23e zondag door het jaar A 2014 preek

7 sept. 2014  (Viering)

De roep om solidariteit, om gemeenschapsgevoel(Mt. 18,15-20 ; Ez. 33,7-9)

“Als je broeder/zuster je iets misdaan heeft, moet je hem/haar dat onder vier ogen zeggen”. In onze eerste lezing werd het nog krasser geformuleerd: uiteraard zal de boosdoener zijn straf niet ontlopen, maar ook degene, die de boze liet betij­en, zal ter verant­woording geroe­pen worden!
Ben ik dan de hoeder van mijn broeder? Moet ik me schuldig voelen als ande­ren in de fout gaan?
Geen vraag om zomaar ‘ja’ op te antwoor­den. Je kunt je toch niet met andermans privéleven gaan bemoeien. Het zou al mooi zijn als iedereen zijn verantwoordelijkheid zou opneemt voor zijn eigen daden, inclusief zijn stom­mitei­ten.
Maar de vraag ‘Ben ik de hoeder van mijn broe­der?’ met ‘neen’ beantwoorden, ligt eveneens moeilijk. Ook Kaïn zei des­tijds ‘nee’. In dat gezel­schap voelen we ons ook niet lekker.
Wat moeten wij met de boodschap dat wie zich ver houdt van het kwaad rondom hem, daarom zijn handen nog niet in on­schuld kan wassen?

De filosofie achter deze evangelietekst is duidelijk: slechts door samenwer­king, slechts als gemeenschap is het mogelijk om deze aarde mensvriendelijker, wat meer be­woonbaar te maken. De komst van Gods Rijk in ons midden is pas mogelijk als we elkaar dragen en stimule­ren om dat doel te berei­ken. In die sfeer van solidariteit wordt er naar elkaar ge­luisterd en dienen eventuele conflicten te worden uitge­praat. Hoe dat solidariteitsprincipe in geval van spanningen en conflicten operati­oneel kan worden gemaakt, daarover gaat onze tekst.
De procedure kent drie varianten:
– een gesprek onder vier ogen;
– als dat mislukt, praat dan in het bijzijn van één of meer neutrale getuigen die het gesprek in goede banen kunnen leiden, die des­noods bemiddelend kunnen optreden, die zo nodig als katalysator kunnen fungeren;
– als ook dat niet het gewenste resultaat oplevert, leg dan de zaak voor aan de geloofsge­meenschap of aan de leiding of een vertegen­woordiger ervan.

Wie een beetje tussen de regels leest, begrijpt dat de proce­du­re eigenlijk vier stappen omvat. Aan de eerste stap gaat een vereiste vooraf: ieder­een, niet alleen de aange­sprokene maar ook de aanspreker, moet zich van zijn eigen zwakheid bewust zijn. Dat maakt ons milder in ons oor­deel over een ander.
Uit de manier waarop het probleem benaderd wordt, blijkt dat niet gaat over zonden die onze persoonlij­ke relatie met God aantasten. God wordt hier niet vernoemd, noch als degene te­gen wie misdaan werd, noch als degene die ver­geeft. Het gaat specifiek over spannin­gen en ergernis­sen tussen leden van de gemeen­schap die de onderlinge soli­dari­teit op de helling zetten.

Ofschoon in de mond van Jezus gelegd, stamt die procedure wellicht uit de kerk­gemeen­schap van Mattheüs, uitgewerkt naar aanlei­ding van ervaring met concrete probleemsitua­ties. Zeker is dat de aanpak gesneden is op maat van een kleine, over­zichtelij­ke gemeen­schap waarbij de zusters en broeders elkaar kennen en persoon­lijke kunnen aanspreken.
Wat hoopte die kerkgemeenschap met die procedure te bereiken? De bedoe­ling is tweevoudig:
– Als er zich binnen de gemeenschap meningsverschillen of conflicten voordoen, probeer dan te voorkomen dat er ‘een zaak’ van wordt gemaakt. Een officiële aan­klacht is niet de eerste maar de laatste stap. Pro­beer fricties in der minne te rege­len. In een goed gesprek – onder vier ogen of geleid door een neutrale derde – kan elke partij zijn beweegre­denen uit­spreken, omstandighe­den en achter­gron­den toe­lichten, waarop de ander partij tot dan toe geen of onvoldoende zicht had. Dat kan leiden tot een wederzijds beter begrij­pen van het standpunt en de reacties van de ander.
– De tweede bedoeling is: de christengemeenschap erop te attende­ren dat elk lid mede verantwoordelijk is voor de eenheid van en de solidariteit binnen de geloofsgemeenschap. Verontruste mensen (toen zowel als nu) zijn al vlug geneigd om, wat vol­gens hen scheef loopt binnen de gemeenschap, op het bord van het gezag te deponeren. Zich verschuilen achter het gezag, ervan uitgaan dat er maar van bovenaf moet ingegrepen worden, is een christen onwaardig. Neem zelf con­tact op. Terechtwij­zing, zijn fout erkennen, op zijn stappen terugkeren en verge­ving zijn immers concretisaties van de onderlinge solidariteit op niveau van de basis. Daarmee reageert Mattheüs tegen een – ook op onze dagen hoogst actuele maar – verkeerd begrepen vorm van ‘respect’ voor andermans individuele vrijheid die niet gepast vindt de ander op zijn functioneren aan te spreken. Als dat functione­ren haaks staat op gemeen­schapszin, dan is zwijgen geen blijk van eerbied voor ander­mans overtuiging, maar gewoonweg onverschilligheid. Echt respect voor uw broeder of zuster is (1) hem of haar willen vasthouden omdat wij elkaar nodig hebben om samen aan Gods liefde gestalte te geven; en (2) met die ander persoonlijk in gesprek gaan. En niet: hem of haar aanklagen bij het gezag, of, erger nog, die ander in het roddelcircuit publiekelijk veroordelen.

Twee weken geleden zei ik dat critici Jezus recht in de ogen moeten kunnen kijken. Wij moeten onze kritiek op anderen dus niet afstemmen op ons ‘eigen gelijk’. Zo zet je zelf solidariteit op de helling. Kritiek is op zijn plaats als die de verbroken solidariteit tracht te herstellen, want het Rijk van God kan geen broeder of zuster missen. Kritiek, dienstbaar aan het Rijk Gods, is behoedzame kritiek, zegt Mattheüs op het einde van de tekst. Denk niet te snel dat jíj het monopolie bezit van het ware evangelie. Niet alles wat anders is, is verkeerd. Waar twee of drie samenscholen – eventueel afwijkend van de geves­tigde norm -, daar zou de Heer wel eens in hun midden kunnen zijn. De Geest waait immers waar Hij wil. Heilsgeschiedenis werd ook ge­maakt door minderheden waarvan de meerderheid, ook officiële in­stanties, aanvankelijk dacht dat die dissidenten het bij het verkeerde eind hadden. God heeft veel vrienden, meer dan wij vermoeden. Christelijke solidariteit is geen starre uniformi­teit, maar wezenlijk pluriform.

Maar, hoe droevig ook, soms wordt de roep om solidariteit overschreeuwd door scheur­makend getwist over gelijkhebberij. Als onze tekst daarover zegt: “Beschouw die scheurmaker als een heiden, als een tollenaar”, dan betekent dat niet: gooi hem eruit. Wel: erken dat je als kerkgemeenschap gefaald hebt, dat je er niet in geslaagd bent die ander over de drem­pel van de open deur binnen te loodsen, dat menselijker­wijze alle middelen zijn uitgeput, dat die ander niet meer aanspreekbaar is om mee te werken aan het gemeenschappelijk doel. Als kerkgemeenschap kun je dan niets anders dan ervan akte nemen dat die ander zichzelf tot buitenstaander heeft gemaakt. Maar zelfs dan mag je de solidariteitsgedachte niet loslaten. Als Kerk blijf je voor hem verantwoordelijk en dien je voor hem de deur van de vergevingsgezindheid open te laten. Zo Kerk-zijn in praktijk brengen, laat iets zien van de barmhartigheid van onze God, van zijn trouw en van zijn vergevings­gezindheid.
En net als de kerkgemeenschap, zal ook God zich dan bij die feitelijke solidari­teits­breuk moeten neerleggen. Dat is voor Hem de droeve conse­quentie van de vrijheid en de autonomie die Hij aan de mens geschonken heeft. Vandaar dat onze evangelietekst zegt: “Wat jullie (als gemeenschap) op aarde binden, zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat jullie (als gemeenschap) op aarde ontbinden, zal ook in de hemel ontbonden zijn.”
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.