Pinksteren B 2015 p

Pinksteren gebeurt nog steeds  (Hand. 2,1-11 ; Joh. 20,19-23)  (Viering)

Op Witte Donderdag zei Jezus tot zijn apostelen: “De Helper, de Heilige Geest, die de Vader in mijn naam zal zenden, Hij zal u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb” (Joh.15,26). En 50 dagen na Pasen, op Pinksteren – zo schreef Lucas in onze eerste lezing – werd die belofte werke­lijk­heid: de Geest daalt neer over de leerlin­gen (Hand. 2,4).
Het ene lijkt naadloos op het andere aan te sluiten. Maar schijn bedriegt. Volgens  Johannes (20,19+22) – we hoorden het daarnet in onze evangelielezing – ontvingen de leerlingen de Geest niet 50 dagen nà, maar op Pasen zelf. De evangelist Marcus daarentegen lijkt geen weet te hebben van ‘de komst van de Geest’ (16,20). Ook andere geloofs­verkon­digers reppen er met geen woord over – tot grote ergernis van o.m. Paulus die er wel een grote fan van is (Hand. 19,1-2).

Betekent dat nu dat evangelisten en verkondigers elkaar tegenspre­ken? Neen. Het betekent wel dat we een onderscheid moeten maken tussen het Pinkstergebeuren en de Pinksterver­ha­len. Want dàt er iets gebeurde of gebeurd was, daarover zijn ze het allemaal eens. Zij ondervonden immers aan den lijve dat er, behalve hun eigen inzet, ‘méér’ in het spel was, dat er ‘Iemand’ was die, gebruik makend van hún handen en monden, grootse dingen reali­seerde. Maar hoe leg je die ongrijpbare ervaring uit aan derden? Verhalen­derwijze dus – zeker in die tijd. Wat het Nieuwe Testa­ment ons over het Pinksterge­beu­ren aanreikt, zijn dus diverse pogingen om het onzegbare te verwoorden.
En wij, gelovige lezers van tweeduizend jaar later, moeten de weg in omgekeerde richting gaan: door­heen die verschillende Pinksterverhalen proberen door te ­stoten naar dat moeilijk te omschrijven Pinkstergebeuren. En nagaan wat dit ons op vandaag te zeggen heeft.

1. Pinksteren betekende voor de apostelen allereerst aange­raakt worden. Zoals de aardse Jezus mensen aanraakte met Gods tederheid door zijn blik, zijn woord, zijn handen, zijn lief­de, zo weten en voelen de apostelen zich ook nu aangeraakt tot in merg en been: Jezus komt in hen tot leven. Tot dan toe bang, terneergeslagen, opgeslo­ten in zich­zelf en tussen vier muren, kunnen zij – ‘moeten’ zij als het ware, gedre­ven van binnen uit – opnieuw en ver­nieuwd over Jezus gaan spreken.
Pinksteren is dus van binnenin aangeraakt worden… en daardoor veranderen, nieuw leven voelen, be-geest-erd worden, met nieuwe ogen zien en inzien, een nieuwe taal spreken…

2. In de Pinksterverhalen is sprake van een taal die door iedereen werd verstaan. Een won­der? Misschien. Maar zeker niet verwonderlijk: want hier is Gods Geest aan het woord, en die wil door iedereen verstaan worden.
Tussen de regels wordt gealludeerd op een ver verleden, toen mensen het in hun hoofd haalden om een toren te bouwen die tot in de hemel zou reiken. Een project dat doodliep in Babelse spraakver­war­ring. Dat kon ook niet anders: egotrippers die stijf staan van presti­ge­zucht kunnen immers niet samenwerken, die nekken mekaar zodra zij hun kans schoon zien.
Pinksteren vertelt ons het tegenovergestelde: waar mensen Gods Geest aan het woord laten (in plaats van zichzelf te promoten) daar worden taalbarrières, cultuurverschillen en andere scheidsmuren gesloopt. Want samen luisteren naar de Geest brengt mensen bijeen, vormt individuen om tot ge­meenschap in Jezus’ naam. Als wij Gods geschonken Geest in ons laten gedij­en, als wij Hem de ruimte gunnen zodat Hij zich in ons en in ons midden thuis kan voelen, dan kan en mag ‘samen-kerk-zijn’ groei­en als een gave: bij elkaar de rust vinden om samen te bidden, om er de warmte van het evangelie tastbaar te maken.

3. Let wel: Pinksteren is geen eindpunt. Dat de Geest ons omvormt tot gemeenschap is geen knusse geloofsremedie tegen eenzaam­heid. Niet toevallig schrijft Lucas: “iets dat op vuur geleek zette zich neer op ieder van hen: ze werden vervuld van de heilige Geest”. Vuur is licht en warmte die kille duisternis verjaagt. Zo is het dus ook met Gods Geest. Hij wil kilte en duisternis uit de mensenwereld verjagen: de kilte van het materia­lis­me, van onverschilligheid, van spraak­verwar­ring en discrimina­tie; de duisternis van het geweld, van armoede en een­zaamheid. Vervuld-zijn van de Geest maakt vurig, geeft spirit, veer­kracht, werk­kracht om uit te bre­ken, om de confrontatie aan te gaan, om Gods boodschap van vrede en gerechtigheid te verkondigen, de boodschap van vreugde-in-de-diepte. Want Gods Geest wil uitwaaieren, waaien waar Hij kan (dat lijkt mij beter de sfeer van het evangelie weer te geven dan “waaien waar Hij wil”Smilie: ;).

4. ‘Waaien waar Hij kan’ houdt in dat Gods Geest niet bang is om nieuwe wegen te gaan, houdt in dat bij invallende duister­nis – plots, onverwacht – zijn lich­tend, hartverwarmend vuur kan op­laai­en…
Gods Geest beweegt zich niet langs platgetreden paden; Hij is niet te kanaliseren door geijkte structuren; Hij laat zich niet exclusief bezitten door hiërarchie of gewijde hoofden. Uitwaaierend waar Hij kan, intredend in harten die zich voor Hem openen, brengt Hij mensen samen, creëert Hij eenheid in respect voor ieders eigenheid: eenheid in verschei­denheid. Gehuwden en ongehuwden, mannen en vrouwen, worden door Hem bekleed met ‘gezag van Godswege’, om te getuigen van Godswege, om gemeenschap te vormen met God in hun midden. Een gemeenschap die zich opent voor allen, ten dienste staat van allen, zich inzet om allen te bevrijden uit de kluisters van slavernij – welke slavernij dan ook.

Moge ook wij dat vuur van de heilige Geest in ons binnenlaten.

Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.