoon doen waartoe zijn Vader Hem geroepen en gezonden heeft: die Geest Gods doorgeven: anderen be-Geest-eren, hen dopen, hun hart vullen met Gods Geest. En soms zegt Hij het ook expliciet: “Ontvang de heilige Geest”.

Al wie zo door Jezus vervuld wordt met Gods Geest, deelt op zijn beurt in diezelfde zending: die Geest verder uitdragen. Door Jezus gedoopt met Gods Geestkracht, mogen wij op onze beurt elkaar dopen met diezelfde Geestkracht. Ouders, kinderen, mannen, vrouwen. Als kerkgemeenschap zijn wij geroepen om elkaar, en anderen daarbuiten, de Geest van God aan te reiken. Ik denk dat dit zoiets is als opvoeden – elkaar religieus voeden – gemeenschap vormen en gemeenschap zijn, als gehuwden, als gezin, als samenleving. Elkaar de Geest van God aanreiken. Kiezen voor wat écht goed is. Dat houdt in dat we tegen elkaar zeggen: jij hoort bij mij, dat wij ons door God geroepen weten om anderen in te sluiten, niet om hen uit te sluiten. Kiezen dus voor wat echt goed is voor die andere(n) met wie je het leven deelt, voor de gemeenschap, voor zwakkeren en verdrukten die niet op eigen kracht hun rug kunnen rechten. Aan hen Gods Geestkracht doorgeven. Daar draait het om. Vervuld zijn van die Geest is voor God hét criterium om iemand te promoveren tot ‘mijn geliefde zoon, mijn geliefde dochter’. Trouwens: Kiezen voor wat anderen goed doet, is in wezen: kiezen voor wat echt goed is voor jezelf. Dat is de kern van Jezus’ Boodschap.

Nu weet ik wel dat onze tijd en onze samenleving ‘goed zijn voor jezelf’ doorgaans anders definiëren. Vasthouden aan Jezus’ Boodschap impliceert dan ook: net als Johannes de Doper, onze samenleving terugfluiten, haar terugroepen naar wat écht goed is.
Of zoiets veel zin heeft? Je kunt je er alleen maar belachelijk mee maken. Alle christelijk teruggefluit wordt immers overstemd door het drukke alledaagse geraas… Mag ik u eraan herinneren dat Johannes ook maar een ‘roepende in de woestijn’ was, een stem die verloren klonk in de leegte? Maar hij deed het wel. Hij zette zijn gezond verstand tussen haakjes en deed het uit roeping.

Hoe zit het met onze roeping? Een voorbeeldje bij wijze van slot.
Ondanks alles houdt in deze geseculariseerde tijd het sacrament van het doopsel vrij goed stand. Nog zowat driekwart van de pasgeborenen wordt ten doop aangeboden. Mooi dat wij zo onze kinderen dankbaar welkom heten op onze planeet. Maar nemen we daarmee onze kinderen echt op in onze geloofsgemeenschap? Het doopsel is een initiatiesacrament, niet zozeer voor het kind maar wel voor de ouders. Het is het sacrament van het christelijk ouderschap. De priester doopt met water, maar dat blijft een leeg ritueel gebaar indien het geen vervolg krijgt. Het is aan de ouders om hun kind te dopen met heilige Geest: voorlevend en opvoedend dienen zij Gods Geest-kracht door te geven aan hun kind. Ik ben bang dat vandaag de dag het doopsel te dikwijls een doopsel met water blijft.
Misschien is het onze roeping als geloofsgemeenschap, om elkaar wat vaker terug te fluiten.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.