2e zondag van de vasten B 2015

1 maart ’15  (Viering)

Zien maar niet inzien. Horen maar niet luisteren
(Mc. 9,2-10 ; Gen. 22, 1-2.9a.10-13.15-18)

Bergen hebben iets fascinerends. Urenlang je niet-getraind lijf naar boven hijsen… en dan sta je op de top. Za­lig­heid! Je hebt de vlak­te, en het vlakke alledaag­se leven, ach­ter je gela­ten. Daar­boven sta je met je hoofd in de wolken. Let­ter­lijk. Vaak voel je je ook zo, vaak voel je je daar dichter bij de hemel, dichter bij God.
Niet te verwonderen dat oude volkeren hun offerplaatsen en tem­pels dikwijls bouwden boven op een berg, de plaats waar he­mel en aarde elkaar raken.

Ook voor alle figuren die vandaag in de lezingen ter sprake kwamen, geldt dat ze bovenop een berg een glimp van Gods aangezicht hebben opgevangen:
-Abraham op een berg in Moria (eerste lezing)
-Mozes ontving de tien geboden op de berg Sinaï (Ex.19-20)
-De profeet Elia sprak met God op de berg Karmel (1 Kon. 19)
-Onze drie apostelen hoorden op de berg een stem uit de hemel: “Deze Jezus is mijn geliefde Zoon”.
-Denk ook aan die heuvel, net buiten Jeruzalem, Golgotha.

Dat oeroud, diep menselijk gegeven is ook Jezus niet vreemd. Hoe vaak lezen wij niet dat Hij zich terug­trok op een berg om er te bidden. Het verbaast dan ook niet dat een topervaring als de Gedaan­teverandering zich afspeelt op een hoge berg, ver van de we­reld, weg van nieuwsgierige blikken. God ontmoeten is immers een intiem gebeuren, dat hoogstens de aanwezigheid van een paar intimi ver­draagt.

Het is duidelijk dat de leerlingen enthousiast zijn over wat ze te zien krijgen. Daar staat ‘hun’ Jezus nu: van gedaante veran­derd; gehuld in kleren, witter dan op een reclamefolder voor waspoeder; en ze glanzen nog ook; en in die glans zien ze Elia en Mozes. Totaal ver­bluft waren ze. Altijd hadden ze gedroomd en gehoopt dat hun Jezus de Messias zou zijn, en nu zagen ze het, met hun eigen ogen. Hun Jezus, in al zijn glo­rie. Ook een beetje hun eigen glorie, want anders hadden ze er niet bij mogen zijn.

Petrus, volgens de evangelist Marcus een kampioen in misver­stan­den, wil die indrukwek­kende ervaring vast­houden: “Het is hier goed, Rabbi; laten we hier een paar hutten bouwen”. Onzin natuurlijk, want boven op de berg kan je niet blij­ven. Je moet terug naar de vlakte, naar het dage­lijkse leven. Een re­ligieu­ze topervaring moet je achter je laten. Maar de herin­nering eraan draag je altijd mee, een leven lang.

En bij die ene flater bleef het niet. Terwijl ze daar hun ogen staan uit te kijken, zegt een stem uit de hemel: “Luister naar Hem!”. Ze mogen kijken, maar ze moeten vooral luiste­ren.
Wàt Jezus toen gezegd heeft, vertelt Marcus niet; hij vertelt wel wat het apostelentrio ervan begrepen heeft. Niks dus. Ze zijn zó ge­fixeerd op dat beeld van de verheerlijkte Messi­as dat ze gewoon geen oren hebben naar wat Jezus vertelt over zijn strijd met de wereld, over wat het Hem zal kosten aan lijden en kruis. Ze praten netjes langs zijn aangekon­digde dood heen, en vragen zich enkel af “waarop dat ‘uit de doden opstaan’ sloeg”. Delen in zijn glo­rie – wat dat ook moge wezen – dat boeit hen wel. [Wie weet… misschien valt er  een plaatsje aan zijn rechter- of linkerhand te versieren (Mc. 10,37).]  Maar mee de weg gaan die daaraan vooraf­gaat, is aan hen niet be­steed.
Ze willen Jezus best als ‘Messias’ zien. Ze zijn dik onder de indruk van wat Hij doet, genezingen en zo, en nu die Gedaantever­ande­ring… Maar ze zijn doof voor wat Hij zegt over werke­lijke genezing: “Ga en zondig niet meer”.
Ze willen Jezus best als ‘Messias’ zien, en zijn brood uitde­len aan 5000 mensen… Maar als Hij zegt dat ze die lijn moeten door­trek­ken, en bereid moeten zijn ook hun eigen leven te breken en te de­len, dan gaat dat hun één oor in en het andere uit.

Het verhaal van de Gedaanteverandering is dus ook het verhaal over Petrus & Co, die slechts horen wat ze graag ho­ren. Het is het ver­haal van hun doofheid, hun onbe­grip, mis­schien wel van hun onwil die hen valse­lijk deed dromen van delen in de glorie van de Messias, koning van een nieuw vredes­rijk… maar zonder te delen in de strijd, in het lijden en het kruis nodig om dat Rijk te vesti­gen. Wel delen in de baten, niet in de kosten. Pasen zonder Goede Vrijdag. ‘Neen’, zegt Jezus, ‘dat is mijn bood­schap halveren. Hou voorlopig maar jullie mond over wat je denkt gezien te heb­ben’. Wie zwijgt, zal geen halve waarheden uitba­zuinen.

Ik kan me niet voorstellen dat Marcus dit verhaal zomaar heeft verteld. Met dit verhaal wou hij zijn kerkge­meenschap, en dus ook ons, waar­schuwen tegen het selec­tief beluisteren van Jezus’ boodschap. ‘Ja en Amen’ zolang die bood­schap ons niet te dicht op de huid zit. Maar zodra blijkt dat bepaalde concrete praktijken niet te rijmen zijn met Gods gebod van liefde en recht­vaar­dig­heid, wor­den de ver­de­digingsmechanismen in stelling gebracht: ‘Ach, zo erg is dat toch niet’, ‘Iedereen doet het toch’. Of de bood­schap proberen te neutraliseren door de bood­schap­per ongeloofwaardig te verklaren: ‘Hij heeft geen recht van spre­ken want zelf houdt hij zich niet aan wat hij ver­kondigt’; of ‘De Kerk moet zich niet met politiek bemoeien’.
Alibi’s zijn dat; onszelf zand in de ogen strooien om niet in de spie­gel die Jezus ons voor­houdt te moeten kijken, om niet te moeten luisteren als Hij onze zwakke plekken bloot legt.

Nee, zegt Jezus, wie selectief naar Mij luistert, heeft mis­schien wel iets ge­hoord, maar lang niet waar het Mij echt om te doen is. Die kan beter maar zijn mond houden. Alleen wie bereid is écht naar Mij te luisteren, heeft recht van spreken. Ook als het hem/haar niet lukt om mijn bood­schap in al haar facetten te beleven. Aan dat laatste til Ik niet zo zwaar. Want voor jezelf erkennen dat je fout zit, is de eerste stap naar beke­ring. En daar gaat het Mij om, zegt Jezus.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.