7e paaszondag A 2014

1 juni 2014 ( Viering)

Lijden en Geloven (Hand. 1, 12-14 ; Jo. 17, 1-11a)

Denk je even in hoe Jezus zich moet gevoeld hebben, daar aan tafel die laatste avond voor zijn dood. Onze evangelist legt Hem een flink doordachte afscheidsrede in de mond, met beloften voor de toekomst en troostwoorden voor zijn vrienden. Maar die wegen niet op tegen de boodschap: “Ik ga weg, heel binnen­kort. Ik moet de weg van het lijden gaan, ten dode toe.” Woorden, geperst uit een door angst dichtge­snoerde keel.
Jezus sluit zijn afscheidsrede af met een lang gebed tot zijn Vader. Eerst bidt Hij voor zich­zelf, dan voor zijn leer­lingen en ten­slotte ook voor alle gelo­vigen. We hoorden daarnet het eerste deel van dat gebed. Tot het einde toe – kapot van angst (een uurtje later in de hof van Olijven, zweet Hij bloed en tranen) – blijft Jezus een man van ge­bed.

We maken een sprongetje voorwaarts in de tijd. Diezelfde vrienden in datzelfde zaaltje. Het is nog geen Pinksteren geweest. Jezus dood, en dan weer verschenen… allemaal zo verwar­rend… De pijn van het kruis en de wroeging om hun ver­raad en on­trouw is nog lang niet weggeëbd. En dan was er dat definitieve afscheid… Het laatste wat Hij zei – we hoorden het op Hemelvaartdag -: “Ik stuur jullie de Geest, en met zijn hulp moe­ten jullie van Mij gaan getuigen in Jeruza­lem, Judea, Sama­ria en …. tot het uiteinde van de aarde” (Hand. 1,8). Begin er maar aan: een handvol werkloze vissers, een paar vrouwen en enkele verwanten van Jezus, bijeenge­kropen in een donker hoekje van Jeruzalem. En wat doen ze? “Allen bleven zij trouw en eens­gezind in het gebed”, aldus onze eerste lezing.
Jezus… Jezus’ vrienden… Tweemaal angst, lijden, het spoor bijster zijn… en toch tweemaal bidden.

Zijn ook wij mensen van zo’n groot geloof die, in tijden van angst, van lijden en zich-in-de-steek-gelaten-voelen, aan het bidden slaan?
Sommigen wel. Er zijn zelfs mensen die juist in, en tegen alle miserie in, hun handen tot gebed leren vouwen. Maar er zijn ook anderen. U en ik misschien. In uitzichtloze situaties krijgt hun godsver­trouwen het zwaar te verduren: “Waar heb ik het verdiend? Hoe kan God dit toelaten?”. Misschien breekt er wel iets tussen God en hen, en geraakt die breuk nooit meer geheeld. Als lijden je gekwetst heeft tot in het diepste van je ziel, dan kan het gebeuren dat je het richting God uitschreeuwt: opstan­dig, verbit­terd, klagend, vloe­kend misschien.
Moet je je erover schamen omdat, wat in die om­stan­digheden uit je mond rolt, schril afsteekt tegen het mooi afgeborstelde gebed van Jezus uit onze evange­liele­zing van daarnet? Ik denk het niet. Op momenten dat je lijf en je ziel kapot en gekraakt zijn door pijn en smart,  is het niet gemak­kelijk om te geloven in een God die zegt “Ik ben voor jou een liefhebbende Vader”. Misschien kan het een troost wezen dat ook Jezus dat verstikkende gevoel van godverlatenheid heeft uitge­schreeuwd op het kruis. Waarom zouden wij dan diegenen veroordelen die zozeer in het donker ronddolen dat zij niets of nie­mand meer zien zitten. Ook God veroordeelt niet.
Zinloos lijden kan murw maken, ontredderen, tot wanhoop drij­ven.
Aan mooie theorieën over God en lijden heb je dan geen boodschap. Leed en pijn laten zich niet wegredeneren. Alle lijden – ook fysiek lijden – is ten diepste hartenpijn. Hoe kun je hartenpijn helen? Mirakels gebeuren niet op bestelling. Smeken ‘God, laat die miserie toch ophouden’ haalt doorgaans niet veel uit. Zelfs niet als iemand als Jezus daarom smeekt. De beker ging aan Hem niet voorbij. Ook Hij moest hem ledi­gen tot de laatste druppel.

Wat hebben geloven en lijden dan wel met elkaar te maken?
Net als lijden is ook geloven een hartsaangelegenheid: het is zich voor God openstellen ondanks alles. Zoals Jezus deed.
De pijn zal niet ophouden. De eenzaamheid niet verdwijnen. Een dodelijke ziekte zal blijven evolueren naar aftakeling en dood. Aan die harde, objectieve realiteit doet God niets af, kàn God niets afdoen. Hij kon ook zijn Zoon niet van het kruis afhalen.
Maar Hij was wel bij Hem en met Hem. Wat is verrijzenis anders dan een boodschap van trouwe godsver­bon­denheid – lijden en dood voorbij. Het gevoel van godverlatenheid bleef Jezus niet verlammen. “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten”, was geen wanhoopskreet. Dat was het begin van een psalmgebed dat uitmondt in godsvertrou­wen (ps. 22). Ook in de diepste duisternis gloort licht, het licht van Gods nabij­heid. God die ons blijft vasthouden, ook in het lijden. Hij bewaart ons niet tegen het lijden; Hij be­waart ons in het lijden.

Als je probeert dat geloof niet los te laten, kan er licht dagen. Het lijden blijft wat het is. En toch wordt het anders. Gelovig bidden is zoiets als de zon. Zij verandert niets: het gras blijft even groen, het verkeer blijft even druk en mensen doen verder met wat ze bezig zijn. Maar met wat zon erbij, krijgt alles een andere glans en doen wij fluitend wat giste­ren ons de keel uithing.
Lijden verdwijnt niet als je bidt. Maar het wordt anders, niet meer hopeloos, niet meer uitzichtloos. Geloof maakt het lijden ‘lichter om dragen’ omdat men Iemand nabij weet met zijn lichtermakende liefde. Men weet zich gedragen, gebor­gen. Mensen mógen treuren en rouwen. Lijden mag niet goed­koop worden weggepraat. Men moet het helpen doorléven. In al zijn bitterheid. Zo kan het gebeuren dat lijden een leerschool wordt, dat men het leven beetje bij beetje met andere ogen gaat bekijken: het klatergoud van prestige of rijkdom verbleekt; beperktheden worden aanvaard; echtheid en eerlijkheid meer gewaardee­rd; genieten van kleine blijken van liefde en van warmmenselijke nabijheid. Op die manier kan lijden iets worden zoals barensweeën naar nieuw leven.

Let op. Ik heb niet gezegd: ‘Elke mens zou eens zo’n leerschool moeten doormaken’. Dat zou suggereren dat lijden ook goeie kanten heeft. Neen dus. Toch hoor je dat wel eens: ‘Het moest maar weer eens oorlog worden, dan liepen de kerken weer vol!’. God ziet nog liever lege kerken. Hij wil geen oorlog. Hij wil geen lijden. Jezus heeft zich steeds verzet tegen lijden. Hij ging weldoen­de rond. God bezielde Hem, bezielt ons om de strijd aan te binden tegen lijden en kwaad, in welke vorm ook. God is immers op leven uit. Op het heil en geluk van mensen. God wil geen verkeersdoden en geen kanker, net zo min als Hij oorlog wil, of onrecht of onderdrukking.
God wil wel dat wij elkaar het kruis van de schouders nemen. En als dat niet kan, elkaars kruis meedragen. Hij be­zielt ons om onvermijdelijk lijden en sterven menselijk, draaglijk te maken. God is daar waar mensen niet ongenadig, maar genadig sterven. God wil dat wij het lugubere, het macabere masker van de dood afrukken. Dat doen wij als wij zieken en stervenden omringen met tedere zorg.
Lijden heeft geen zin. Maar liefde kan helpen om er, ondanks alles, iets zinvols van te maken.
Marc Christiaens o.p.

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.