Palmzondag C 2007

ZONDAGSVIERINGEN

Palmzondag C-jaar (01 04 2007)

Begroeting

Samen met Jezus de Christus zetten we de laatste stappen richting Pasen.
een weg die loopt van het ene uiterste naar het andere,
van huldebetoon tot kruis.
Vertrouwen wij ons-gaan-op-die-weg toe aan
+ de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.

Openingswoord

Op Palmzondag haalt Jeruzalem Jezus binnen als een koning.
In die tijd hoorde daar palmtakkengezwaai bij
en Hosanna-gejubel
en mantels als tapijten op de grond.
Maar het paard waarop Hij zat, was een ezel,
het rij- en lastdier van de kleine man.
Geen onbelangrijk detail.
Jezus koos daar nadrukkelijk voor – horen wij zo dadelijk.

Wanneer Hij óns heeft uitgekozen om zijn boodschap uit te dragen,
dan is zijn voorkeur ook niet uitgegaan naar raspaarden,
maar naar kleine, onbeduidende doorsnee-mensen zoals u en ik.

Op Palmzondag wordt Jezus gehuldigd als een koning.
Maar die palmtakken en dat Hosanna-gejubel hebben een wrange nasmaak:
Een paar dagen later klinkt het immers in datzelfde Jeruzalem:
“Kruisig Hem”.
Palmzondag is tegelijk triomf en het begin van het einde.
De intrede in Jeruzalem is niet los te zien van Jezus’ dood.
Daarom is het zinvol
om straks het takje van Palmzondag mee naar huis te nemen
en het achter het kruis van Goede Vrijdag te steken.

Bidden wij de Heer dat Hij deze palmtakken wil zegenen.

Gebed bij de palmwijding

Kleine groene palmtakjes,
ze horen erbij op Palmzondag.
Op hun eigen wijze vertellen ze het verhaal van deze dag.
Ze verwijzen naar Jezus, koning in dienstbaarheid.
[palmtakje in de hand nemen]
Als we zo’n takje in onze hand nemen
dan willen we daarmee zeggen
dat we bereid zijn de weg van Jezus te gaan,
dat we, Hem achterna,
de weg van dienende goedheid willen gaan.

[palmtak dopen in water van de doopvont en daarmee palm in manden zegenen]

+ God,
zegen deze groene takken die de winter overleven.
Zij brengen hulde aan de Man van Nazareth
die zijn heil niet zocht in macht en geweld,
die naar Jeruzalem ging, niet om gevierd te worden als koning,
maar die zijn kracht vond in dienstbaarheid aan de mensen,
dienstbaarheid tot in de dood.
Geef dat de mensen die ze meenemen naar huis
door deze takjes herinnerd worden
dat zij Jezus moeten navolgen
in de manier waarop Hij zich voor de mensen inzette. Amen.

(Voorganger. leest nu intocht-evangelie met palmtak in de hand.)


Evangelielezing Lc. 19,28-40

Als afsluiting van deze palmwijding luisteren wij naar het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem.

Jezus zette zijn reis voort naar Jeruzalem.
Toen Hij dicht bij Betfage en Betanië kwam,
bij de zogeheten Olijfberg,
stuurde Hij twee van zijn leerlingen eropuit met de opdracht:
“Ga naar het dorp daar vlak voor je.
Als je er binnenkomt zul je een veulen vinden
dat vastgebonden staat
en waarop nog geen mens heeft gezeten.
Maak het los en breng het mee.
En als iemand jullie vraagt:
‘Waarom maken jullie dat veulen los?’
zeg dan:
‘De Heer heeft het nodig.'”
Met deze opdracht gingen ze weg
en troffen het zo aan als Hij hun gezegd had.
Toen ze het veulen wilden losmaken, riepen de eigenaars:
“Waarom maken jullie het veulen los?”
Zij antwoordden: “De Heer heeft het nodig.”
En ze brachten het naar Jezus,
legden hun kleren op het veulen,
en hielpen Jezus erop.
En waar Hij reed spreidden ze hun kleren op de weg.
Hij kwam steeds dichter bij de stad.
Waar de weg de Olijfberg afgaat
begonnen al zijn leerlingen vrolijk en uit volle borst God te prijzen
om alle machtige daden die ze hadden gezien.
Ze riepen:
“Gezegend is de koning, die komt in de naam van de Heer!
In de hemel vrede,
glorie in de hoogste hemel!”.
Enkele farizeeën in de menigte zeiden tegen Hem:
“Meester, wijs uw leerlingen terecht.”
Hij antwoordde: “Ik zeg u, als zij zwijgen
zullen de stenen het uitschreeuwen.”
KBS Willibrord 1995

Begin van de woorddienst:

Openingsgebed

Eeuwige God,
Gij komt ons tegemoet en toont ons uw gezicht
in een geslagen en vernederde mens,
Jezus, de man van smarten,
die in koninklijke zachtmoedigheid
ons aller dienstknecht is geworden.
Wij vragen U:
onthul in ons het geheim van zijn lijden en sterven,
maak ons bereid Hem te volgen en zijn kruis te dragen
in deze goede dagen en in heel ons verder leven. Amen.


Lezingen
– In de eerste lezing legt Paulus ons de betekenis uit van wat wij in deze Goede Week herdenken. [Fil. 2, 6-11]
– Daarna luisteren wij naar het lijdensverhaal zoals Lucas  het heeft opgetekend.

Eerste lezing (Fil, 2, 6-11)

6   Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
7   Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
8   heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.
9   Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
10 opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
11 en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
de Heer, dat is Jezus Christus.
KBS Willibrord 1995

Evangelie(Lc. 22,14 – 23,56)

14 Toen het uur gekomen was, ging Hij met de apostelen aan tafel.
15  Hij zei tegen hen: `Vurig heb Ik ernaar verlangd om dit paasmaal met jullie te eten vóór mijn lijden.
16  Want Ik zeg jullie dat Ik het niet meer zal eten tot de vervulling ervan in het koninkrijk van God.’
17  Hij nam een beker, sprak het dankgebed en zei: `Neem deze beker en laat hem rondgaan;
18  want Ik zeg jullie dat Ik van nu af aan niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok totdat het koninkrijk van God gekomen is.’
19  Hij nam een brood, sprak het dankgebed, brak het brood in stukken en gaf het hun, en zei: `Dit is mijn lichaam; het° wordt voor jullie gegeven. Blijf dit doen om Mij te gedenken.’
20  Na de maaltijd zei Hij zo ook van de beker: `Deze beker is het nieuwe verbond door mijn bloed; hij wordt voor jullie leeggegoten.
21  Maar zie, de man die Mij overlevert, ligt hier met Mij aan tafel.
22  Want de Mensenzoon gaat wel zijn voorbestemde weg, maar wee de mens door wie Hij wordt overgeleverd.’
23  Toen begonnen ze er met elkaar over te praten, wie van hen het zou kunnen zijn die dat ging doen.
24  Ook ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen wel het belangrijkst was. 25 Hij zei hun echter: `Bij de heidenen spelen koningen de baas, bij hen laten machthebbers zich weldoener noemen.
26  Bij jullie mag dat niet zo zijn. De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar.
27  Want wie is het belangrijkst? Die aan tafel ligt, of die bedient? Die aan tafel ligt toch zeker! Maar Ik ben in jullie midden de dienaar.
28  Jullie zijn altijd bij Mij gebleven als Ik werd beproefd.
29  Zoals mijn Vader Mij het koningschap heeft aangeboden, zo bied Ik jullie een plaats aan
30  in mijn koninkrijk om te eten en te drinken aan mijn tafel; jullie zullen op tronen zitten om te oordelen over de twaalf stammen van Israël.
31  Simon, Simon, de satan heeft geëist jullie te mogen ziften als het koren.
32  Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken; als je eenmaal tot inkeer bent gekomen, sterk dan op jouw beurt je broeders.’
33  Hij zei Hem: `Heer, ik ben bereid met U zelfs de gevangenis en de dood in te gaan.’
34  Maar Hij zei: `Petrus, Ik zeg je, voordat vandaag de haan kraait, zul je drie keer geloochend hebben dat je Me kent.’
35  Hij zei hun: `Toen Ik jullie eropuit stuurde zonder beurs, reistas en schoenen, zijn jullie toen iets tekort gekomen?’ `Nee, niets’, antwoordden ze.
36  Hij zei hun: `Maar nu moet je een beurs en een reistas meenemen als je die hebt, en als je geen zwaard hebt, moet je je jas verkopen en er een aanschaffen.
37  Want Ik zeg jullie dat dit schriftwoord aan Mij in vervulling moet gaan: Bij de overtreders van de wet werd Hij gerekend. Want ook dit woord over Mij wordt nu werkelijkheid.’
38 `Heer,’ zeiden ze, `hier zijn twee zwaarden.’ Maar Hij zei hun: `Zo is het genoeg!’
39
Hij verliet het huis en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg, en zijn leerlingen gingen met Hem mee.
40  Toen Hij daar was, zei Hij hun: `Bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken.’
41  Hij verwijderde zich van hen, ongeveer een steenworp ver; daar viel Hij op zijn knieën en bad:
42  `Vader, neem alstublieft deze beker van Mij weg; maar toch, laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U.’
43  Toen verscheen Hem een engel uit de hemel die Hem kracht gaf.
44  Hij werd doodsbang en bad nog dringender; zijn zweet viel als bloeddruppels op de grond.
45  Na dit gebed stond Hij op en ging naar de leerlingen. Hij vond ze in slaap, zo verdrietig waren ze.
46  Hij zei hun: `Wat slapen jullie? Sta op en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken.’
47  Hij was nog niet uitgesproken of er verscheen opeens een hoop volk. Judas, een van de twaalf, liep voorop en kwam op Jezus af om Hem een kus te geven.
48  Jezus zei hem: `Judas, lever je de Mensenzoon over met een kus?’
49  Toen zijn metgezellen zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: `Heer, zullen we erop inslaan met het zwaard?’
50  En een van hen sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem het rechteroor af.
51  Maar Jezus antwoordde: `Hou daarmee op!’ Hij raapte het oor op en genas hem.
52  Tegen de hogepriesters, de tempelwacht en de oudsten die op Hem af waren gekomen, zei Jezus: `Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en stokken op Me afgekomen.
53  Dag in dag uit was Ik bij u in de tempel, en u hebt Me niet aangehouden; maar dit is uw tijd, nu de duisternis regeert.’
54
Zij namen Hem gevangen en brachten Hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde op een afstand.
55  Ze legden midden op de binnenplaats een vuur aan; daar gingen ze omheen zitten en Petrus zat tussen hen in.
56  In het schijnsel van het vuur zag een slavin hem zitten; ze bekeek hem nauwlettend en zei: `Die hoorde ook bij Hem.’
57  Maar hij ontkende het en zei: `Mens, ik ken Hem niet.’
58  Even later zag iemand anders hem en zei: `Jij bent ook een van hen.’ Maar Petrus zei: `Welnee man.’
59  Ongeveer een uur later zei iemand met grote stelligheid: `Wel degelijk, hij hoorde ook bij Hem; hij is immers ook een Galileeër.’
60  Maar Petrus zei: `Man, ik weet niet waar je het over hebt!’ Hij had dat nog niet gezegd, of er kraaide een haan.
61  De Heer keerde zich om en keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich wat de Heer tegen hem had gezegd: `Voor de haan vandaag kraait, zul je Me driemaal verloochend hebben.’
62  Hij liep naar buiten en schreide bittere tranen.
63  De mannen die Jezus bewaakten, dreven de spot met Hem en sloegen Hem.
64  Ze blinddoekten Hem en vroegen: `Profeteer nu eens, wie was het die je heeft geslagen?’
65  En ze riepen nog allerlei andere grofheden tegen Hem.
66
Toen het dag werd, kwam de raad° van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Men bracht Jezus voor hun Sanhedrin.
67  Zij zeiden: `Als U de Messias bent, zeg ons dat dan.’ Maar Hij zei hun: `Als Ik het u zeg, zult u Me niet geloven;
68  als Ik u wat vraag, zult u Me geen antwoord geven.
69  Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan Gods machtige rechterhand.’
70  Toen zei iedereen: `U bent dus de Zoon van God?’ Hij sprak tot hen: `U zegt zelf dat Ik het ben.’
71  Toen zeiden zij: `Waarvoor hebben wij nog een getuigenis nodig? Wij hebben het zelf uit zijn mond gehoord.’

1   Het hele gezelschap stond op, en men leidde Hem voor aan Pilatus.
2   Daar brachten zij hun beschuldiging tegen Hem in: `Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit; Hij zegt dat ze geen belasting moeten betalen aan de keizer, en Hij geeft zichzelf uit voor de Messias, de koning.’
3   Pilatus vroeg hem: `Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde hem: `U zegt het zelf.’
4   Pilatus zei tegen de hogepriesters en de volksmenigte: `Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’
5   Zij hielden echter vol: `Hij maakt met zijn leer in heel het Joodse land het volk oproerig, eerst in Galilea, en nu hier ook al.’
6   Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was;
7   en toen hij begreep dat Hij onder Herodes ressorteerde, stuurde hij Hem door naar Herodes, die op dat moment eveneens in Jeruzalem verbleef.
8   Herodes was erg blij dat hij Jezus te zien kreeg, want hij had Hem allang willen ontmoeten, na wat hij over Hem gehoord had. Hij hoopte Hem een wonder te zien doen.
9   Hij ondervroeg Hem uitvoerig, maar Jezus gaf Hem nergens antwoord op.
10  De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen.
11  Ook Herodes en zijn manschappen beledigden Hem en maakten Hem belachelijk door Hem een pronkgewaad aan te doen. Daarna stuurde hij Hem terug naar Pilatus.
12  Herodes en Pilatus werden op die dag vrienden van elkaar; tevoren waren ze namelijk vijanden.
13  Daarop riep Pilatus de hogepriesters, de leiders en het volk bij elkaar
14  en zei tegen hen: `U hebt deze man bij mij gebracht omdat Hij het volk zou ophitsen. Wel, ik heb de man verhoord in uw bijzijn, en voor uw beschuldigingen tegen Hem heb ik geen enkele grond gevonden;
15  en Herodes evenmin, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Kortom, Hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat.
16  Ik zal Hem daarom laten geselen en dan vrijlaten.’
18  Maar ze schreeuwden in koor: `Weg met Hem, laat Barabbas vrij.’
19  Die was in de gevangenis gezet wegens een oproer in de stad en wegens doodslag.
20  Maar omdat Pilatus Jezus wilde vrijlaten, sprak hij hen opnieuw toe.
21  Maar zij schreeuwden ertegenin: `Aan het kruis met Hem, aan het kruis!’
22  Voor de derde keer zei hij tegen hen: `Wat heeft deze man dan voor kwaad gedaan? Ik heb niets kunnen vinden waarop de doodstraf staat; ik zal Hem dus na geseling vrijlaten.’
23  Maar luidkeels schreeuwend bleven zij eisen dat Hij gekruisigd zou worden. Hun geschreeuw gaf de doorslag.
24     Pilatus besloot hun eis in te willigen.
25  De man die wegens oproer en doodslag in de gevangenis was gezet, om wie ze hadden gevraagd, liet hij vrij en Jezus leverde hij over aan hun willekeur.

26  Toen ze Hem wegvoerden hielden ze een zekere Simon uit Cyrene aan, die van zijn akker kwam; hem lieten ze het kruis achter Jezus aan dragen.
27  Een grote massa mensen volgde Hem; er waren vrouwen bij, die om Hem rouwden en treurden.
28  Jezus draaide zich om en zei tegen hen: `Vrouwen van Jeruzalem, huil niet om Mij, huil liever om uzelf en uw kinderen.
29  Want er komen dagen dat men zal zeggen:  `Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gezoogd.”
30  Dan zal men zeggen tegen de bergen: ` `Val op ons”, en tegen de heuvels: ` `Bedek ons.”
31  Want als ze dit doen met het groene hout, wat moet er dan gebeuren met het dorre?’

32  Er werden ook nog twee misdadigers weggevoerd om samen met Hem ter dood te worden gebracht.
33  Toen ze op het zogeheten Schedelveld kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem.
34  Jezus sprak: `Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Ze verdobbelden zijn kleren.
35  Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: `Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’
36  Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen
37  en zeiden: `Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!’
38  Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden.
39  Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: `Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!’
40  Maar de ander wees hem terecht: `Heb zelfs jij geen ontzag voor God, nu jij ook deze straf ondergaat?
41  In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.’
42  Daarop zei hij: `Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.’
43  Hij zei tegen hem: `Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.’

44  Al rond het zesde uur werd het donker in heel het land, tot het negende uur.
45  Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor.
46  Toen riep Jezus luidkeels: `Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Na deze woorden stierf Hij.
47  De centurio, die zag wat er gebeurde, verheerlijkte God en zei: `Waarachtig, die man was een rechtvaardige.’
48  Alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, gingen naar huis; ze sloegen zich van rouw op de borst om wat ze hadden gezien.
49  Al zijn vrienden bleven uit de verte staan toekijken, ook de vrouwen die Hem vanuit Galilea waren gevolgd en dit gadesloegen.

50  Nu was daar een zekere Jozef, een lid van de raad, een goed en rechtvaardig man,
51  die niet had ingestemd met hun plannen en praktijken. Hij was afkomstig uit de Joodse stad Arimatea en leefde in de verwachting van het koninkrijk van God.
52  Hij vervoegde zich bij Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.
53  Hij haalde het van het kruis, wikkelde het in linnen en legde Hem in een graf dat in de rotsen was uitgehouwen, en waarin nog niemand lag.
54  Het was voorbereidingsdag en de sabbat zou zo aanbreken.
55  De vrouwen die met Hem uit Galilea waren meegekomen, waren Jozef gevolgd en zagen het graf en hoe zijn lichaam erin werd neergelegd.
56  Toen gingen ze naar huis en maakten kruiden en balsem klaar.
KBS Willibrord 1995

Geloofsbelijdenis

Spreken wij samen onze geloof uit in God die mens onder de mensen is geworden.

Wij geloven in God de Vader,
die zijn schepping in onze handen heeft gegeven
om er een woning van te maken
waarin het goed is om te leven.

Wij geloven in de zoon Jezus Christus,
die bij ons kwam wonen en nu leeft
in de harten van de mensen.
Hij is ons voorbeeld van liefde tot het uiterste.

Wij geloven in Gods Geest,
die ieder van ons de kracht geeft
om aan het rijk van God mee te bouwen.

Wij geloven in een gemeenschap
waarin elkeen zorg draagt voor de ander;
waarin eenieder aan de blijde boodschap
gestalte geeft door woord en daad.

Wij geloven dat een mensenleven
nooit zal eindigen
en dat we hoopvol mogen uitzien
naar het eeuwig geluk bij de Vader.
Amen.



Voorbeden

– God, terwijl wij opzien naar het kruis,
bidden wij: neem ons bij de hand
wanneer wij proberen de weg van Jezus te gaan.

Wij roepen U in herinnering, God,
mensen zonder levensmoed, mensen mislukt en miskend…

L: Wij bidden om de geest van opstandigheid,
even vrolijk als standvastig,
opstandig tegen alle leven dat geen leven is.

– Wij roepen U in herinnering, God,
allen die gekruisigd worden zoals uw Zoon,
allen die hun lot niet kunnen dragen…

L: Wij bidden om de geest van opstandigheid,
even geduldig als rusteloos,
opstandig tegen alle vijandschap,
in ’t groot zowel als in ’t kl­ein.

– Wij roepen U in herinnering, God,
allen die elkaar beschuldigen of verdacht maken,
allen wier lot het is een kruis te dragen…

L: Wij bidden om de geest van opstandigheid,
even barmhartig als vastberaden,
opstandig tegen een godsdienst die ons afleidt van het le­ven.

– Wij roepen U in herinnering, God,
allen die opgejaagd door het leven gaan,
allen die lijden onder duistere machten…

L: Wij bidden om de geest van opstandigheid,
even liefdevol als genadeloos,
opstandig tegen elk kwaad dat het leven bedreigt en aantast.

Voor al deze intenties, voor al wie en wat ons persoonlijk ter harte gaat,
bidden wij:


Gebed over de gaven

Vader,
aanvaard in brood en beker onze dank
voor Hem, die uw wil heeft volbracht ten einde toe,
en doe ons, door de kracht van uw Geest, op Hem gelijken
in deze goede dagen en heel ons verder leven. Amen.

Tafelgebed

Wij danken U, God,
voor mensen die kunnen delen
om anderen een menswaardig bestaan te verzekeren,
voor hen die hun huis gastvrij openstellen.

Wij danken U, God,
voor mensen die kunnen luisteren
naar het leed van anderen,
die wonden genezen
door de pijn te helpen dragen;
voor mensen die kunnen troosten.

Wij danken U, God,
voor mensen die rust en stilte brengen,
die oog hebben voor kleine dingen,
die zich verheugen in de grootheid van anderen.

Wij danken U, God,
voor mensen die hongeren naar gerechtigheid,
die lijden omwille van het onrecht
dat anderen wordt aangedaan.

Wij danken U, God,
voor mensen die mild zijn in hun oordeel,
die eerbied hebben voor het leven,
die hun hart openen voor vergeving en verzoening.

Wij danken U, God,
voor mensen die zuiver zijn in hun bedoelingen,
die oprecht zijn in hun woorden,
die trouw blijven aan hun vrienden.

Wij danken U, God,
voor mensen die zich spiegelen
aan de levenswijze van Jezus.
Met hen getuigen en loven wij U, God:

Heilig, heilig, heilig …

Geen andere zekerheid is ons gegeven, Heer God,
dan op weg te zijn naar U.
.
Ons zoeken naar U
maakt ons tot een volk onderweg.
Mensen die verdwalen worden toegesproken
door Jezus, uw Zoon,
die de Weg, de Waarheid en het Leven is.
En als wij ons nestelen in onze zelfgenoegzaamheid,
Heer, roep ons dan weer op.

Toen Jezus die laatste avond met zijn vrienden aan tafel zat
gaf Hij hun een heilig teken:
Hij nam wat brood, dankte U, Vader,
brak het, deelde het uit en zei:
“Neem en eet hiervan, dit is mijn lichaam,
voor u gebroken, aan u toevertrouwd.”

Na de maaltijd nam Hij ook de beker, zegende die,
gaf hem rond en zei:
“Neem en drink hieruit, dit is mijn bloed,
mijn levenskracht, voor u vergoten
tot vergeving van zonden,
tot verbondenheid onder mensen.
Kom samen, en doe dit telkens opnieuw,
en weet dan dat Ik bij u ben.”

Als wij dan eten van dit brood
en drinken uit deze beker
verkondigen wij de dood des Heren
totdat Hij komt.

Wij bidden U, Heer God,
stuur ons op weg in de geest van Jezus, uw zoon:
dat wij nieuwe wegen van goedheid banen,
paden van gerechtigheid en onderlinge vrede;
dat wij het leven leefbaar maken
en het puin ruimen van ons egoïsme.

Doe onder ons profeten opstaan
die het vuur van uw goedheid brandend houden,
die uw licht laten stralen,
ook in donkere momenten van ons leven.
Door Hem en met Hem en in Hem
zal uw naam geprezen zijn, Heer onze God,
die ons doet leven dank zij uw Geest,
hier en nu en in de eeuwen der eeuwen. Amen.


Onze Vader

Als onze weg te hobbelig wordt, de golven te hoog,
mogen wij even onze last en onze zorgen in Gods handen leggen,
want voor ons wil Hij zijn als een vader tot wie wij bid­den mogen:
Onze Vader,…

Laat uw aangezicht over ons lichten, God,
en keer U tot ons.
Breng tot leven het goede dat in ons sluimert,
wek Jezus op in ons hart,
wek in ons zijn liefde en wijsheid,
zijn vergevingsgezindheid en geduld.
Dan zullen we weer hoopvol kunnen wachten op Jezus Massias, uw Zoon,
Want van U is het koninkrijk…


Vredeswens

In een wereld waar de macht regeert,
de winnaar telt,
ging Jezus het smalle pad van eenvoud en van dienstbaarheid,
en vond daarin zijn vrede.
Die vrede zij altijd met U
En met uw geest
En wensen wij elkaar die Jezusvrede van harte toe.

Lam Gods

Communie

Jezus bad:
“Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan.
Maar, niet mijn wil maar uw wil geschiede”.
Dit is het Lam Gods dat door zijn dood de zonden van de wereld heeft weggenomen.
Heer, ik ben niet waardig…


Bezinning

Zondagdrukte op de wegen,
mensen in bonte kleurenpakken
om te sporten, om te niksen…
Zalig, zo’n zondagmorgen in de lente.

En toch gaan mensen op zo’n zondag
met een palmtakje in de hand.
Met dat stukje groen
dragen zij gedachten mee,
gedachten uit een ver verleden
om nu nog van te leven:
dat een lieve Zoon van God
terechtgekomen is in mensenhanden,
een speelbal werd tussen ‘Hosanna’ en ‘Kruisig Hem’.

Die mensen op een zondagmorgen
met een palmtak in de hand,
zijn dat niet vergeten.
Zij weten zich een minuscule schakel
op de lange weg van de mensheid,
om doorheen alle pijn en alle tragedie,
alsmaar door te groeien
naar die paaszondagmorgen ,
naar dat lege graf in een tuin,
een eind voorbij Golgota.

Slotgebed

Heer God,
In de stad waaraan Gij uw hart hebt verpand
worden blinden zieners,
bange mensen voortrekkers,
weifelaars worden profeten.
Door lijden openbaart Gij liefde,
de dood baant een weg ten leven.
Houd ons de hand boven het hoofd,
wij die uw palm een plaatsje zullen geven in ons huis.
Laat vrede in ons huis heersen,
laat vrede zegevieren in de harten van mensen,
hier, en waar ook ter wereld. Amen.

Zegen en zending [met palmtak in de hand]

Een palmtak is symbool van ons geloof:
Herinnering aan Jezus die dienstbaar werd tot in de dood…
herinnering aan de onberekenbare mens
die takken sneed om Hem toe te juichen
en ’s anderendaags: “Kruisig Hem”.

Christelijk geloven is, gelijk een palmtak,
gewijd, gezegend en naar huis gebracht…
Want christen zijn
is dienstbaar worden als de Heer,
in grote en kleine dingen,
en daarom gezegend worden door
+ de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.

Ga in vrede, neem een palmtakje mee naar huis en geef het, als teken van hoop, een plaatsje bij het kruis.

Dit bericht is geplaatst in Zondagsvieringen met de tags . Bookmark de permalink.