Deel1: Inleiding

DominicusDominicanen ontlenen hun naam aan Dominicus, een man die leefde tussen ongeveer 1170 en 1221. Dat is wel erg ver weg om iemand goed te leren kennen. Daar komt nog bij, dat wij van Dominicus zelf niets persoonlijks bezitten dan maar één echte brief, geschreven aan dominicanessen in Madrid.

Uit die vrome vermaningen rijst geen beeld van zijn persoon. We moeten het dus hebben van de getuigen bij het heiligverklaringproces, maar die spreken, naar onze smaak, te veel in vrome gemeenplaatsen.
Jordanus van Saksen dan maar, zijn opvolger als magister-generaal (algemeen hoofd van de predikbroeders). Hij heeft Dominicus goed gekend en hij schreef dertien jaar na diens dood een boekje over het ontstaan van de orde van de predikers. Niet veel meer dan de helft van de tekst gaat over Dominicus, van wie ook Jordanus geen psychologisch portret tekent dat ons vandaag kan bevredigen.

Op het tweede plan

Eén ding is echter opvallend: bij Jordanus opereert Dominicus steeds op het tweede plan: het zijn de bisschop uit Osma of de bisschop van Toulouse of de paus die het initiatief telkens nemen, niet Dominicus. Maar deze voorstelling van zaken staat op gespannen voet met andere berichten waaruit blijkt, dat Dominicus een krachtige persoonlijkheid was die wel degelijk risicodragende besluiten resoluut wist te nemen.
We moeten daarom aannemen, dat Dominicus welbewust niet op de voorgrond wilde treden en, dat zijn volgelingen ook na diens dood deze uitdrukkelijke wil hebben geëerbiedigd. Dat ging zo ver, dat de dominicanen van het klooster te Bologna waar Dominicus begraven lag, zijn verering door het volk zoveel mogelijk probeerden af te remmen. Zij hadden hun stichter goed begrepen en zij hebben zijn afwijzen van publiciteit geëerbiedigd.

Groei komt van God

Wat was de reden van deze bescheidenheid? Nederigheid, deemoed, zeggen de levensbeschrijvers. Maar Dominicus die op zijn reizen het evangelie van Mattheüs en de brieven van Paulus bij zich droeg, had waarschijnlijk van de apostel geleerd, dat noch hij die plant, iets betekent, noch hij die begiet, maar God die de wasdom geeft.
Het ging Dominicus om ‘de verkondiging van het evangelie en het heil van de zielen’. ‘Onze liefste bezigheid moet hoofdzakelijk daarin bestaan, dat wij ons met hartstocht en de grootst mogelijke krachtsinspanning afvragen, hoe wij de zielen van onze medemensen van nut kunnen zijn.’
Zo staat het letterlijk in het begin van de oudste ‘constituties’, (kloosterlijk wetboek) van de dominicanen, opgesteld nog tijdens het leven van Dominicus.

Dat is Dominicus’ bedoeling in het hart geraakt. De diepste drijfveer van zijn leven was een godsdienstige, binnen het kader van zijn tijd. Wie dat niet voor ogen houdt, mist de sleutel om hem te kunnen begrijpen.