Tweemaal vijf eurocent

Twee lezingen, tweemaal is een weduwe de centrale figuur. Dat is geen toeval. In de bijbel – twintig tot vijftig eeuwen ouder dan onze sociale voorzieningen – is de weduwe (net als de wees) het prototype van de zwakke en kwetsbare mens. Een vrouw die in haar eigen levensonderhoud niet kon voorzien, dus niets bezat, op haar kinderen na die ze wel te eten moest zien te geven. Zonder bescherming, geheel en al overgeleverd aan de goedheid van anderen. Haar situatie was maatschappelijk zo precair dat de joods-godsdienstige wetten aalmoezen geven aan weduwen en wezen tot een morele plicht verklaarden.

Tegen die achtergrond keert God, in de eerste lezing, de rollen om: een weduwe, die zelf uit andermans hand eet, moet de profeet Elia te eten geven. Zoiets in scène zetten, zo flagrant in strijd met het elementaire gezond verstand, kan alleen in Gods hoofd opkomen. Maar het gaat God natuurlijk niet om gezond verstand. Hij wil ogen en harten van mensen openen voor nieuwe dimensies. Om dat te bereiken komt het wel vaker voor dat de God van het Oude Testament zijn profeten in een ongemakkelijke positie manoeuvreert. Wat er dan gebeurt, krijgt een symbolische lading, wordt een voorval met een boodschap.

Op de vlucht voor koning Achab, die hij er flink van langs had gegeven omdat die de afgod Baäl in Israël had geïntroduceerd, steekt Elia de grens over. Eindelijk veilig maar moe en uitge-hongerd, bereikt hij het dorpje Sarefat. Aan een vrouw die hout aan het sprokkelen is – toevallig een weduwe – vraagt de profeet te eten en te drinken. Water is geen probleem, maar brood heeft ze niet. Met het laatste beetje meel en olie dat ze in huis heeft, kan ze nog net één broodje bakken en “daarna wacht mij en mijn zoon de hongerdood” antwoordt de vrouw. Alsof het dramatische van de situatie niet tot hem doordringt, zegt Elia: “Bak dat brood maar en breng het mij. Daarna kun je zorgen voor jezelf en voor je zoon”. En ze doet het verdorie! Zij, die nog voor één keer te eten heeft, geeft aan hem die niets te eten heeft. Een vreemde, niet-joodse vrouw schenkt aan de profeet haar allerlaatste beetje brood. Ze geeft hem haar leven.
Slachtoffer van haar eigen goedheid. Stof voor een klassiek Grieks drama over de onontkoombaarheid van het noodlot. Maar ons bijbelverhaal is geen Grieks drama. In de stukken die God regisseert, triomfeert uiteindelijk nooit het noodlot, altijd het geluk. We hebben hier te doen met een verhaalversie van wat Jezus, een aantal eeuwen later, zal zeggen: “Alles wat je voor de minste van mijn broeders hebt gedaan, dat heb je voor Mij gedaan. Neem bezit van het koninkrijk dat voor jullie klaar ligt.” (Mt.25,40+34). In de stem van de hongerige, doodver-moeide Elia, die om haar goedheid bedelt, hoort de weduwe de klank van Gods stem. Aan Hem geeft zij haar laatste brood, haar leven. Geven is hier zich geven, totaal, onberekend; zij geeft zich leeg in dienst van het leven van de a/Ander (ander = Elia; Ander = God). ‘Zich leeg geven’ is tegelijk ruimte maken om te kunnen ontvangen. Haar pot met meel en haar oliekruik worden gevuld, blijvend gevuld. Symbool van wat Jezus later ‘eeuwig leven’ zal noemen.
Op het Godstoneel staat de weduwe, die maatschappelijke randfiguur, in het centrum. De profeet is aangever. De manier waarop zij op hem inspeelt, maakt de weduwe tot profeet-voor-ons: in haar manier van geven ligt Gods boodschap besloten: als je geeft, geef dan jezelf.

Ons evangelieverhaal is een variatie op hetzelfde thema, in de vorm van een tweeluik. Ik beperk me tot het tweede gedeelte (v. 41-44).
In de tempel zocht Jezus zich een plaatsje met zicht op de offerblok en observeerde de mensen die erin geld wierpen voor het onderhoud van de tempel. Hij zag dat de bijdragen van de gegoe-de burgerij niet gering waren.
‘Goed zo!’ moet de schatbewaarder van de tempel gedacht hebben. Zijn collega van de Witte Kerk weet dat evenzeer te appreciëren. Want met wat de arme weduwe in de schaal wierp, twee nikkeltjes van 5 eurocent, hou je de zaak niet draaiende. Papieren geld komt beter van pas als je de voorraad hosties en kaarsen moet aanvullen, en rekeningen voor verwarming, licht, bloemen, kerkpoets en reparaties moet betalen. Nogal wiedes dat schatbewaarders van kerk en tempel geïnteresseerd zijn in wat in het mandje en de offerblok terecht komt.

Jezus is blijkbaar ook geïnteresseerd. Maar Hij bekijkt de zaken niet met schatbewaardersogen maar in het licht van het Rijk Gods. Daar bestaat het onderscheid tussen rijk en arm niet. Daar gelden andere normen.
Dat wie meer bezit, ook meer kan bijdragen aan de noden van de kerk en de behoeften van de minderbedeelden, is niet meer dan logisch. Maar, zo merkt Jezus op, velen van hen “geven slechts iets van hun overvloed”. (Misschien dat Hij op dat moment even richting Schilde-Bergen uitkeek.)
Het doel waarvoor gecollecteerd wordt, zijn wij meestal genegen en hopelijk vertaalt zich dat in wat we in het mandje leggen. Daarmee is veelal de kous af. Onze offergaven zijn wel ‘gaven’ maar dikwijls geen ‘offer’. Gaven die ons uiteindelijk niets kosten. Financieel niet, want wij zullen er geen boterham minder om eten. Maar ook als persoon kost het ons veelal niets. Met onze bijdrage hebben we als het ware onze betrokkenheid bij de nood van de kerk en die van de armen afbetaald. Meer nog: misschien hebben we wel de illusie dat wij daarmee onze liefdesplichten vervuld hebben en dus, als de tijd is aangebroken, met een gerust geweten voor God kunnen verschijnen.
Van die illusie wil Jezus ons bevrijden. Zijn boodschap is dat het in de omgang met God, nooit gaat om ‘iets’, maar steeds om ‘alles’. Zoals de weduwe deed met haar twee nikkeltjes, waar Hij even tevoren vol bewondering had naar zitten kijken: “Zij gooide het meest in de offerkist” zei Hij tegen zijn leerlingen. Zij offerde waarvan ze leven moest.
Niet dat die weduwe daarmee zichzelf tot de hongerdood veroordeelde. Wel omdat zij onberekend had gegeven, belangeloos, met een zuiver hart. Wat ze weggaf was geen stukje van haar overvloed. Die had ze trouwens niet. Ze deelde gewoon vanuit haar armoede. Ze deelde zichzelf in het besef dat het beter is te geven dan te ontvangen. En dat ‘moeten ontvangen’, moeten leven uit de hand van een ander geen pretje is, ondervond zij dagelijks aan den lijve.
‘Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft’ moet ze gedacht hebben. Die twee nikkeltjes kon ze die dag toevallig missen. Behalve in financiële zin, was ze schatrijk. En dus kon ze vrijgevig omspringen met wat ze bezat: haar tijd, haar aandacht, haar zorg, haar raad en daad, haar betrokkenheid bij de tempel.

Arm-zijn of rijk-zijn is niet relevant in Gods ogen. Waar het Hem om gaat is of je arm van geest bent, of je jezelf durft uitdelen, of je degene die behoefte heeft aan liefde, durft liefhebben. Daar is meer moed en godsvertrouwen voor nodig dan om, wat je hebt en wat je bent, voor jezelf op te potten. Zalig die armen van geest want niet alleen voor hen maar ook dank zij hen zwaaien de hemelpoorten open. Zij immers bezitten het Rijk der hemelen, hoorden we op Allerheiligen in de zaligsprekingen.
Marc Christiaens o.p

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.