7e paaszondag C 2013

Zodat de wereld kan geloven (Joh. 17, 20-26) 12 mei 2013

Elk jaar, op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren, lezen we in het evangelie een stuk uit het gebed van Jezus tot zijn Vader waarmee de evangelist Johannes Jezus’ afscheidsrede op Laatste Avondmaal afsluit. Daarnet hoorden we daarvan het laatste stuk. Meteen daarna begint het verhaal van Jezus’ arrestatie, lijden en dood.
In dit laatste deel van zijn bidden tot zijn Vader klinkt driemaal na elkaar: “Mogen allen één zijn, zoals Wij, Vader, één zijn.”

‘Eénheid’ is een begrip dat – ook in de context van geloof en Kerk- heel uiteenlopende betekenissen kan hebben. Een paar voorbeelden:
* In het verleden werd eenheid vaak gelijkgesteld met uniformiteit. Eén centraal gezag dat  geloofsvragen beantwoordt met dogmaverklaringen die boven elke discussie verheven staan en waaraan iedereen zich te confirmeren heeft. Ze golden tevens als criterium om uit te maken wie wel en wie niet tot de Rooms-Katholieke Kerk behoorden. Zo konden de rangen gesloten worden. Eenheid in naam van de enige waarheid. Samen sterk tegenover ongeloof en tegenover afwijkende, ‘ketterse’ opvattingen.
* Sinds het Tweede Vaticaans concilie ligt het accent niet meer op eenvormigheid maar eerder op één-gemeenschap-zijn. Volkeren en culturen hebben – tot op zekere hoogte – recht op hun eigen wijze van Kerk-zijn. Natuurlijk blijven die kerken-met-hun-eigen-kleur bij elkaar horen. Het is de taak van de kerkleiding om die verscheidenheid bijeen te houden opdat we elkaar zouden helpen om in deze wereld aan de volle rijkdom van Jezus’ Boodschap gestalte te geven.
* ‘Mogen allen één zijn’ is sinds lang ook het motto van de internationale gebedsweek voor de eenheid van de christenen. Uitgangspunt hier zijn gescheiden kerken. Ondanks diepgaande verschillen weten zij zich toch verwant omdat zij zich laten inspireren door dezelfde geloofsbron: het Godsgetuigenis van Jezus van Nazareth.

Het één-zijn waarover Jezus het heeft in zijn Laatste-Avondmaalgebed is echter geen zaak van structuren of instellingen, maar een geloofsaangelegenheid. Het geloof in Jezus verzekert de toegang tot het Rijk van God: “Ik ben de deur” zei Jezus. Elke rank “die niet in Mij blijft” wordt afgesneden en weggeworpen. Het geloof in Jezus is beslissend voor ons toehoren tot Gods volk.
De schriftbeelden  ‘deur’ en ‘rank’ maken duidelijk dat met ‘geloof’ onze levende relatie met Jezus wordt bedoeld, en nauwelijks of niets met kennis of met het belijden van wat als ‘waarheid’ wordt voorgehouden. Geloven in evangelische zin is Jezus kennen door met Hem om te gaan, door in Hem te zijn, zijn stem te herkennen, Hem te volgen, Hem zorg te laten dragen voor ons, Hem te zien, met Hem te eten en drinken, één te zijn met Hem, Hem lief te hebben.  En daarbij ten volle te beseffen dat Jezus de Gezondene Gods is, zijn Gevolmachtigde die uitvoert wat God aan en voor ons wil doen, die, in de liefde die Hij ons betoont, de liefde doorgeeft die Hij van zijn Vader geniet.
Zo geloven houdt ook in dat Jezus kennen door met Hem om te gaan en Hem lief te hebben, niet ophoudt bij Jezus, maar dat we in Hem God erkennen, liefhebben en beleven. En ook omgekeerd: de liefde van God, zijn herderlijke zorg, zijn leven zelf vloeien in en doorheen Jezus naar ons toe. Liefdevol in Jezus verblijven is in God verwijlen. En omdat God liefdevol in Jezus verwijlt, verblijft Hij ook in ons. Zo gezien, zijn geloof en liefde synoniemen.

Daarvoor bidt Jezus dus:  “Mogen ze allen één zijn. Zoals Gij, Vader, in Mij zijt en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn.” Maar Hij voegt er nog iets belangrijks aan toe: “zodat de wereld kan geloven dat Gij Mij hebt gezonden“. In zijn bidden breekt Jezus de kring van gelovigen open. Die gemeenschap van mensen – onderling én persoonlijk in liefde met Jezus verbonden – moet zó in het leven staan dat het voor buitenstaanders opvalt dat daar iets goeds gebeurt, dat die zich gaan afvragen wat daar achter zit, wat daarvan de inspiratiebron is. M.a.w. authentiek gelovige zijn is leven vanuit zo’n intense verbondenheid met Jezus dat in ons iets doorschemert van de liefdeseenheid tussen Jezus en zijn Vader. Het is die transparantie die de wereld op het spoor kan zetten van de christelijke God.

Misschien klinkt u dit wat te vroom in de oren. Maar je mag de tijdsgeest waarin deze tekst geschreven werd niet uit het oog verliezen. Onze evangelist legde Jezus deze woorden, deze geloofslogica in de mond in een antieke cultuur met zijn veelgodendom en zijn vanzelfsprekend geloof in hogere machten. In onze tijd werkt dat niet meer zo. Het begrip ‘God’ roept bij velen alleen maar sceptisch ongeloof op. Maar ik denk dat synoniemen voor God, zoals ‘leven’ en ‘liefde’ nog niets aan betekenis ingeboet hebben. En daar gaat het toch om.
Ik verwijs in dit verband even naar de alom gekende lofzang van Paulus over wat ware liefde vermag.
Liefde is geduldig  – zij slaat er niet meteen op los.
Liefde is niet afgunstig – wil de ander niets afhandig maken of hem overtroeven.
Wie liefheeft, probeert in de huid van de ander te kruipen om hem recht te doen, te doen leven.
De ware medemens weet hoe zwak hij is en kan dus een ander z’n fouten vergeven i.p.v. hem erop vast te pinnen.
Liefde gelooft in ommekeer en in goede voornemens.
Liefde slaat bruggen tussen mensen en volkeren.

Die liefde voorgeleefd laat vele buitenstaanders niet onverschillig. Daarvan ben ik overtuigd. Als wij proberen iets daarvan uit te stralen, dan stralen wij iets van God uit. Want God is Liefde.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.