Palmzondag C 2016

20 03 2016

Begroeting

Samen met Jezus, de Christus,
zetten we de laatste stappen richting Pasen.
Een weg die loopt van het ene uiterste naar het andere,
van huldebetoon tot kruis.
Vertrouwen wij ons-gaan-op-die-weg toe aan
+ de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.
     

Openingswoord 1

Welkom op deze Palmzondag.
Vandaag gedenken we dat Jezus van Nazareth ooit op een ezel
Jeruzalem is binnengereden.
Een uitzinnige menigte juichte Hem toe:
Hij zal hen bevrijden,
Hij zal die Romeinen een lesje leren!
Hosanna in den hoge!
Maar Jezus voelt zich geen krijgsheer of zeloot.
Hij herkent zich eerder in de lijdende dienstknecht.
Hij vermoedt dat Hij duur zal moeten betalen
voor die niet ingeloste verwachtingen van de juichende menigte.
Nog geen week later wordt Hij verraden, overgeleverd, vermoord.

Openingswoord 2

Het gebeurde in de aanloop naar het paasfeest.
Met zijn Boodschap trok Jezus naar het hart van Israël: naar Jeruzalem.
Hij wilde mensen bevrijden van wat hen belemmerde
om geheel en al mens te zijn,
om zo geheel en al van God te zijn.
Daarom waren er ook zoveel die Hem bejubelden,
maar… er waren er ook
die jaloers waren en Hem uit de weg wilden ruimen.

Licht en donker, donker en licht, het komt deze week bij elkaar.

Samen gaan we een week van waarheid in,
de waarheid van Jezus’ leven,
maar ook de waarheid van iedere mens die het ernstig meent met zijn bestaan
en probeert een weg van liefde en solidariteit te gaan
met God en de medemensen.
Laten wij met Jezus meetrekken naar Jeruzalem,
symbool van Gods aanwezigheid onder ons,
symbool van het beloofde, verhoopte en komende Rijk van God.
naar Wilrijk

Gebed bij de palmwijding

Kleine, groene palmtakjes,
ze horen erbij op Palmzondag.
Op hun eigen wijze vertellen ze het verhaal van deze dag.
Ze verwijzen naar Jezus, Koning in dienstbaarheid.
[palmtakje in de hand nemen]
Als we zo’n takje in onze hand nemen
dan willen we daarmee zeggen
dat we bereid zijn de weg van Jezus te gaan,
dat we, Hem achterna,
de weg van dienende goedheid willen gaan.

[palmtak dopen in water van de doopvont en daarmee palm in manden zegenen]

+ God,
zegen deze groene takken die de winter overleven.
Zij brengen hulde aan de Man van Nazareth
die zijn heil niet zocht in macht en geweld,
die naar Jeruzalem ging, niet om gevierd te worden als een koning,
maar die zijn kracht vond in dienstbaarheid aan de mensen,
dienstbaarheid tot in de dood.
Mensen nemen deze groene takjes mee naar huis.
Geef dat ze daardoor eraan herinnerd worden
dat zij Jezus moeten navolgen
op de manier waarop Hij zich voor de mensen inzette. Amen.

Evangelielezing  (Lc. 19, 28-40)

Als afsluiting van deze palmwijding luisteren wij naar het verhaal van Jezus’ in­tocht in Jeru­zalem.

Jezus zette zijn reis voort naar Jeruzalem.
Toen Hij dicht bij Betfage en Betanië kwam,
bij de zogeheten Olijfberg,
stuurde Hij twee van zijn leerlingen eropuit met de opdracht:
“Ga naar het dorp daar vlak voor je.
Als je er binnenkomt zul je een veulen vinden
dat vastgebonden staat
en waarop nog geen mens heeft gezeten.
Maak het los en breng het mee.
En als iemand jullie vraagt:
‘Waarom maken jullie dat veulen los?’
zeg dan:
‘De Heer heeft het nodig.'”
Met deze opdracht gingen ze weg
en troffen het zo aan als Hij hun gezegd had.
Toen ze het veulen wilden losmaken, riepen de eigenaars:
“Waarom maken jullie het veulen los?”
Zij antwoordden: “De Heer heeft het nodig.”
En ze brachten het naar Jezus,
legden hun kleren op het veulen,
en hielpen Jezus erop.
En waar Hij reed spreidden ze hun kleren op de weg.
Hij kwam steeds dichter bij de stad.
Waar de weg de Olijfberg afgaat
begonnen al zijn leerlingen vrolijk en uit volle borst God te prijzen
om alle machtige daden die ze hadden gezien.
Ze riepen:
“Gezegend is de koning, die komt in de naam van de Heer!
In de hemel vrede,
glorie in de hoogste hemel!”.
Enkele farizeeën in de menigte zeiden tegen Hem:
“Meester, wijs uw leerlingen terecht.”
Hij antwoordde: “Ik zeg u, als zij zwijgen
zullen de stenen het uitschreeuwen.”
KBS Willibrord 1995

Vergevingsmoment 1

(Normaal  is er vandaag geen schuldbelijdenis en geen Kyrie; wie toch een vergevingsmoment wil     inlassen…)

Hoe kon de massa
die Jezus op Palmzondag zo enthousiast onthaalde in haar stad,
de vrijdag daarop schreeuwen: “Weg met Hem”?
Wat zouden wij hebben gedaan?
Hoe vlug schrijven ook wíj niet iemand af?
Staan we daar wel eens bij stil?
Vragen wij daarom om vergeving.

-Omdat Gij niet altijd geschreven staat in de palm van onze hand,
omdat wij U vaak alleen willen horen als het óns past,
vragen wij:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

-Omdat wij schrik hebben om gekwetst te worden
en daarom onze handen gesloten houden,
omdat we niet durven geven zonder de garantie dat we iets terugkrijgen,
vragen wij:
Christus, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.

-Omdat het lijden van anderen ons soms niet meer raakt,
omdat eelt op onze handen ons belet om nog te strelen,
omdat we soms ongevoelig zijn,
bidden wij:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

God, Gij spijkert ons niet vast op onze fouten en tekortkomingen
maar geeft ons telkens weer de kans om opnieuw te beginnen,
opdat ook wij elkaar die nieuwe kansen zouden geven,
vandaag en de rest van ons leven. Amen.

Vergevingsmoment 2

-Heer, onze God,
wij durven wel eens vergeten dat Gij het zijt
die ons tot het ware leven brengt.
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

-Christus,
wij twijfelen soms aan uw scheppende kracht.
Soms denken wij dat de schepping al voltooid is
en onze taak om mee te werken,
af is.
Christus, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.

-Heer, onze God,
steeds weer horen en lezen wij
hoe wij goed voor onszelf moeten zorgen.
Geef ons uw steuntje in de rug om ook voor anderen te zorgen,
zoals uw Zoon het ons voorhield: bemin je naaste als jezelf.
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

God, Schepper van hemel en aarde,
schenk ons vergeving,
open ons hart om uw verhaal met mensen te beleven. Amen.
naar Broederlijk Delen

Openingsgebed 1

God en Vader,
in Jezus van Nazareth hebt Gij voorgoed een gezicht gekregen.
Vandaag huldigen wij Hem als onze koning.
Wij willen Hem dienen door ook onszelf te laten aanvuren door zijn Geest.
Zo kunnen wij op onze beurt anderen begeesteren.
Wil ons daartoe de kracht geven, God,
vandaag, in de Goede Week die vóór ons ligt
en alle dagen van ons leven. Amen.
naar Bas Rentmeester en Huub Schumacher

Openingsgebed 2

God, liefde is sterker dan de dood:
Jezus, uw mensgeworden Zoon,
heeft dat duidelijk gemaakt met zijn leven.
Help ons naar zijn voorbeeld
miskenning en lijden te aanvaarden,
uit liefde voor de anderen.
Versterk ons geloof in de verrijzenis
en in het uiteindelijk geluk bij U,
die met de Zoon en de heilige Geest op ons wacht. Amen.

Lezingen

Eerste lezing (Jes. 50, 4-7)

4   De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken,
om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan.
Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,
in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen.
5     De Heer God heeft mijn oor geopend,
en ik heb mij niet verweerd,
ik ben niet teruggedeinsd.
6   Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,
en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;
mijn gezicht heb ik niet onttrokken
aan beschimping en bespuwing.
7   De Heer God staat mij bij,
daarom kom ik niet bedrogen uit;
daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen,
omdat ik weet dat ik niet beschaamd zal worden.
KBS Willibrord 1995

Tweede lezing  (Fil. 2, 6-11)

6   Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
7   Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
8   heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.

9   Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
10  opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
11  en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
de Heer, dat is Jezus Christus.

KBS Willibrord 1995

Evangelie  (Lc, 22,14 – 23,56)

14 Toen het uur gekomen was, ging Hij met de apostelen aan tafel.
15  Hij zei tegen hen: `Vurig heb Ik ernaar verlangd om dit paasmaal met jullie te eten vóór mijn lijden.
16  Want Ik zeg jullie dat Ik het niet meer zal eten tot de vervulling ervan in het koninkrijk van God.’
17  Hij nam een beker, sprak het dankgebed en zei: `Neem deze beker en laat hem rondgaan;
18  want Ik zeg jullie dat Ik van nu af aan niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok totdat het koninkrijk van God gekomen is.’
19  Hij nam een brood, sprak het dankgebed, brak het brood in stukken en gaf het hun, en zei: `Dit is mijn lichaam; het° wordt voor jullie gegeven. Blijf dit doen om Mij te gedenken.’
20  Na de maaltijd zei Hij zo ook van de beker: `Deze beker is het nieuwe verbond door mijn bloed; hij wordt voor jullie leeggegoten.
21  Maar zie, de man die Mij overlevert, ligt hier met Mij aan tafel.
22  Want de Mensenzoon gaat wel zijn voorbestemde weg, maar wee de mens door wie Hij wordt overgeleverd.’
23  Toen begonnen ze er met elkaar over te praten, wie van hen het zou kunnen zijn die dat ging doen.
24  Ook ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen wel het belangrijkst was. 25 Hij zei hun echter: `Bij de heidenen spelen koningen de baas, bij hen laten machthebbers zich weldoener noemen.
26  Bij jullie mag dat niet zo zijn. De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar.
27  Want wie is het belangrijkst? Die aan tafel ligt, of die bedient? Die aan tafel ligt toch zeker! Maar Ik ben in jullie midden de dienaar.
28  Jullie zijn altijd bij Mij gebleven als Ik werd beproefd.
29  Zoals mijn Vader Mij het koningschap heeft aangeboden, zo bied Ik jullie een plaats aan
30  in mijn koninkrijk om te eten en te drinken aan mijn tafel; jullie zullen op tronen zitten om te oordelen over de twaalf stammen van Israël.
31  Simon, Simon, de satan heeft geëist jullie te mogen ziften als het koren.
32  Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken; als je eenmaal tot inkeer bent gekomen, sterk dan op jouw beurt je broeders.’
33  Hij zei Hem: `Heer, ik ben bereid met U zelfs de gevangenis en de dood in te gaan.’
34  Maar Hij zei: `Petrus, Ik zeg je, voordat vandaag de haan kraait, zul je drie keer geloochend hebben dat je Me kent.’
35  Hij zei hun: `Toen Ik jullie eropuit stuurde zonder beurs, reistas en schoenen, zijn jullie toen iets tekort gekomen?’ `Nee, niets’, antwoordden ze.
36  Hij zei hun: `Maar nu moet je een beurs en een reistas meenemen als je die hebt, en als je geen zwaard hebt, moet je je jas verkopen en er een aanschaffen.
37  Want Ik zeg jullie dat dit schriftwoord aan Mij in vervulling moet gaan: Bij de overtreders van de wet werd Hij gerekend. Want ook dit woord over Mij wordt nu werkelijkheid.’
38 `Heer,’ zeiden ze, `hier zijn twee zwaarden.’ Maar Hij zei hun: `Zo is het genoeg!’
39
Hij verliet het huis en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg, en zijn leerlingen gingen met Hem mee.
40  Toen Hij daar was, zei Hij hun: `Bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken.’
41  Hij verwijderde zich van hen, ongeveer een steenworp ver; daar viel Hij op zijn knieën en bad:
42  `Vader, neem alstublieft deze beker van Mij weg; maar toch, laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U.’
43  Toen verscheen Hem een engel uit de hemel die Hem kracht gaf.
44  Hij werd doodsbang en bad nog dringender; zijn zweet viel als bloeddruppels op de grond.
45  Na dit gebed stond Hij op en ging naar de leerlingen. Hij vond ze in slaap, zo verdrietig waren ze.
46  Hij zei hun: `Wat slapen jullie? Sta op en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken.’
47  Hij was nog niet uitgesproken of er verscheen opeens een hoop volk. Judas, een van de twaalf, liep voorop en kwam op Jezus af om Hem een kus te geven.
48  Jezus zei hem: `Judas, lever je de Mensenzoon over met een kus?’
49  Toen zijn metgezellen zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: `Heer, zullen we erop inslaan met het zwaard?’
50  En een van hen sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem het rechteroor af.
51  Maar Jezus antwoordde: `Hou daarmee op!’ Hij raapte het oor op en genas hem.
52  Tegen de hogepriesters, de tempelwacht en de oudsten die op Hem af waren gekomen, zei Jezus: `Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en stokken op Me afgekomen.
53  Dag in dag uit was Ik bij u in de tempel, en u hebt Me niet aangehouden; maar dit is uw tijd, nu de duisternis regeert.’
54
Zij namen Hem gevangen en brachten Hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde op een afstand.
55  Ze legden midden op de binnenplaats een vuur aan; daar gingen ze omheen zitten en Petrus zat tussen hen in.
56  In het schijnsel van het vuur zag een slavin hem zitten; ze bekeek hem nauwlettend en zei: `Die hoorde ook bij Hem.’
57  Maar hij ontkende het en zei: `Mens, ik ken Hem niet.’
58  Even later zag iemand anders hem en zei: `Jij bent ook een van hen.’ Maar Petrus zei: `Welnee man.’
59  Ongeveer een uur later zei iemand met grote stelligheid: `Wel degelijk, hij hoorde ook bij Hem; hij is immers ook een Galileeër.’
60  Maar Petrus zei: `Man, ik weet niet waar je het over hebt!’ Hij had dat nog niet gezegd, of er kraaide een haan.
61  De Heer keerde zich om en keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich wat de Heer tegen hem had gezegd: `Voor de haan vandaag kraait, zul je Me driemaal verloochend hebben.’
62  Hij liep naar buiten en schreide bittere tranen.
63  De mannen die Jezus bewaakten, dreven de spot met Hem en sloegen Hem.
64  Ze blinddoekten Hem en vroegen: `Profeteer nu eens, wie was het die je heeft geslagen?’
65  En ze riepen nog allerlei andere grofheden tegen Hem.
66
Toen het dag werd, kwam de raad° van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Men bracht Jezus voor hun Sanhedrin.
67  Zij zeiden: `Als U de Messias bent, zeg ons dat dan.’ Maar Hij zei hun: `Als Ik het u zeg, zult u Me niet geloven;
68  als Ik u wat vraag, zult u Me geen antwoord geven.
69  Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan Gods machtige rechterhand.’
70  Toen zei iedereen: `U bent dus de Zoon van God?’ Hij sprak tot hen: `U zegt zelf dat Ik het ben.’
71  Toen zeiden zij: `Waarvoor hebben wij nog een getuigenis nodig? Wij hebben het zelf uit zijn mond gehoord.’

1   Het hele gezelschap stond op, en men leidde Hem voor aan Pilatus.
2   Daar brachten zij hun beschuldiging tegen Hem in: `Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit; Hij zegt dat ze geen belasting moeten betalen aan de keizer, en Hij geeft zichzelf uit voor de Messias, de koning.’
3   Pilatus vroeg hem: `Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde hem: `U zegt het zelf.’
4   Pilatus zei tegen de hogepriesters en de volksmenigte: `Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’
5   Zij hielden echter vol: `Hij maakt met zijn leer in heel het Joodse land het volk oproerig, eerst in Galilea, en nu hier ook al.’
6   Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was;
7   en toen hij begreep dat Hij onder Herodes ressorteerde, stuurde hij Hem door naar Herodes, die op dat moment eveneens in Jeruzalem verbleef.
8   Herodes was erg blij dat hij Jezus te zien kreeg, want hij had Hem allang willen ontmoeten, na wat hij over Hem gehoord had. Hij hoopte Hem een wonder te zien doen.
9   Hij ondervroeg Hem uitvoerig, maar Jezus gaf Hem nergens antwoord op.
10  De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen.
11  Ook Herodes en zijn manschappen beledigden Hem en maakten Hem belachelijk door Hem een pronkgewaad aan te doen. Daarna stuurde hij Hem terug naar Pilatus.
12  Herodes en Pilatus werden op die dag vrienden van elkaar; tevoren waren ze namelijk vijanden.
13  Daarop riep Pilatus de hogepriesters, de leiders en het volk bij elkaar
14  en zei tegen hen: `U hebt deze man bij mij gebracht omdat Hij het volk zou ophitsen. Wel, ik heb de man verhoord in uw bijzijn, en voor uw beschuldigingen tegen Hem heb ik geen enkele grond gevonden;
15  en Herodes evenmin, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Kortom, Hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat.
16  Ik zal Hem daarom laten geselen en dan vrijlaten.’
18  Maar ze schreeuwden in koor: `Weg met Hem, laat Barabbas vrij.’
19  Die was in de gevangenis gezet wegens een oproer in de stad en wegens doodslag.
20  Maar omdat Pilatus Jezus wilde vrijlaten, sprak hij hen opnieuw toe.
21  Maar zij schreeuwden ertegenin: `Aan het kruis met Hem, aan het kruis!’
22  Voor de derde keer zei hij tegen hen: `Wat heeft deze man dan voor kwaad gedaan? Ik heb niets kunnen vinden waarop de doodstraf staat; ik zal Hem dus na geseling vrijlaten.’
23  Maar luidkeels schreeuwend bleven zij eisen dat Hij gekruisigd zou worden. Hun geschreeuw gaf de doorslag.
24     Pilatus besloot hun eis in te willigen.
25  De man die wegens oproer en doodslag in de gevangenis was gezet, om wie ze hadden gevraagd, liet hij vrij en Jezus leverde hij over aan hun willekeur.

26  Toen ze Hem wegvoerden hielden ze een zekere Simon uit Cyrene aan, die van zijn akker kwam; hem lieten ze het kruis achter Jezus aan dragen.
27  Een grote massa mensen volgde Hem; er waren vrouwen bij, die om Hem rouwden en treurden.
28  Jezus draaide zich om en zei tegen hen: `Vrouwen van Jeruzalem, huil niet om Mij, huil liever om uzelf en uw kinderen.
29  Want er komen dagen dat men zal zeggen:  `Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gezoogd.”
30  Dan zal men zeggen tegen de bergen: ` `Val op ons”, en tegen de heuvels: ` `Bedek ons.”
31  Want als ze dit doen met het groene hout, wat moet er dan gebeuren met het dorre?’

32  Er werden ook nog twee misdadigers weggevoerd om samen met Hem ter dood te worden gebracht.
33  Toen ze op het zogeheten Schedelveld kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem.
34  Jezus sprak: `Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Ze verdobbelden zijn kleren.
35  Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: `Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’
36  Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen
37  en zeiden: `Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!’
38  Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden.
39  Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: `Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!’
40  Maar de ander wees hem terecht: `Heb zelfs jij geen ontzag voor God, nu jij ook deze straf ondergaat?
41  In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.’
42  Daarop zei hij: `Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.’
43  Hij zei tegen hem: `Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.’

44  Al rond het zesde uur werd het donker in heel het land, tot het negende uur.
45  Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor.
46  Toen riep Jezus luidkeels: `Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Na deze woorden stierf Hij.
47  De centurio, die zag wat er gebeurde, verheerlijkte God en zei: `Waarachtig, die man was een rechtvaardige.’
48  Alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, gingen naar huis; ze sloegen zich van rouw op de borst om wat ze hadden gezien.
49  Al zijn vrienden bleven uit de verte staan toekijken, ook de vrouwen die Hem vanuit Galilea waren gevolgd en dit gadesloegen.

50  Nu was daar een zekere Jozef, een lid van de raad, een goed en rechtvaardig man,
51  die niet had ingestemd met hun plannen en praktijken. Hij was afkomstig uit de Joodse stad Arimatea en leefde in de verwachting van het koninkrijk van God.
52  Hij vervoegde zich bij Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.
53  Hij haalde het van het kruis, wikkelde het in linnen en legde Hem in een graf dat in de rotsen was uitgehouwen, en waarin nog niemand lag.
54  Het was voorbereidingsdag en de sabbat zou zo aanbreken.
55  De vrouwen die met Hem uit Galilea waren meegekomen, waren Jozef gevolgd en zagen het graf en hoe zijn lichaam erin werd neergelegd.
56  Toen gingen ze naar huis en maakten kruiden en balsem klaar.
KBS Willibrord 1995

Geloofsbelijdenis

Ik geloof in God, onze Vader,

die ons zijn Zoon Jezus gezonden heeft
om zo de waarheid over de hemel en de aarde
aan ons bekend te maken.

Ik geloof in Jezus Christus van Nazareth,

die rondging om te dienen
en niet om gediend te worden,
en die zo wilde werken aan een wereld
die er koninklijk en prachtig zou gaan uitzien.

Ik geloof in de heilige Geest,

die deze viering op Palmzondag
zo kan vullen met zijn kracht,
dat wij allen bemoedigd worden
om voor elkaar ook koninklijk trouw te zijn
aan onze zending en aan het Verbond. Amen.

Voorbeden 1

Meer dan wie ook wist Jezus zich door God bemind.
En die gelovige zekerheid gaf richting en zin aan zijn leven.
Daarom mogen we, in zijn naam,
aan God aanreiken al wat er in ons hart leeft.

-Voor allen die liefdevol in het leven staan
en, vertrouwend op de Heer,
de weg gaan van eenvoud en dienstbaarheid,
van vrede en verzoening,
van liefde en gerechtigheid.
Laten wij bidden…

-Voor allen die een zware last te dragen hebben
en uitzien naar verlichting en bemoediging.
Voor allen die, in de schaduw van het kruis,
wachten tot Gods liefde ook voor hen voelbaar wordt.
Laten wij bidden…

-Voor ieder van ons,
voor ouders en kinderen, mannen en vrouwen.
Dat wij in geloof
vandaag ‘hosanna’ zingen
en in de komende week kunnen meelijden met wat Jezus werd aangedaan.
Laten wij bidden…

-Voor zieken en stervenden.
Dat zij in de liefdevolle nabijheid van familie en vrienden
ook God nabij mogen weten.
Laten wij bidden…

Heer, onze God,
kruis en lijden hebben niet het laatste woord.
Gij redt waar wij uw verlossing toelaten.
Luister naar onze gebeden
en vervul ze met uw kracht door Jezus, onze Heer. Amen.

Voorbeden 2

Bidden wij voor hen die verraad plegen aan hun eigen menselijke waardigheid
door zich schuldig te maken aan schendingen van mensenrechten,
door uit hebzucht medemensen te onderdrukken en uit te buiten,
door grof geld te verdienen aan mensenhandel en mensensmokkel.
Moge zij de moed hebben hun leven te veranderen,
en zo eer brengen aan Jezus, de koning in dienstbaarheid.
Laten wij bidden…

-Bidden wij voor hen die verraad plegen aan Jezus’ Boodschap
door bezit belangrijker te vinden dan zijn idealen,
door niet meer te luisteren naar zijn evangelie
en in alles de weg van de minste weerstand te gaan,
door niets over te hebben voor de medemens in nood.
Moge zij de moed hebben hun leven te veranderen
en zo eer brengen aan Jezus, de koning in dienstbaarheid.
Laten wij bidden…

-Bidden wij voor alle ouders die verraad plegen aan hun ouderschap
door hun kinderen te verwaarlozen of zelfs te mishandelen,
door in hun leefwijze een slecht voorbeeld te zijn voor hun kinderen.
Bidden wij voor alle kinderen die verraad plegen jegens hun ouders
door nooit tijd voor hen te hebben, door hen veel te weinig te bezoeken.
Moge zij de moed hebben hun leven te veranderen
en zo eer brengen aan Jezus, de koning in dienstbaarheid.
Laten wij bidden…

-Bidden wij voor alle gezagsdragers in Kerk en samenleving
die verraad plegen aan hun functie
door niet te luisteren naar de mensen aan de basis,
door meer zichzelf te dienen dan de medemens,
door regels belangrijker te achten dan mensen.
Moge zij de moed hebben hun leven te veranderen
en zo eer brengen aan Jezus, de koning in dienstbaarheid.
Laten wij bidden…

God,
een wereld in vrede was de droom van Jezus van Nazareth.
Daartoe riep Hij alle mensen van goede wil op.
Heer, help ons in te gaan op uw appél en trouw te zijn aan deze roeping. Amen.
naar Theobaldusparochie, Overloon, Nl.

Gebed over de gaven 1

Vader, wees ons nabij, zoals uw Zoon ons nabij was en nog steeds is.
Aanvaard in deze gaven van brood en wijn
het werk van onze handen, onze inzet, onze trouw,
ons geloof, onze twijfel, onze vreugde, onze pijn.
Wil ze zuiveren met uw barmhartigheid,
zodat ze ons en anderen
kunnen voeden en kracht geven
om de weg van uw Zoon te gaan. Amen.

Gebed over de gaven 2

Voor we de Goede Week ingaan,
willen we brood en wijn met elkaar delen, God.
Laat ons daaruit de kracht putten
om ook in de komende dagen
met Jezus op weg te gaan:
Hij die onze Heer is en onze Vriend in tijd en eeuwigheid. Amen.

Tafelgebed

Wij danken U, God,
voor mensen die kunnen delen
om anderen een menswaardig bestaan te verzekeren,
voor hen die hun huis gastvrij openstellen.

Wij danken U, God,
voor mensen die kunnen luisteren
naar het leed van anderen,
die wonden genezen
door de pijn te helpen dragen;
voor mensen die kunnen troosten.

Wij danken U, God,
voor mensen die rust en stilte brengen,
die oog hebben voor kleine dingen,
die zich verheugen in de grootheid van anderen.

Wij danken U, God,
voor mensen die hongeren naar gerechtigheid,
die lijden omwille van het onrecht
dat anderen wordt aangedaan.

Wij danken U, God,
voor mensen die mild zijn in hun oordeel,
die eerbied hebben voor het leven,
die hun hart openen voor vergeving en verzoening.

Wij danken U, God,
voor mensen die zuiver zijn in hun bedoelingen,
die oprecht zijn in hun woorden,
die trouw blijven aan hun vrienden.

Wij danken U, God,
voor mensen die zich spiegelen
aan de levenswijze van Jezus.
Met hen getuigen en loven wij U, God:

Heilig, heilig, heilig de Heer,
de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in de hoge.


Geen andere zekerheid is ons gegeven, Heer God,
dan op weg te zijn naar U.
.
Ons zoeken naar U
maakt ons tot een volk onderweg.
Mensen die verdwalen worden toegesproken
door Jezus, uw Zoon,
die de Weg, de Waarheid en het Leven is.
En als wij ons nestelen in onze zelfgenoegzaamheid,
Heer, roep ons dan weer op.

Toen Jezus die laatste avond met zijn vrienden aan tafel zat
gaf Hij hun een heilig teken:
Hij nam wat brood, dankte U, Vader,
brak het, deelde het uit en zei:
“Neem en eet hiervan, dit is mijn Lichaam,
voor u gebroken, aan u toevertrouwd.”

Na de maaltijd nam Hij ook de beker, zegende die,
gaf hem rond en zei:
“Neem en drink hieruit, dit is mijn Bloed,
mijn Levenskracht, voor u vergoten
tot vergeving van zonden,
tot verbondenheid onder mensen.
Kom samen, en doe dit telkens opnieuw,
en weet dan dat Ik bij u ben.”

Als wij dan eten van dit Brood
en drinken uit deze Beker
verkondigen wij de dood des Heren
totdat Hij komt.

Wij bidden U, Heer God,
stuur ons op weg in de geest van Jezus, uw Zoon:
dat wij nieuwe wegen van goedheid banen,
paden van gerechtigheid en onderlinge vrede;
dat wij het leven leefbaar maken
en het puin ruimen van ons egoïsme.

Doe onder ons profeten opstaan
die het vuur van uw goedheid brandend houden,
die uw licht laten stralen,
ook in donkere momenten van ons leven.
Door Hem en met Hem en in Hem
zal uw naam geprezen zijn, Heer onze God,
die ons doet leven dankzij uw Geest,
hier en nu en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Onze Vader

Als de zon ondergaat en het duister wordt,
als we ontgoocheld zijn en geen hoop meer hebben,
dan blijft God ons nabij.
Ook dan mogen wij bidden:
Onze Vader,…

Laat uw aangezicht over ons lichten, God,
en keer U tot ons.
Breng het goede dat in ons sluimert tot leven,
wek Jezus op in ons hart,
wek in ons zijn liefde en wijsheid,
zijn vergevingsgezindheid en geduld.
Dan zullen we weer hoopvol kunnen wachten op Jezus Messias, uw Zoon.
Want van U is het Koninkrijk…

Vredeswens

In leven en lijden,
in sterven en verrijzen,
openbaarde Jezus wat ware liefde is.
Bidden wij, in een wereld vol tegenstellingen, om echte vrede:
Heer, Jezus Christus,
Gij wenst ons uw vrede toe,
Gij wilt dat iedere plaats een stad van vrede wordt.
Schenk ons de moed
om ons met elkaar te verzoenen en vrede te stichten.
Zo bouwen wij mee aan uw Rijk van vrede en gerechtigheid.
De vrede van de Heer zij altijd met u.
En geven wij elkaar een teken van vrede en vriendschap.
naar Wilrijk

Lam Gods

Communie

Jezus openbaarde zich aan ons
als gebroken Brood, als vergoten Wijn,
op de avond voor zijn dood.
Zo geeft Hij zich ook vandaag aan ons.
Laten wij voor elkaar en voor alle mensen zo goed zijn als de Heer:
brood voor wie honger heeft en wijn voor wie dorst heeft.
Zie het Lam van God,…
vrij naar Sint-Truiden

Bezinning 1

Ik vraag Je,
Man van Galilea,
was Jij een mens,
zoals ik, zoals wij?
Je betrad ongebaande wegen.
Kon Je dit allemaal alleen?
Of was Jij anders dan wij?
Je leven leek wel uitgestippeld.
Jouw daden waren onbegrijpelijk goed.
De littekens van je liefde
droeg Je doorheen je hele leven.

Ik vraag Je,
Man van Galilea,
was Jij mens zoals wij,
of was Je meer?
Je loon was onbegrip,
zelfs vriendschap
kreeg Je met verraad betaald.
Jouw leven liep
naar de Calvarietop.
Moet een mens dan
altijd over bergen heen
om ‘mens’ te zijn?
Jij bent voor ons pijn,
lijden en dood ingegaan.
Is dat niet ongewoon?
Is dat niet het werk van God?

Man van Galilea,
niemand was zo groot als Jij.
Jij, die Je zo klein hebt gemaakt
voor ons.                   
naar Th. Willemen.

Bezinning 2

uit het ” Testament van Jezus “

Het testament van Jezus
aan allen die van goede wil zijn.

Mijn leven is voorbij.
Er is veel gebeurd.
En dan komt het einde,
altijd onverwacht en te vroeg.

Ik heb gesproken en geleerd.
Ik heb naar u geluisterd
en u de weg gewezen.
Ik heb u genezen en geholpen en liefgehad.
Kortom, Ik was bij u.

Ik heb u verteld van mijn Vader,
van liefde en vergeving.
Ik heb u gezegd
geen kwaad met kwaad te vergelden,
maar oneindig vaak te vergeven.
Ik heb u verteld van de liefde
en ze u voorgeleefd.

Alles wat Ik u heb gezegd en wat Ik heb gedaan
is nu uw taak geworden.

Mijn kruis is ook het uwe,
mijn glorie zal ook de uwe zijn.

Dit is mijn Boodschap
aan ieder die van goede wil is.

Bezinning 3

De ezel

De ezel die Jezus draagt,
een lastdier, bestemd om anderen te dienen,
draagt nu een Koning op z’n rug,
een Koning in dienstbaarheid.
Op het eerste gezicht past het niet,
een Koning hoort niet gedragen te worden door een simpele ezel,
bij een Koning hoort een koninklijke zetel.
En toch misstaat die ezel niet bij deze Man,
die zich ten dienste stelde van anderen,
een dienstbaarheid die de discussie
met de macht, de gewoonte en de traditie niet uit de weg ging.
En de ezel werd voor even zijn koninklijke zetel.
Theobaldusparochie, Overloon, Nl.

Slotgebed 1

Vader van alle leven,
Gij die uit dorre winter en harde grond
het groen van de lente laat opschieten,
zegen hen die deze palm – symbool van blijvende hoop –
een plaats geven in hun huis.
Zegen allen die metterdaad
geloven in dit teken van leven en vrede. Amen.

Slotgebed 2

Heer Jezus, Gij hebt U door het volk laten vieren met palmen.
Gij hebt hen ‘hosanna’ laten roepen,
ook al wist Gij dat velen ondoordacht meededen
en niet begrepen wat voor soort Koning Gij zijt.
Raak ons hart.
Laat niet toe dat wij U verlaten
als het moeite kost om uw wegen te gaan.
Help ons om U te blijven volgen doorheen het kruis van Goede Vrijdag
tot de vreugde van Pasen.
Dan wordt het echt een ‘Goede Week’. Amen.
Sint-Truiden

Zending en zegen

Een palmtak is symbool van ons geloof:
herinnering aan Jezus die dienstbaar werd tot in de dood…
herinnering ook aan de onberekenbare mens
die takken sneed om Hem toe te juichen
en ’s anderendaags: “Kruisig Hem” riep.

Christelijk geloven is, gelijk een palmtak,
gewijd, gezegend en naar huis gebracht…
Want christen zijn
is dienstbaar worden zoals de Heer,
in grote en kleine dingen,
en daarom gezegend worden door
+ de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.

Ga in vrede, neem een palmtakje mee naar huis en geef het, als teken van hoop, een plaatsje bij het kruis.

Categorieen(n): Zondagsvieringen
Tags:

Comments are closed.