Wie mag het woord van God verkondigen?

Mc.9,38-40

Wat in onze eerste lezing verteld werd, speelt zich af op een ogenblik dat Mozes het niet meer ziet zitten. Tijdens de 40 jaar-lange zwerftocht door de woestijn op weg naar het Beloofde Land, gaan voor hem niet alleen de jaren te wegen, ook de Israëlieten hebben het hem meer dan lastig gemaakt. Het enthousiasme waarmee het volk uit Egypte was vertrokken, was al lang bekoeld. Steeds opnieuw moest Mozes optornen tegen moedeloosheid, geruzie, tegen gezeur en gezanik over slecht eten en tekort aan drinkwater, en vooral tegen afgodendienst – denk aan de historie met het ‘gouden kalf’. Uiteindelijk werd het hem teveel. Na overleg met God stelde hij 70 mannen aan die het leiderschap moesten meedragen. Als aangestelde medeprofeten rustte ook op hen Gods Geest.

Maar toen gebeurde iets vreemds. Het bleek dat nog twee mannen, die geen deel uitmaakten van de groep van 70, optraden als profeet. Twee religieuze voorgangers, a.h.w. van onderuit uit het volk gegroeid, niet officieel aangesteld, maar blijkbaar wel begenadigd met het charisma van profeet-zijn.
Jozua – niet de eerste de beste, want later zou hij Mozes opvolgen – ergerde zich aan dat duo. “Mozes moet die nep-profeten de mond snoeren” vond hij, “want wie optreedt zonder officiële machtiging ondermijnt de religieuze gezagsstructuren, tast het gezag van de aangestelde profeten aan, en uiteindelijk ook de leiderspositie van Mozes zelf…”.
Mozes volgde die redenering niet: “Waarom kom jij voor mij op, Jozua? Ik zou juist willen dat heel het volk van de Heer profeet was; dat elke Israëliet drager en verkondiger was van de Geest Gods.”
Mozes opteert dus voor een geloofsgemeenschap die ruimte laat voor Gods initiatief vanuit de basis. Hij kiest voor een gezonde spanning tussen de officiële structuur van boven naar beneden en een profetische beweging van onderuit. Beide mogen ze er zijn, ze kunnen elkaar bevruchten en stimuleren – en zo de religieuze kwaliteit van de geloofsgemeenschap ten goede komen.

Ongeveer hetzelfde verhaal hoorden we in onze evangelielezing. De apostel Johannes beklaagt zich erover dat een of andere onverlaat duivels uitdrijft in de Jezus’ naam, terwijl hij zelfs geen volgeling van Jezus is. Zo’n man zonder mandaat schept verwarring. Dat moet dus ophouden!
Maar net als Mozes legt Jezus dit advies naast zich neer. Ook Hij laat zich positief uit over deze van onderuit gegroeide voorganger: “Laat maar. Wie zoiets doet, en daarbij verwijst naar Mij en mijn Boodschap, die is niet tegen ons. Integendeel, die zet zich in voor het heil dat God voor mensen wil”.

Zowel Jezus als Mozes laten dus ruimte voor onofficiële verkondigers naast officieel aangestelde ambtsdragers. Leken én priesters, om het in kerktermen van vandaag te zeggen. Gewijde voorgangers zijn de gemandateerde begeleiders van de geloofsgemeenschap. Met recht kunnen zij zich beroepen op Gods Geest die hun door de handoplegging van de opvolgers van de apostelen is doorgegeven. Maar daar volgt niet uit dat Gods Geest uitsluitend via dit hiërarchisch wijdingskanaal werkzaam is. De Geest laat zich niet door structuren aan banden leggen. Soms kiest Hij ervoor om zijn mensbevrijdende Boodschap te verkondigen door de mond van leken.

Met die bijbelse ruimdenkendheid heeft het Romeinse kerkinstituut nooit goed raad geweten. Het opteert eerder voor risicoloze zekerheid en duidelijkheid – de lijn ‘Jozua/Johannes’ zeg maar. De meesten van ons zijn opgegroeid met het klerikale kerkbeeld waarin alle waarheid en wijsheid van boven naar beneden vloeit: paus, bisschoppen en priesters als herders van een luisterende, zwijgende geloofsgemeenschap.
Het was het concilie van de zalige paus Johannes XXIII dat de evangelisch geïnspireerde mondigheid van het volk Gods herontdekte, en de eigen geloofsverantwoordelijkheid van de niet-gewijde gelovige beklemtoonde. Het riep de priesterlijke hiërarchie ook op om recht te doen aan de werkzame actie van de heilige Geest van onderuit.

Deze terug-naar-de-Bijbel-beweging heeft zich in de 50 jaar sinds het concilie niet echt kunnen doorzetten. Het hiërarchisch denken bleef de boventoon voeren met gewijde ambtsdragers als eindverantwoordelijken op alle niveaus. Hier en daar, op plaatselijk niveau, werd er wel ruimte gecreëerd voor initiatieven van onderuit. In onze Witte-Kerkgemeenschap bijvoorbeeld, waar lekenverantwoordelijkheid een belangrijk aandachtspunt is, niet alleen inzake beleid, maar ook in de liturgische vieringen. Denk maar aan onze preekploeg, onze pastoraal medewerkster en gebedsleidster. Tot een jaar of tien geleden was dat een vrij uitzonderlijk.

De jongste jaren is het hiërarchisch kerkmodel, althans in Europa, zwaar in de problemen geraakt door de vergrijzing van het personeel en het groeiend tekort aan priesters. Onder druk van deze op het eerste gezicht negatieve ontwikkeling zijn onze bisschoppen zich beginnen te realiseren dat actieve inbreng van niet-gewijde gelovigen kans moet krijgen, dat er in de kerkgemeenschap ruimte moet zijn voor mannen en vrouwen die vanuit het volk opstaan om zelf verantwoordelijkheid op te nemen inzake verkondiging, in de pastoraal en in gebedssamenkomsten.

Ook op het hoogste kerkelijke niveau lijkt er sinds kort iets te bewegen. Denk aan het vorig jaar verschenen succesboek Biecht van een kardinaal, dat dit jaar een vervolg kreeg met De kardinaal hoopt. Twee interviewboeken met een curiekardinaal die zich afvraagt of de ouderwetse hiërarchie niet te zeer gehecht is aan haar privileges, en in hoeverre de daden van de Kerk nog overeenkomen met de basisprincipes van liefdadigheid, mededogen en bescheidenheid die het evangelie verkondigt. Op hetzelfde spoor zit ook kardinaal Martini, waarover u kon lezen in Kerk & Leven van 12 september. Hij roept de Kerk, die volgens hem 200 jaar achterop loopt, op tot bekering.
Klein detail: de curiekardinaal van het boek blijft anoniem, en het gesprek met kardinaal Martini werd gepubliceerd… daags na zijn overlijden. Van een open-debat-cultuur hebben ze in Vaticaanse kringen nog steeds niet veel kaas gegeten…

Hoe dan ook, zeker is wel dat een geloofsgemeenschap die zich vandaag blijft oriënteren op gisteren, morgen dood en begraven is. Op zoek naar een leefbare toekomst dient de Kerk zich evangelisch te herbronnen, en aan die evangelische inspiratie vorm te geven, inspelend op plaatselijke mogelijkheden en behoeften. Op die manier kan Mozes’ droom beetje bij beetje werkelijkheid worden: “Ik zou juist willen dat heel het volk de Heer zou verkondigen. Je mag de Geest Gods niet de pas afsnijden”.

Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.