Boter aan de galg?

Mc 10, 17 – 27

Echt beleefd kan je Jezus hier niet noemen. Zonder verdere aanleiding geeft hij die man midden op straat een regelrechte bolwassing. ‘Goed? Alleen God is goed, en ja, ik heb je vraag wel gehoord maar het antwoord ligt toch voor de hand: onderhoud de geboden.’
Hij neemt wel de moeite om die geboden nog even op te sommen.
Een behoorlijk emotioneel begintafereel. Misschien had Jezus gewoon zijn dagje niet, wilde hij zo vlug mogelijk verdertrekken en ergerde hij zich daarom zo aan die vleierige knieval die hem letterlijk de weg versperde. Blijkbaar interesseert die man hem niet en wil hij er zich zo vlug mogelijk vanaf maken.
Maar zijn nogal botte antwoord heeft een averechts effect. Je zou verwachten dat de man ‘foert’ zegt en het verder voor bekeken houdt. Maar nee, hij staat behoorlijk stevig in zijn schoenen want hij dient Jezus zelfs van antwoord: “Meester, aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden.”
Wie is die man die zoiets weet te antwoorden? Wat heeft hem bezield om Jezus zomaar onverhoeds op straat aan te klampen? Het antwoord lezen we in zijn eigen vraag: “Goede Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?”
Blijkbaar ervaart die man nog steeds een pijnlijk gemis. Ondanks zijn onberispelijke levenswandel – alle wetten en voorschriften netjes nageleefd – zijn zijn goede bedoelingen gestrand in een soort van niemandsland. Een brave doorsneeburger, een mens van goede wil die zich afvraagt waarom het uiteindelijke geluk hem toch telkens opnieuw ontsnapt.
En hier, vandaag, in Jezus, ziet hij zijn kans schoon. Die rondtrekkende prediker die de leer van de Vader zelf verkondigt, die zich zijn Zoon noemt, in hem ligt zijn ultieme hoop. Zijn aanhef ‘Goede Meester’ is dan ook geen middel om bij Jezus in het gevlei te komen maar een absolute vertrouwvolle overgave. Gij, Jezus, een en al goedheid van de Vader, ik verlaat mij volledig op u, zegt gij mij wat ik nog meer kan doen om het geluk te vinden!
En zijn vastberadenheid werpt vruchten af. De aanhouder wint want na dat antwoord botsen we in ons evangeliefragment op dat ene kleine zinnetje waarmee een heel proces van ommekeer wordt in gang gezet: “Jezus keek hem aan en ging van hem houden.” Jezus keek hem aan en ging van hem houden. Blijkbaar had Jezus hem daarvoor nog geen blik waardig gegund. Maar nu wel. Hij ziet die man, nu pas ziet hij hem echt, zoals die is, een eerlijk zoekend mens die al heel zijn leven lang erg hard zijn best doet om mee zijn weg te gaan, eigenlijk een man naar zijn hart.
En hij gaat van hem houden.
Dat is niet niks wat hier staat. Een mens die een medemens ontmoet van hart tot hart, die in de ander zichzelf ontdekt, echt ziet wat in die ander leeft, die gaat hem waarderen, gaat hem – als vanzelf – liefdevol bejegenen, zal met hem begaan zijn.
Maar met het antwoord van Jezus – hoe liefdevol ook bedoeld – neemt het verhaal alweer een andere wending. De man verstrakt en gaat verdrietig weg want – zo lezen we – “het was iemand met veel bezit”. Alles verkopen en het aan de armen geven, – dat is wel het laatste wat hij uit de mond van Jezus wil horen. Deze keer echt een brug te ver en hij houdt het dus wel voor bekeken en maakt rechtsomkeer. En Jezus stelt nuchter en misschien zuchtend vast: “Wat is het toch moeilijk voor mensen met geld om het koninkrijk van God binnen te gaan.”
En de leerlingen, die schrikken en eigenlijk zouden ook wij nog moeten schrikken – maar daarvoor kennen we de tekst te goed – want de goede raad en de vaststelling van Jezus klinken wel heel erg cru. Zo cru dat we onmiddellijk beginnen te spartelen als een duiveltje in een wijwatervat om die woorden toch maar niet letterlijk te moeten interpreteren. Jezus kan hier toch geen pleidooi houden voor materiële armoede en het kan toch niet dat hij elke vorm van bezit zomaar radicaal afwijst en elke rijke a priori veroordeelt!?
Ook wij willen immers houden wat we hebben en willen misschien nog meer. Ons bezit zit ook ons soms in de weg, het bezit ons te veel.
De enkelingen die het aandurven Jezus’ raad toch letterlijk op te volgen, hebben dan ook mijn oprechte bewondering maar voor de meesten van ons is zo’n letterlijke interpretatie zeer zeker ook een brug te ver. Ook wij maken, samen met de man, rechtsomkeer.

Zijn Jezus’ woorden dan boter aan de galg gesmeerd?
Het minste wat we kunnen doen is erover nadenken en in ons dagelijks leven met kleine stapjes proberen op te schuiven in de richting van wat Jezus waarschijnlijk bedoelt.
Bezit, carrière, status en succes: op zich geen kwaad woord over te zeggen maar van zodra ze de graadmeter van ons bestaan gaan uitmaken vormen ze een fameuze belemmering op de weg naar Jezus.
Als ons leven wordt beheerst door de angst om alles wat we hebben te verliezen, dan zullen we die ultieme stap nooit kunnen zetten, nooit de rijkdom van het delen kunnen ervaren.
Wat ons verlamt, wat ons aan handen en voeten gebonden houdt, moeten we leren afschudden, als overbodig ballast, zodat we als vrije kinderen Gods met lege handen naast Jezus kunnen staan.
Dan komt de medemens – als vanzelf – in ons vizier. Amen.

Bea Duys

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.