Deel 3: Een lange reis

Er was nóg een reis naar Denemarken nodig, nu om de prinses die al in het huwelijk had toegestemd, met veel pompa op te halen. Maar, toen ze in ‘De Marken’ kwamen, bleek het meisje dood.

Diëgo en Dominicus maakten op de reis terug een omweg over Rome waar Diëgo aan de paus, Innocentius III, vroeg hem van het bisschopsambt te ontslaan en hem verlof te geven om zich aan de bekering van de Koemanen te mogen wijden.
Dat verlangen heeft ook Dominicus gekoesterd en het heeft hem nooit meer verlaten. Het tekent de beide mannen, want de Koemanen, een Turks volk uit Zuid-Rusland, waren toentertijd berucht wegens hun zeer rauwe zeden. Maar de paus weigerde de twee verzoeken. Het ziet er naar uit, dat hij hun heeft gewezen op een andere noodzaak: de bekering van de Katharen in Zuid-Frankrijk.

Het evangelie leven

kloostergangIn ieder geval reisden Diëgo en Dominicus niet rechtstreeks terug naar Osma, maar ze bezochten eerst de abdij van Citeaux in Bourgondië (foto): een fors eind om! Citeaux was het hoofdklooster van de Cisterciënsers die de opdracht hadden de Zuid-Franse ketters te bekeren.
Het kan geen toeval zijn, dat Diëgo en Dominicus op hun reis naar het zuiden Montpellier aandeden op het ogenblik dat daar de Cisterciënzers vergaderden over de geringe resultaten van hun prediking onder de ketters. Diëgo wist hoe dat kwam. Men kon het evangelie niet preken zonder er zelf naar te leven.

Broeder te voet

Diëgo voegde dan ook de daad bij zijn woord. Hij zond het hele, hem begeleidende gezelschap, paarden en bagage incluis, naar huis, hield enkele priesters uit dat gezelschap onder wie zijn supprior Dominicus bij zich en begon in vrijwillige armoede te preken. Daarmee voldeden zij letterlijk aan de evangelische eis geen geld of reiszak mee te nemen. Zij leefden van de bedel. Dominicus liet zich van dan af ‘broeder’ noemen en niet meer ‘supprior’. Ook dát was evangelisch.
Door dit alles laten zij ons zien, hoezeer zij kinderen van hun tijd waren. De eis was: terug naar het evangelie en het apostolisch leven, dat wil zeggen naar een leven zoals de apostelen dat hadden geleid. Een leven van rondtrekken, reizen, het geloof verkondigen en de evangelische voorschriften nagenoeg letterlijk opvolgen. Dat deden de ketters, de Waldenzen en de Albigenzen. Dat deden vele andere groeperingen in hun dagen en zij ontleenden er voor een groot deel hun populariteit aan. Wij horen tijdgenoten en latere levensbeschrijvers dan ook tot vervelens toe verklaren, dat Dominicus een evangelisch en apostolisch man was. Dat hij veel heeft rondgetrokken staat vast: minstens 15.000 km te voet.

Preken en disputeren

Daar gingen ze dan: Diëgo, Dominicus, enkele priesters uit hun gevolg en een aantal Cisterciënzers onder wie twee hoge heren die de titel ‘legaat’ droegen. Die laatste twee waren dus rechtstreekse afgezanten van de paus. Korte tijd later kwamen daar nog eens twaalf Cisterciënzerabten bij. Men verdeelde het ketters gebied van Narbonne tot Toulouse als missiegebied onder elkaar en ging twee aan twee op pad: wéér naar evangelisch voorschrift.
Men preekte niet alleen, maar men hield in verschillende plaatsen ook naar middeleeuwse trant disputen met de ketters. In november 1207 vertrok Diëgo naar zijn bisdom Osma waar hij kort daarop stierf.

Een eenzame post

prouilleVoordien had hij te Prouille, vlak bij Fanjeaux, een zusteProuille in later tijdenrklooster gesticht waar bekeerde ketterse vrouwen een onderdak vonden vooral voor hun godsdienstige aspiraties. Dominicus heeft deze stichting en de zusters heel zijn leven een warm hart toegedragen. Hij was haar geestelijke leidsman.
Hij keerde telkens naar Prouille terug en in de moeilijke jaren die volgen gaan, is het een centrum waarnaar hij en andere predikers telkens terugkeren en vanwaar zij telkens ook weer uitvliegen. In de bijna tien jaar die volgden op het begin van de ‘prediking van Jezus Christus’ zoals die in 1206 te Montpellier begon, bleef Dominicus grotendeels alleen op zijn post. Spoedig na Diëgo, verlieten hen ook de Cisterciënzers. De prediking onder de ketters dreigde opnieuw te mislukken.

Moord en een slachtpartij

Bovendien ontketende een politieke moord een ramp. Iemand, waarschijnlijk uit de omgeving van de van ketterij verdachte graaf van Toulouse, stak op 14 januari 1208 de Cisterciënzer abt en pauselijk legaat Pierre de Castelnau te Saint-Gilles, vlak bij Arles, verraderlijk dood. Toen waren de poppen aan het dansen, want het vermoorden van een legaat stond nagenoeg gelijk met het vermoorden van de paus.
Innocentius III riep de Franse adel en geestelijkheid op tot een kruistocht tegen de ketters. Hetgeen geschiedde; in juni 1209 zette het leger zich vanaf Lyon in beweging zuidwaarts. De kruistocht is berucht geworden door de lange duur en vooral door de wreedheid waarmee zij gepaard ging. De eerste stad die weerstand bood, Béziers, werd door de fanatieke bende in een ommezien ingenomen. In het bloedbad dat volgde, werden ketters én rechtgelovenden zonder onderscheid als beesten afgeslacht.

Comments are closed.