Palmzondag B 2009

ZONDAGSVIERINGEN
Palmzondag B (05 04 2009)

Begroeting

Welkom + in de naam van de Vader
die zich onder ons heeft laten zien in zijn Zoon, Jezus Christus,
en in de heilige Geest. Amen.

Openingswoord

Jezus’ naam en faam hadden zich op korte tijd zozeer verspreid,
dat velen Hem aan de poorten van Jeruzalem stonden op te wachten
om Hem koninklijk te ontvangen.
Van alle kanten klonk het:
‘Hosanna. Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.’
Al eeuwen wachtten ze op een Messias.
Die langgekoesterde droom leek eindelijk in vervulling te gaan.

Net als zij brengen ook wij, met groene palmtakken,
hulde aan Jezus die altijd en voor iedereen klaarstond.
Groene takken van hoop en vertrouwen
voor Hem die zich totaal voor ons wil geven.

Gebed bij de palmwijding

Groene takken: ze spreken van hoop,
ze getuigen van vertrouwen.
De groene takjes die we achter het kruis steken,
willen zeggen: de dood is niet het einde.
Uit lijden en beproeving wordt leven en bevrijding geboren.
In zijn dood en verrijzenis heeft Jezus het Rijk Gods verankerd
op onze harde, voor velen genadeloze wereld.
Aan ons om in zijn spoor mensen van hoop en leven te zijn.

God, onze Vader,
(+)zegen deze groene takken die de winter overleven,
zegen ze als hoopvolle tekens van leven op aarde,
zegen deze palmen en de huizen waar ze straks worden bewaard
en de mensen die er wonen en ons dierbaar zijn.
God, zegen hen die, wat het hun ook kost,
de weg van Jezus gaan, desnoods doorheen het lijden.
Zegen ons met de naam van Jezus
die Vrede en Liefde is. Amen.


Evangelie (Marcus 11,1-10)

Toen Jezus en zijn leerlingen dicht bij Jeruzalem waren, bij Betfage en Betanië, tegen de Olijfberg aan, stuurde Jezus twee van zijn leerlingen eropuit
2        met de opdracht: `Ga naar het dorp daar vlak voor je. Meteen als je er binnenkomt, zul je een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog geen mens gezeten heeft. Maak het los en neem het mee.
3        Als iemand tegen jullie zegt: ` `Wat doen jullie daar?” zeg dan: ` `De Heer heeft het nodig; Hij stuurt het meteen weer terug.” ‘
4        Ze gingen weg en vonden een veulen, vastgebonden bij een deur, buiten aan de straat, en ze maakten het los.
5        Sommige omstanders zeiden tegen hen: `Wat doen jullie daar, waarom maken jullie dat veulen los?’
6        Ze antwoordden hun zoals Jezus gezegd had. En ze lieten hen hun gang gaan.
7        Ze namen het veulen mee naar Jezus, wierpen er hun kleren overheen, en Hij ging erop zitten.
8        Velen spreidden hun kleren uit op de weg, anderen deden hetzelfde met twijgen die ze op het veld gesneden hadden.
9        Zowel de mensen die voorop gingen als die volgden, schreeuwden: `Hosanna!
Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.
10       Gezegend het koninkrijk dat komen gaat, van onze vader David.
Hosanna in de hoogste hemel!

of:

Evangelie (Johannes 12,12-16)
Als afsluiting van deze palmwijding luisteren wij naar het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem.

12       De volgende dag hoorde de menigte feestgangers dat Jezus toch naar Jeruzalem kwam, en in groten getale
13       trokken ze Hem met palmtakken tegemoet. Ze riepen almaar:  `Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer: de koning van Israël!’
14       Jezus wist een ezeltje te vinden en ging erop zitten, zoals geschreven staat:
15       Vrees niet, dochter Sion! Zie, uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen.
16       Dit begrepen zijn leerlingen aanvankelijk niet; maar toen Jezus verheerlijkt was, toen werd het hun duidelijk dat het geschreven stond met het oog op Hem en dat dit met Hem ook gebeurd was.


Vergevingsmoment

Hoe kon de massa
die Christus op Palmzondag zo enthousiast onthaalde in hun stad,
de vrijdag daarop schreeuwen: “Weg met Hem”?
Wat zouden wij gedaan hebben?
Hoe vlug schrijven ook wíj niet iemand af?
Staan we wel eens stil bij dergelijke zaken?
Vragen wij daarom om vergeving.

Omdat Gij niet altijd geschreven staat in de palm van onze hand,
omdat wij U vaak alleen willen horen als het óns past,
vragen wij:
Heer, ontferm U over ons.

Omdat wij schrik hebben om gekwetst te worden
en daarom onze handen gesloten houden,
omdat we niet durven geven zonder de garantie dat we iets terugkrijgen,
vragen wij:
Christus, ontferm U over ons.

Omdat het lijden van anderen ons soms niet meer raakt,
omdat eelt op onze handen ons belet om nog te strelen,
omdat we soms ongevoelig zijn,
bidden wij:
Heer, ontferm U over ons.

God, Gij spijkert ons niet vast op onze fouten en tekortkomingen
maar geeft ons telkens weer de kans om opnieuw te beginnen,
opdat ook wij elkaar die nieuwe kansen zouden geven,
vandaag en de rest van ons leven. Amen.

Openingsgebed

God en Vader,
in Jezus van Nazareth hebt Gij voorgoed een gezicht gekregen.
Vandaag huldigen wij Hem als onze koning.
Wij willen Hem dienen door ook onszelf te laten aanvuren door zijn Geest.
Zo kunnen wij op onze beurt anderen begeesteren.
Wil ons daartoe de kracht geven, God,
vandaag, in de Goede Week die vóór ons ligt
en alle dagen van ons leven. Amen.
naar Bas Rentmeester en Huub Schumacher

Lezingen

– In de eerste lezing legt Paulus ons de betekenis uit van wat wij in deze Goede Week herdenken. (Filippenzen 2,6-11)
– Daarna luisteren wij naar het lijdensverhaal zoals Marcus het heeft opgetekend.

Eerste lezing (Jesaja 50,4-7)

4 De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken,
om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan.
Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,
in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen.
5 De Heer God heeft mijn oor geopend,
en ik heb mij niet verweerd,
ik ben niet teruggedeinsd.
6 Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,
en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;
mijn gezicht heb ik niet onttrokken
aan beschimping en bespuwing.
7 De Heer God staat mij bij,
daarom kom ik niet bedrogen uit;
daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen,
omdat ik weet dat ik niet beschaamd zal worden.
KBS Willibrord 1995

Tweede lezing (Filippenzen 2,6-11)

6 Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
7 Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
8 heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.
9 Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
10 opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
11 en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
de Heer, dat is Jezus Christus.
KBS Willibrord 1995

Inleiding op het lijdensverhaal

Jezus reed als een koning door de stad Jeruzalem
op een kleine ezel en ieder zong voor Hem.
“Hosanna”, klonk het uit ieders hart en mond,
wuivende palmen en mantels uitgestrekt  op de grond.

Maar de bange priesters en leiders vonden dat niet goed.
Jezus moest verdwijnen uit het land en liefst voorgoed.
Judas was één van de vrienden van de Heer.
Hij zou Hem verraden, men wist zelfs al hoe en wanneer.

Toch zat hij mee aan tafel toen Jezus hun de voeten waste.
Jezus was dienaar, zijn beste vrienden de gasten.
Toen nam Hij het brood en de beker en zei:
“Breek en deel, zo denk je het best aan Mij.”

Evangelie (Marcus 14,1-15,47)


14 1      Twee dagen later zou het Pasen zijn, het feest van de ongedesemde broden. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten een gelegenheid om Hem met een list in handen te krijgen en ter dood te brengen.
2           Want ze zeiden: `Niet op het feest, er moet geen opschudding onder het volk ontstaan.’
3           Toen Hij in Betanië was, in het huis van Simon de melaatse, en daar aanlag, kwam een vrouw met een albasten flesje echte, kostbare nardusbalsem. Ze brak het flesje en goot het leeg over zijn hoofd.
4           Sommigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: `Waar was de verspilling van die balsem nu goed voor?
5           Want die had voor meer dan driehonderd denariën verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden.’ Ze voeren tegen haar uit.
6           Maar Jezus zei: `Laat haar. Wat maken jullie het haar toch lastig? Ze heeft een goed werk gedaan aan Mij.
7           Want de armen heb je altijd bij je, en zo vaak je wilt kun je hun goed doen, maar Mij heb je niet altijd bij je.
8           Ze heeft gedaan wat zij kon. Bij voorbaat heeft ze mijn lichaam gezalfd met het oog op mijn begrafenis.
9           Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld de goede boodschap verkondigd wordt, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’
10          Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de hogepriesters om Hem over te leveren
11          Toen ze dat hoorden, waren ze daarmee ingenomen en ze beloofden hem geld te geven. Hij zocht naar een goede gelegenheid om Hem over te leveren.

Voorbereiding van het paasmaal
 
12          Op de eerste dag van het feest van de ongedesemde broden, wanneer men het paaslam slachtte, zeiden zijn leerlingen tegen Hem: `Waar wilt U dat wij voorbereidingen gaan treffen voor het paasmaal?’
13          Daarop stuurde Hij twee van zijn leerlingen eropuit met de opdracht: `Ga naar de stad. Daar zal jullie iemand tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem,
14          en zeg waar hij binnengaat tegen de heer des huizes: ` `De meester laat vragen: Waar is de kamer waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? ”
15          Hij zal jullie een ruime bovenzaal wijzen, die ingericht is en op orde gebracht. Maak het daar voor ons klaar.’
16          De leerlingen gingen weg en kwamen in de stad. Ze troffen het aan zoals Hij hun gezegd had, en ze maakten het paasmaal klaar.

Laatste avondmaal

17          Toen de avond gevallen was, kwam Hij met de twaalf.
18          Toen ze aan tafel waren gegaan, zei Jezus onder het eten: `Ik verzeker jullie, een van jullie, die nu met Mij eet, zal Mij overleveren.’
19          Zij werden bedroefd en de een na de ander zei tegen Hem: `Ik toch niet?’
20          Maar Hij zei hun: `Een van de twaalf, die met Mij zijn hand in de schaal doopt.
21          De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat, maar wee die mens, door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt. Het zou beter voor die mens zijn, als hij niet geboren was.’
22          Tijdens de maaltijd nam Hij een brood, sprak de zegenbede uit, brak het brood, gaf het hun en zei: `Neem het, dit is mijn lichaam.’
23          Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die beker; ze dronken er allen uit.
24          En Hij zei hun: `Dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten.
25          Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot de dag waarop Ik de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van God.’
26          Na het zingen van de psalmen gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg.

Ze zullen allemaal ten val komen
 
27          Toen zei Jezus tegen hen: `Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder treffen, en de schapen zullen verstrooid worden.
28          Maar na mijn opwekking zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’
29          Maar Petrus zei tegen Hem: `Ook al komen ze allemaal ten val, ik zeker niet.’
30          Jezus zei tegen hem: `Ik verzeker je: vandaag, in deze nacht, nog voordat de haan twee keer kraait, zul jij Me drie keer verloochenen.’
31          Maar hij verklaarde met nog meer nadruk: `Ook al moet ik samen met U sterven, ik zal U niet verloochenen.’ Dat zeiden ze allemaal.

In Getsemane

32          Ze kwamen bij een plek die Getsemane heet, en Hij zei tegen zijn leerlingen: `Ga hier zitten, terwijl Ik ga bidden.’
33          En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon angstig en onrustig te worden,
34          en zei tegen hen: `Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier, en blijf wakker.’
35          Hij ging een eindje verder en wierp zich op de grond. Hij bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem voorbij zou gaan.
36          `Abba, Vader,’ bad Hij, `U kunt alles. Neem deze beker van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.’
37          Hij ging terug en vond hen in slaap, en Hij zei tegen Petrus: `Simon, slaap je? Kon je niet één uur wakker blijven?
38          Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken. De geest is wel van goede wil, maar het vlees is zwak.’
39          Hij ging weer bidden met dezelfde woorden.
40          Toen Hij weer terugkwam, vond Hij hen wederom in slaap, want hun ogen waren zwaar, en ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.
41          Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: `Slaap nu maar rustig verder. Het is voorbij. Het uur is gekomen; nu wordt de Mensenzoon overgeleverd in de handen van de zondaars.
42          Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.’

Arrestatie van Jezus

43          Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas aan, een van de twaalf, en hij had een hele bende bij zich met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.
44          Hij die Hem overleverde, had een teken met hen afgesproken: `Die ik zal kussen, die is het. Grijp Hem en zet Hem veilig vast.’
45          Toen hij eraan kwam, ging hij recht op Hem af en zei: `Rabbi’, en kuste Hem.
46          Ze grepen Hem en overmeesterden Hem.
47          Een van de omstanders trok zijn zwaard, sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem een oor af.
48          Daarop zei Jezus: `Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en knuppels op Mij afgekomen om Mij in handen te krijgen.
49          Dag in dag uit gaf Ik bij u in de tempel onderricht, en u hebt Me niet opgepakt. Maar de Schriften moeten in vervulling gaan.’
50          Ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg.
51          Een jongeman volgde Hem met slechts een linnen doek om het naakte lijf; ze grepen hem vast.
52          Maar hij liet de doek achter en vluchtte naakt weg.

Verhoor door de hogepriester

53          Ze brachten Jezus naar de hogepriester, en alle hogepriesters en oudsten en schriftgeleerden kwamen bij elkaar.
54          Petrus was Hem op een afstand gevolgd tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester, en hij zat zich daar tussen de knechten bij het vuur te warmen.
55          De hogepriesters en heel het Sanhedrin zochten getuigenissen tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar ze vonden niets.
56          Want velen legden wel een valse verklaring tegen Hem af, maar hun getuigenissen waren niet afdoende.
57          Ook stonden er enkelen tegen Hem op met de valse verklaring:
58          `We hebben Hem horen zeggen: ` `Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.” ‘
59          Maar zelfs dit getuigenis was niet afdoende.
60          De hogepriester trad naar voren en stelde Jezus de vraag: `U antwoordt niets? Wat brengen ze wel niet tegen U in!’
61          Maar Hij bleef zwijgen en antwoordde niets. Weer stelde de hogepriester Hem een vraag en zei tegen Hem: `Bent u de Messias, de Zoon van de Gezegende?’
62          Jezus zei: `Ja, dat ben Ik, en u zult de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel.’
63          De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: `Waarvoor hebben we nog getuigen nodig?
64          U hebt de godslastering gehoord. Wat vindt u?’ Allen oordeelden dat Hij de doodstraf verdiend had.
65          Sommigen begonnen Hem te bespuwen, deden Hem een blinddoek voor, sloegen Hem dan en zeiden: `Profeteer nu eens!’ De knechten gaven Hem een afranseling.

Verloochening door Petrus

66          Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam daar een slavin van de hogepriester aan.
67          Toen ze Petrus zag, die zich zat te warmen, keek ze hem aan en zei: `Jij was ook bij die Jezus van Nazaret.’
68          Maar hij ontkende dat: `Ik weet niet, ik begrijp niet waar je het over hebt.’ En hij ging naar buiten naar de voorhof. En er kraaide een haan.
69          Toen de slavin hem daar zag, begon ze opnieuw en zei tegen de omstanders: `Dat is een van hen.’
70          Hij ontkende opnieuw. Na een tijdje zeiden de omstanders op hun beurt tegen Petrus: `Jij hoort inderdaad bij Hem, want je bent ook een Galileeër.’
71          Hij begon te vloeken en te zweren: `Ik ken die man niet over wie jullie het hebben.’
72          Meteen kraaide voor de tweede keer de haan. En Petrus herinnerde zich wat Jezus hem gezegd had: `Voordat de haan twee keer kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ Hij barstte in tranen uit.

Voor Pilatus

15 1 Toen de hogepriesters met de oudsten, de schriftgeleerden en heel het Sanhedrin meteen ’s morgens vroeg een besluit genomen hadden, boeiden ze Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.
2           Pilatus stelde Hem de vraag: `Bent U de koning van de Joden?’ Hij gaf hem ten antwoord: `U zegt het zelf.’
3           De hogepriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in.
4           Pilatus stelde Hem nogmaals een vraag: `Antwoordt U niets? Kijk waar ze U allemaal van beschuldigen.’
5           Jezus antwoordde niets meer, tot verbazing van Pilatus.
6           Bij een feest liet hij gewoonlijk één gevangene vrij, degene om wie ze vroegen.
7           Een zekere Barabbas zat toen gevangen, samen met de oproerlingen die bij het oproer een moord hadden gepleegd.
8           De menigte kwam de trappen op en begon te vragen dat hij voor hen zou doen wat hij altijd deed.
9           Pilatus antwoordde hun: `Wilt u dat ik u de koning van de Joden vrijlaat?’
10          Want hij merkte dat de hogepriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
11          Maar de hogepriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas moest vrijlaten.
12          Waarop Pilatus hun weer zei: `Wat wilt u dan dat ik doe met Hem die u de koning van de Joden noemt?’
13          Zij schreeuwden terug: `Kruisig Hem!’
14          Pilatus zei tegen hen: `Wat voor kwaad heeft Hij dan eigenlijk gedaan?’ Maar zij schreeuwden nog harder: `Kruisig Hem!’
15          Omdat Pilatus het volk tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij, en Jezus liet hij geselen en leverde hij over om gekruisigd te worden.

Bespotting en kruisiging

16          De soldaten namen Hem mee in het paleis, dat wil zeggen: het pretorium, en ze riepen heel de cohort bij elkaar.
17          Ze deden Hem een purperen mantel om, vlochten een krans van doorns en zetten Hem die op.
18          Ze begonnen Hem de groet te brengen: `Gegroet, koning van de Joden!’
19          Ze sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, spuwden Hem in het gezicht, en knielden voor Hem neer om Hem te huldigen.
20          Toen ze zo de spot met Hem gedreven hadden, namen ze Hem de purperen mantel af en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Toen brachten ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen.
21          Ze dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van zijn akker kwam, de vader van Alexander en Rufus, om zijn kruis te dragen.
22          Ze brachten Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met Schedelveld.
23          Ze gaven Hem wijn met mirre, maar Hij nam die niet aan.
24          Ze kruisigden Hem en ze dobbelden om zijn kleren om te zien wie wat zou krijgen.
25          Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden.
26          Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning van de Joden.
27          Samen met Hem kruisigden ze twee bandieten, één rechts en één links van Hem.
29          De voorbijgangers lasterden Hem en zeiden hoofdschuddend: `Ha, jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,
30          red jezelf en kom van het kruis af.’
31          In dezelfde trant dreven ook de hogepriesters samen met de schriftgeleerden onder elkaar de spot met Hem: `Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden.
32          De Messias, de koning van Israël; laat Hij nu van het kruis afkomen, zodat we zien en geloven.’ Ook degenen die samen met Hem gekruisigd waren, maakten beledigende opmerkingen tegen Hem.

Jezus’ dood

33          Toen het zesde uur aangebroken was, viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur.
34          Op het negende uur riep Jezus met luide stem: `Eloi, Eloi, lema sabachtani?’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?
35          Sommige omstanders die het gehoord hadden, zeiden: `Hoor, Hij roept Elia!’
36          Een van hen rende weg, doopte een spons in wijn, stak die op een rietstok en wilde Hem te drinken geven. `Laten we eens kijken of Elia Hem eraf komt halen’, zei hij.
37          Maar Jezus had, na het slaken van een luide kreet, de Geest gegeven.
38          Het voorhangsel in de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën.
39          Toen de centurio die tegenover Hem stond, zag dat Hij op deze manier de geest gaf, zei hij: `Inderdaad, die man was de Zoon van God.’

Begrafenis van Jezus

40          Op een afstand stonden er ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus de jongere en Joses, en Salome,
41          die Hem waren gevolgd toen Hij in Galilea was en Hem onderhouden hadden, en nog veel andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem waren opgetrokken.
42          En toen het avond geworden was – het was voorbereidingsdag, dat wil zeggen de dag vóór de sabbat –
43          durfde Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de raad, die zelf ook leefde in de verwachting van het koninkrijk van God, het aan om naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen.
44          Pilatus was verbaasd dat Hij al dood zou zijn, en hij riep de centurio bij zich en vroeg hem of Hij al gestorven was.
45          Toen hij dat van de centurio vernomen had, gaf hij het lijk aan Jozef.
46          Deze kocht een linnen doek, nam Hem van het kruis af, en wikkelde Hem in het linnen; hij legde Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen, en hij rolde een steen voor de ingang van het graf.
47          Maria van Magdala en Maria van Joses keken toe waar Hij werd neergelegd.
KBS Willibrord 1995

Geloofsbelijdenis

Spreken wij nu ons geloof uit in God
die in ons midden is als Vader, Zoon en Geest.

Ik geloof in Hem die wij noemen: Ik zal er zijn voor u.

Hij is de kern, de bron van al wat bestaat.
Op Hem wil ik mij richten
en zijn voorbeeld maken
tot de leidraad van mijn leven.

Ik geloof in Jezus.

In Hem heeft onze God een menselijk gelaat gekregen.
In Hem is de belofte van de Vader werkelijkheid geworden.
Ik geloof dat Hij niet vergeefs heeft geleefd
en niet vergeefs is gestorven,
maar dat Hij elke dag opnieuw verrijst
in mensen die zijn liefde belichamen.

Ik geloof in zijn Geest,

die ook vandaag mensen bezielt,
die hen aanzet om zijn manier van leven
tot de hunne te maken,
om de weg te gaan van breken en delen,
van goedheid en verbondenheid,
van recht en vrede,
altijd weer ten bate van iedereen. Amen.


Voorbeden 1

– Bidden wij voor mensen overal ter wereld die moeten lijden voor de goede zaak, voor hen die de vrede dienen maar daarvoor geweld ondervinden.
Dat zij Jezus blijven volgen
ook als hen op een dag de doornenkroon wordt opgezet;
als ze met leugens worden gegeseld
en met spot en haat worden gekruisigd.
Laat hen dan niet wijken, God,
maar sta hen bij.
Laten wij bidden…

– Bidden wij voor alle mensen die liefde willen zijn,
maar die geminacht worden om hun zachtmoedigheid;
voor mensen die rondom zich in huis, buurt en parochie de stille dienaars zijn, zonder veel lawaai en woorden,
die zich niet bij de groten rekenen maar onschatbaar en onmisbaar zijn.
Dat zij niet terugdeinzen als het moeilijk wordt.
Laten wij bidden…

– Bidden wij voor allen die in Jezus willen geloven:
dat zij niet bang zijn anders te gaan leven
op hun werk, bij hen thuis, hun familie en vrienden,
kortom in heel hun doen en laten.
Dat zij telkens opnieuw naar nieuwe mogelijkheden zoeken
om met veel enthousiasme handen en voeten te geven
aan Gods Blijde Boodschap.
Laten wij bidden…

Voorbeden 2

Hoop is een kwaliteit van de ziel
en hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt.
Hoop is niet ‘voorspellen’ of ‘vooruitzien’.
Het is een gerichtheid van de geest,
een gerichtheid van het hart, voorbij de horizon verankerd.

Heer, wij bidden u om hoop: richt onze geest en ons hart op U.

Hoop in deze diepe en krachtige betekenis
is niet hetzelfde als ‘vreugde omdat alles goed gaat’
of ‘bereidheid je in te zetten voor wat succes heeft’.
Hoop is ergens voor werken omdat het goed is,
en niet alleen omdat het kans van slagen heeft.

Heer, wij bidden U om hoop: inspireer ons tot inzet voor wat goed is.

Hoop is niet hetzelfde als optimisme.
Evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen,
wel de zekerheid dat iets zinvol is, ongeacht de afloop of het resultaat.

Heer, wij bidden U om hoop, om vertrouwen in het leven, in elkaar en in U.
naar ‘Hoop’ van Vaclav Havel.

Gebed over de gaven

God,
een mens die breekt en deelt
doet ogen open gaan,
al zie je ’t maar even.
Zo’n leven is een teken:
begin van het einde van ieder-voor-zich.
Hier breekt nieuw leven door:
dit is het opstaan van de nieuwe Mens.
Omwille van dit teken
zetten wij hier vandaag weer brood en wijn op tafel,
de vrucht van de aarde,
het werk van onze handen.
Maak het voor ons tot bron van eeuwig leven, Vader. Amen.


Tafelgebed

Hoe moeten wij U danken, Vader,
voor het geluk dat ons geopenbaard werd
in Jezus, uw Zoon.
Met Hem willen wij U danken
dat Gij uw boodschap verkondigd hebt
aan de kleinen en de eenvoudigen.
Met Hem willen wij U danken
dat Gij voor ons toekomst opent
en ons leven, hoop en uitzicht geeft.
Daarom loven en prijzen wij U
en noemen U:

Heilig, heilig, heilig …
 
Een mens bij uitstek was Hij, Jezus van Nazareth,
ingehaald als een koning,
toegezwaaid met palmen, toegezongen met ‘hosanna’;
daarna verguisd
omdat zijn koningschap niet van deze wereld was.

Koninklijk in de waarheid,
prachtig in de liefde,
een en al zorg voor misdeelden en onderdrukten,
voor weerlozen en zieken,
voor iedereen.
Zo was en is Hij, Jezus, onze Heer.

Hoor, God, onze woorden van dank om koning Jezus,
die het als zijn roeping zag
om, overal waar Hij kwam, te dienen,
die de eenvoud van een ezel verkoos
boven macht over mensen.

Hij baande voor ons de weg.
Wij bidden dat wij die weg kunnen gaan:
een weg van eenvoud,
een weg van dienen,
een Koninklijke weg van zorg voor elkaar.

Om ons te helpen die weg te gaan,
wou Hij voor altijd bij ons blijven.
Daarom gaf Hij, vlak voor Hij heenging,
een teken van zijn blijvende aanwezigheid in ons midden.
Hij nam wat brood, sprak een dankgebed uit,
brak het en deelde het rond en zei:
“Neem het en eet ervan,
want dit is mijn Lichaam, mijn Leven,
voor u gebroken, aan u toevertrouwd.”

Zo deed Hij ook met de wijn,
liet hem rondgaan en zei:
“Drink uit deze beker.
Het is de beker van een nieuw verbond:
van verbondenheid tussen mensen
als sacrament van Gods verbondenheid met alle mensen.
Dit mijn bloed,
vergoten tot verzoening, tot vrede op aarde.

Doe dit in de toekomst telkens opnieuw:
breek met elkaar brood en deel wijn rond
terwijl jullie Mij gedenken.
Dan zal Ik leven in jullie midden.”

Verkondigen wij de kern van ons geloof:

Als wij dan eten van dit brood…

Beziel ons met uw Geest, Heer.
Dan zullen wij, geïnspireerd door uw voorbeeld,
elkaar bewaren
en met elkaar bouwen aan meer menswaardigheid,
niet zwichten voor macht en eigenbaat
maar waakzaam zijn om tekenen van hoop te zien.
Mogen wijzelf zo’n teken worden.

God, wij danken U om dit teken van uw nabijheid.
Mogen wij het verhaal van Jezus, uw Zoon,
onder ons levend houden
en daaruit de moed putten
steeds opnieuw de weg te gaan
van Palmzondag naar Pasen,
ook al kunnen wij niet om Goede Vrijdag heen.

Om die moed en die hoop willen wij samen bidden
met de woorden die Jezus zelf ons heeft aangereikt:

Onze Vader,…

Laat uw aangezicht over ons lichten, God,
en keer U tot ons.
Breng het goede dat in ons sluimert tot leven,
wek Jezus op in ons hart,
wek in ons zijn liefde en wijsheid,
zijn vergevingsgezindheid en geduld.
Dan zullen we weer hoopvol kunnen wachten op Jezus Messias, uw Zoon.
Want van U is het koninkrijk…

Vredewens

Elkaars kruis helpen dragen,
niet voor het oog van een ander maar om te dienen,
zo helpen wij in onze wereld
goedheid en gerechtigheid groeien.
Voor elkaar een hart hebben
verzacht lijden en verdriet.
Zo deed Jezus ons voor.
Zo wordt zijn droom van vrede en rechtvaardigheid
nu al werkelijkheid.
Die vrede zij altijd met U
En met uw geest.
En wensen wij elkaar die Jezusvrede van harte toe.

Lam Gods

Communie

Jezus bad:
“Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan.
Maar, niet mijn wil maar uw wil geschiede”.
Dit is het Lam Gods dat door zijn dood de zonden van de wereld heeft weggeno­men.
Heer, ik ben niet waardig…


Bezinning 1

Ik vraag je,
Man van Galilea,
was jij een mens,
zoals ik, zoals wij?
Je betrad ongebaande wegen.
Kon je dit allemaal alleen?
Of was jij anders dan wij?
Je leven leek wel uitgestippeld.
Jouw daden waren onbegrijpelijk goed.
De littekens van je liefde
droeg je doorheen je hele leven.

Ik vraag je,
Man van Galilea,
was jij mens zoals wij,
of was je meer?
Je loon was onbegrip,
zelfs vriendschap
kreeg je met verraad betaald.
Jouw leven liep
naar de Calvarietop.
Moet een mens dan
altijd over bergen heen
om ‘mens’ te zijn?
Jij bent voor ons pijn,
lijden en dood ingegaan.
Is dat niet ongewoon?
Is dat niet het werk van God?

Man van Galilea,
niemand was zo groot als Jij,
Jij, die je zo klein hebt gemaakt
voor ons.
naar Th. Willemen.


Bezinning 2

Hosanna
Een uitgelaten menigte,
dol enthousiast.
Een koninklijke ontvangst
met een lange erehaag
van mantels en wuivende takken.
Een feestelijke sfeer,
geen wolkje aan de lucht.
Een toekomst zonder weerga.
Leve Jezus als koning.

Een medaille met ook een keerzijde.
Achter de dikke muren
van de tempel en de paleizen
broeit er wat.
Boos en angstig wordt er gefezeld:
“Die man gaat om met kleinen en armen.
Naar zijn boodschap wordt geluisterd.
Onze positie staat op wankelen.
Kijk maar hoe de mensen achter Hem aan lopen.
Laten we hem uit de weg ruimen.”

Goede Vrijdag is nabij.
naar Ward Vanoverbeke


Slotgebed 1

“Hosanna! Gezegend is Hij die komt
in de naam van de Heer!”
Graag zou ik op dezelfde manier willen juichen, God,
wanneer ik Jezus mag ontmoeten
in de vriendschap en de zorg van medemensen.
Maar meestal is mijn geloof daar veel te klein voor.
Geef me daarom een nieuw hart
dat al zijn hoop op U durft stellen
en dat erop vertrouwt
dat U mij ten diepste gelukkig kunt maken.
Want alleen dan kan ook ik mijn leven geven voor anderen
en hen in uw naam liefdevol nabij zijn.
Erwin Roosen


Slotgebed 2

Heer, Gij hebt ons gesterkt door deze gaven
en door de dood van uw Zoon
hebt Gij ons hoop gegeven op het eeuwig leven waarin wij geloven.
Wij bidden U:
laat ons door zijn verrijzenis het doel bereiken waarheen wij op weg zijn. Amen.

Zending en zegen

Telkens weer zal het lijden van de wereld,
het kruis dat de mensen dragen,
een oproep zijn om ons te laten raken door het leven van een ander.
Geef het palmtakje dat je nu naar huis meeneemt
een plaatsje aan het kruisbeeld.
Zo brengen wij hulde aan Jezus en vragen Hem
dat zijn vrede in ons huis mag wonen.
En zegene ons de almachtige God,
+Vader, Zoon en heilige Geest. Amen.

Dit bericht is geplaatst in Zondagsvieringen met de tags . Bookmark de permalink.