Deel 11: Uittocht en aanwas

Voor wat de dominicanen betrof, was deze herleving al in Italië begonnen. In Frankrijk zal dat herstel verbonden blijven aan Henri-Dominique Lacordaire (+ 1861), romanticus, meeslepend predikant en schrijver. Sindsdien breidde de orde zich overal uit in het tijdperk van het zogenaamd ‘ultramontaans’ katholicisme dat geduurd heeft tot ongeveer het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965).

Yves Cognar Edward Schillebeeckx mariedominiquechenu

Marie-Dominique Chenu

Dat betekende niet alleen uitbreiding in aantal, maar ook uitbreiding van activiteiten: het aannemen van nieuwe missiegebieden en nieuwe werkterreinen, zoals apostolaat onder studenten en niet-gelovige academici en arbeiders, bemoeienis met de oecumene. Anderzijds werden de oude taken heropgenornen met name de studie van de theologie.

Dat gebeurde soms op echt nieuwe wijze,(zoals bv. door M. J. Lagrange (+ 193Smilie: 8) die te Jeruzalem een bijbelschool (école biblique) oprichtte die het modern bijbelonderzoek grote diensten bewees en nóg bewijst.

De heroplevende belangstelling voor de leer en de geschriften van Thomas van Aquino, (het zogenaamde ‘neothornisme’Smilie: ;), bevorderde weliswaar een kritische uitgave van diens werken, maar bracht, achteraf gezien, geen échte vernieuwing van de theologie. Deze kwam pas, toen de historische methode op de theologie werd toegepast, het eerst door Y. Congar en M.-D. Chenu in Frankrijk en in de Benelux door E. Schillebeeckx.
Een wezenlijke vernieuwing van het kloosterleven heeft de herleving in de 19de eeuw ook binnen de dominicanenorde niet gebracht. Men keerde terug naar wat men aanzag voor het middeleeuws ideaal. Regels en leefvoorschriften werden opnieuw aangescherpt, juridisch preciezer vastgelegd en afgedwongen tot een voor ons gevoel benauwend geheel. De vrouwelijke ordeleden hadden daarvan meer te lijden dan de meeste mannelijke.

Uittocht en aanwas

Enige tijd na de tweede wereldoorlog (1939-1945) zette de reactie vooral in West-Europa en Noord-Amerika in. Zij werd voelbaar door een ware uittocht van geprofeste ordeleden en een scherpe daling van het aantal nieuwe kandidaten. Deze uittocht is nu wat tot staan gekomen, maar er zijn weinig nieuwe leden. Dat is echter niet overal zo: in enkele Europese landen, in Latijns Amerika, Midden- en Zuid-Afrika, Pakistan, Australië en Nieuw-Zeeland liggen die zaken toch anders.
De crisisverschijnselen maakten nieuw denken en nieuw clan wakker. In 1965 werden de lekenbroeders volwaardig als medebroeder erkend. Hun afwijkend ordeskleed werd gelijk aan dat van de gewijde leden; zij kregen stemrecht. Men begon zich ook opnieuw te bezinnen over de taak van de orde in de eigen tijd waarbij de jongste ‘generale kapittels’, (algemene vergaderingen), de nadruk legden op het streven ‘gerechtigheid en vrede’ te bevorderen.

Dominicaanse familie

Daarnaast werden en worden nieuwe vormen van kloosterlijk samenleven opgezet en uitgeprobeerd. Het idee van een ‘Familia Dominicana’, een dominicaanse familie, vond allerwegen bijval. Niet-gewijden en priesters, mannen en vrouwen, gehuwden en ongehuwden willen zich inzetten voor de ‘Dominicaanse beweging’ en proberen een vorm te vinden om daarin zo goed mogelijk samen te gaan.
Ook jongeren binnen de orde lieten, vaak kritisch, van zich horen, zoals bv. sedert 1965 bleek uit de zogenaamde ‘Lorscheidbeweging’, genoemd naar Lorscheid bij Trier, waar deze jongeren voor het eerst samenkwamen.

Slot

Dat is de stand van zaken tot op heden, alles in zeer grove lijnen geschetst. Aan het eind van dit overzicht moet de schrijver echter nog iets van het hart. Het zit hem dwars, dat hij bij gebrek aan gegevens niet heeft kunnen beschrijven, hoe de massa van de gewone dominicanen en dominicanessen hun vreugden, hun verdriet, hun successen, hun nederlagen, hun geestelijk en lichamelijke bestaan hebben ervaren en beleefd. Want dát zou hij zelf het liefst van alles hebben willen weten.

Geschreven door Kees Brakkee o.p. en overgenomen uit Zoeken naar echtheid. Dominicanen in Nederland, Amstelveen 1986.

Comments are closed.