Allerzielen A 2014 preek

Allerzielenmijmering

November is een grijs-droeve maand,
die de herinnering aan een voorbije zomer meesleept.
Wat komt, is koud en kil en duisternis.
November is de maand van eindigheid,
van vallende bladeren die ons doen denken aan de dood,
aan onze geliefden die ons ontvallen zijn.
Daarom deze allerzielenmijmering:

Geef ons zonnige novemberdagen, Heer,
zodat ons hart wat licht en warmte vindt
als we op het kerkhof mijmeren
bij het graf van wie ons dierbaar is.

Geef wat zon in november, Heer,
die, op de kale grond van pijn en verdriet,
bloemen van dankbaarheid doet bloeien:
dank om het leven,
dank om zoveel liefde,
dank voor gedeelde zorgen,
voor goedheid en geduld,
dank voor bescherming en geborgenheid,
nabijheid en vergeving.
Dank ook om de arm
die elke avond gereed lag om mij te omhelzen,
om de hand op mijn hoofd,
de stem die mijn boosheid suste.
Dank om de trouw,
het optimisme, de toewijding,
dank om het geloof in mij.
Moge dankbaarheid de kilte in mijn hart verwarmen.

Geef wat zon in november, Heer,
zodat kleur oplicht in de donkere schaduw van droefheid en gemis,
van rouw en eenzaamheid.
Geef wat zon
die dauwdruppels doet glinsteren,
die vogels doet zingen,
van kerkhofbloemen een bloementuil maakt
 vol rood en geel en blauw,
en groen vooral,
het groen van de hoop
die mij verzoent met mijn tranen, mijn verdriet.

Geef wat zon in november, Heer,
die de nevelsluiers bant uit mijn hart
zodat ik het horen kan
als Gij zegt:
“Kom. Bij Mij ben je welkom,
jij die gebukt gaat onder leed waar je nergens mee terecht kunt.
Kom. Ik zal je rust en verlichting geven.”
Natuurlijk kunt Gij geen smart in vreugde veranderen
– gemis blijft gemis –
maar het doet goed
even rust te vinden,
even je last te mogen neerleggen,
en te weten dat er Iemand luistert,
die zijn hand uitsteekt,
die begrijpt,
die meegaat.

Geef wat zon in november, Heer,
om even te kunnen genieten
van wat goed was
en is
en nooit voorbij gaat.
Want onze liefde gaat te diep,
ons leven was te innig, te rijk,
en te gevoelig ook
om simpelweg een spel van jaren te zijn.
Het is dié hunkering
die mij doet geloven
dat er bij U een hemel is.
Al weet ik niet wat dat betekent.
Maar… een hemel zou geen hemel zijn
als wij nu reeds
het ‘wat’ en het ‘hoe’ ervan kenden.
En toch doet die hunkering mij geloven
in zo’n veilige haven
waar geliefden worden bewaard,
waar elke zielsbewogenheid tot rust komt,
gesust wordt,
opgenomen in Uw tederheid.

Wees Gij mijn zon in deze novemberdagen, Heer,
mijn licht,
mijn troost,
mijn rust en mijn kracht,
mijn geloof
dat wie ik liefheb leeft in eeuwigheid bij U.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.