Deel 7: Inktzwarte bladzijden

Die geest des tijds heeft het Dominicaans ideaal ernstig geschaad. In plaats van Een dominicaan als lid van de inquisitie. Afbeelding uit de serie ‘Van nul tot nu’, de vaderlandse geschiedenis in stripvorm

strip
het zielenheil van de mensen, zoals bij Dominicus het geval was, kwam de recht-gelovigheid van de leer op de eerste plaats. Daaraan werden mensen opgeofferd, soms letterlijk op een brandstapel.

Onnoemelijk leed

De precieze formulering van de geloofsleer werd belangrijker dan het leven naar de geest van het evangelie. Aldus hebben veel dominicanen de kerkelijke Inquisitie gediend en zijn zij mede oorzaak geworden van onnoemelijk leed voor christenen met afwijkende meningen, voor joden, islamieten, de zogenaamde heksen en veel anderen.
Gelukkig zijn er ook dominicanen te noemen die wél in de lijn van het boven omschreven ideaal dachten en deden. Zij zijn dan ook zelf vaak niet ontsnapt aan de inquisitie en zijn opvolgers, het H. Officie en de Congregatie van de geloofsleer.
Armoede en rijkdom
Het afwijzen van onroerend goed – kloosters met landerijen en bossen – als eigen bezit en de poging om te leven van toegezegde of toevallige inkomsten, van giften of van de bedel werd pas echt mogelijk in de stedelijke samenleving waar geld in omloop kwam. Op grond van de bijbelse inspiratie had men de levensonzekerheid aanvaard.
De populariteit van de bedelorden veroorzaakte echter een stroom van geld en goederen in hun richting. Daardoor waren zij in staat hun kerken en kloosters te bouwen en te verfraaien. Er werden fondsen gesticht waaruit het lezen van missen, het bidden voor levende en overleden weldoeners werden betaald en het recht op een graf in de bevoorkeurde kerk.

Wiens brood men eet…

De levensonzekerheid verdween en al bezaten individuele kloosterlingen in theorie niets, de kloostergerneenschap als geheel was in een onzekere wereld een veilige haven voor ’s levens onzekerheid. Er was altijd wel iets te eten; er was een dak boven je hoofd en bij ziekte en in ouderdom liet de gemeenschap je niet aan je lot over.
De weldoeners behoorden tot de burgerij, zeg maar de middenstand. Daaruit kwamen ook voor het grootste deel de kloosterlingen zelf voort. Voor deze groepen hadden zij een woord; hun taal spraken zij; zij kozen hun zijde. Vaak gold ook hier: wiens brood men eet, diens woord men spreekt.

Comments are closed.