Palmzondag A 2014

13/4/2014

Begroeting

Samen met Jezus, de Christus,
zetten we de laatste stappen richting Pasen.
Een weg die loopt van het ene uiterste naar het andere,
van huldebetoon tot kruis.
Vertrouwen wij ons-gaan-op-die-weg toe aan
+ de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.

Openingswoord 1

Welkom op deze Palmzondag!
Vandaag gedenken we dat Jezus van Nazareth ooit op een ezel
Jeruzalem is binnengereden.
Een uitzinnige menigte juicht Hem toe:
Hij zal hen bevrijden,
Hij zal die Romeinen mores leren!
Hosanna in den hoge!
Maar Jezus voelt zich geen krijgsheer of zeloot.
Hij herkent zich eerder in de lijdende dienstknecht.
Hij vermoedt dat Hij duur zal moeten betalen
voor die niet ingeloste verwachtingen van de juichende menigte.
Nog geen week later wordt Hij verraden, overgeleverd, vermoord.

Openingswoord 2

Vandaag is het Palmzondag.
Christus wordt als een topvedette onthaald in Jeruzalem.
De hele stad staat op zijn kop om toch maar een glimp van Hem op te vangen.
Iedereen wil en moet Hem zien …
Komen we dergelijke scenario’s de dag van vandaag ook niet tegen :
de spelers van de voetbalploeg die de wereldbeker wint,
topatleten na het behalen van een Olympische medaille,
winnaars van de Tour de France
of tenniskampioenen….?
En ook vandaag nog merken we
dat een vedette plots van z’n sokkel kan vallen
door een lelijk woord in de pers,
een negatieve uitlating op T.V., één of ander verdacht vermoeden…
Hoe kon de massa
die Christus op Palmzondag zo enthousiast onthaalde in de stad,
de week erop op Goede Vrijdag staan huilen : weg met Hem … ?’
Wat zouden wij doen, mocht Christus nog leven ?
Hoe vlug schrijven wij niet iemand af …
Staan we daar wel eens bij stil?
Vragen wij daarom om vergeving.
naar Jocelyne Claeys

Gebed bij de palmwijding 1

Palmtakken,
takken die altijd groen blijven,
herinneren ons aan een koning die het leven koos en niet de dood,
die velen leven gaf toen dood hun toekomst was.
Palmtakken,
zij herinneren ons aan de levenswijze van Jezus van Nazareth,
een levenswijze waarin het leven belangrijker was
dan de letters van wet en traditie.
Palmtakken,
zij herinneren ons aan een bijzonder mens
die één dag koning mocht zijn:
vandaag is het nog ‘hosanna’, morgen ‘weg met Hem.’

God, Gij die leven zijt,
zegen dit groen dat onze winter overleeft.
Zegen deze takken,
hoopvolle tekenen van leven op aarde,
kwetsbaar houvast in weer en wind.
Zegen deze palmen
en zegen ons die straks deze palmen meenemen naar huis.
Zegen allen die metterdaad
in dit teken van leven en vrede willen geloven.
Zegen hen, waar ook ter wereld,
in de naam van + de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.

Gebed bij de palmwijding 2

Heer, met deze groene palmtakjes willen wij hulde brengen aan Jezus.
Hij is onze Heer, Hij is onze Koning.
Wij willen Hem volgen, elke dag opnieuw.
Daarom zegenen wij deze palmtakken:
om niet te vergeten dat we altijd weer
in ons eigen leven de weg van Jezus moeten gaan.

Goede God, zegen + deze palmtakken,
tekens van onze trouw.
Zegen ook ons die Jezus willen volgen
en zegen heel de schepping, het werk van uw handen. Amen.

naar Erembodegem

Evangelielezing (Mt. 21, 1-11)

Als afsluiting van deze palmwijding luisteren wij naar het verhaal van Jezus’
in­tocht in Jeru­zalem.

De groep naderde Jeruzalem
en kwam in Betfage op de Olijfberg.
Daar stuurde Jezus twee leerlingen eropuit met de opdracht:
“Ga naar het dorp daar vlak voor je.
Jullie zullen er meteen een ezelin vinden
die vastgebonden staat
en een veulen bij zich heeft.
Maak ze los en breng ze bij Me.
En als iemand jullie iets zegt, zeg dan:
‘De Heer heeft ze nodig,
maar Hij stuurt ze meteen terug.'”
Dit is gebeurd opdat vervuld zou worden
wat bij monde van de profeet gezegd is:
Zeg tegen de dochter Sion:
zie, uw koning komt naar u toe,
zachtmoedig en zittend op een ezel,
op een veulen, het jong van een lastdier.
De leerlingen gingen en deden wat Jezus hun opgedragen had.
Ze brachten de ezelin en het veulen,
legden er kleren overheen,
en Hij ging erop zitten.
Zeer veel mensen spreidden hun kleren op de weg,
anderen sneden takken van de bomen
en legden die op de weg.
Zowel de menigte die voor Hem uitging
als die welke Hem volgde, schreeuwde:
“Hosanna, de Zoon van David.
Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.
Hosanna in de hoogste hemel.”
Toen Hij Jeruzalem binnengetrokken was,
kwam de hele stad in beweging
en ze vroegen: “Wie is dat?”
De mensen zeiden:
“Dat is de profeet,
Jezus uit Nazareth in Galilea.”

Vergevingsmoment

Hoe kon de massa
die Jezus op Palmzondag zo enthousiast onthaalde in hun stad,
de vrijdag daarop schreeuwen: “Weg met Hem”?
Wat zouden wij hebben gedaan?
Hoe vlug schrijven ook wíj niet iemand af?
Staan we daar wel eens bij stil?
Vragen wij daarom om vergeving.

-Omdat Gij niet altijd geschreven staat in de palm van onze hand,
omdat wij U vaak alleen willen horen als het óns past,
vragen wij:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

-Omdat wij schrik hebben om gekwetst te worden
en daarom onze handen gesloten houden,
omdat we niet durven geven zonder de garantie dat we iets terugkrijgen,
vragen wij:
Christus, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.

-Omdat het lijden van anderen ons soms niet meer raakt,
omdat eelt op onze handen ons belet om nog te strelen,
omdat we soms ongevoelig en onverschillig zijn,
bidden wij:
Heer, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.

God, Gij spijkert ons niet vast op onze fouten en tekortkomingen
maar geeft ons telkens weer de kans om opnieuw te beginnen,
opdat ook wij elkaar die nieuwe kansen zouden geven,
vandaag en de rest van ons leven. Amen.

Openingsgebed 1

God en Vader,
in Jezus van Nazareth hebt Gij voorgoed een gezicht gekregen.
Vandaag huldigen wij Hem als onze koning.
Wij willen Hem dienen door ook onszelf te laten aanvuren door zijn Geest.
Zo kunnen wij op onze beurt anderen begeesteren.
Wil ons daartoe de kracht geven, God,
vandaag, in de Goede Week die vóór ons ligt
en alle dagen van ons leven. Amen.
naar Bas Rentmeester en Huub Schumacher

Openingsgebed 2

God, maak ons ontvankelijk
voor de weg die Jezus is gegaan.
Een weg van liefde,
van zich geven tot en met,
een weg van vertrouwen dat het allemaal niet tevergeefs is.
Met de palmtak aarzelend in onze hand
weten we dat er moet worden gekozen,
voor of tegen Jezus,
‘Hosanna’ of ‘Weg met Hem’,
ook in de wereld van vandaag.
Verruim dan ons hart, versterk ons geloof
in het spoor van Hem die leeft en vrede geeft. Amen.
naar Erembodegem

Lezingen

– In de eerste lezing legt Paulus ons de betekenis uit van wat wij in deze Goede Week herdenken. (Fil. 2,6-11)
– Daarna luisteren wij naar het lijdensverhaal zoals Mattheus het heeft opgetekend.

Eerste lezing (Jes. 50, 4-7)

4 De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken,
om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan.
Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,
in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen.
5 De Heer God heeft mijn oor geopend,
en ik heb mij niet verweerd,
ik ben niet teruggedeinsd.
6 Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,
en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;
mijn gezicht heb ik niet onttrokken
aan beschimping en bespuwing.
7 De Heer God staat mij bij,
daarom kom ik niet bedrogen uit;
daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen,
omdat ik weet dat ik niet beschaamd zal worden.
KBS Willibrord 1995

Tweede lezing (Fil. 2, 6-11)

6 Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
7 Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
8 heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.
9 Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
10 opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
11 en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
de Heer, dat is Jezus Christus.
KBS Willibrord 1995

Inleiding op het lijdensverhaal

Mensenstemmen hebben Jezus toegezongen:
‘Hosanna voor de Heer’.
Maar ook mensenstemmen hebben Hem toegeschreeuwd:
‘Aan het kruis met Hem’.
Luisteren we ingetogen naar het verhaal over Jezus’ lijden en dood.

Evangelie (Mt. 26, 14-75; 27, 1-66)

14 Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette, naar de hogepriesters
15 en zei: `Wat wilt u me geven, als ik Hem aan u overlever?’ Ze telden dertig zilverstukken voor hem uit.
16 Vanaf toen zocht hij een gunstig moment om Hem over te leveren.
Voorbereiding van het paasmaal
17 Op de eerste dag van het feest van de ongedesemde broden kwamen de leerlingen Jezus vragen: `Waar wilt U dat wij het paasmaal voor U voorbereiden?’
18 Hij zei: `Ga naar de stad, naar die en die, en zeg hem: ` `De meester laat weten: Mijn tijd is nabij. Bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.” ‘
19 De leerlingen deden wat Jezus hun opgedragen had, en ze maakten het paasmaal klaar.

Laatste avondmaal

20 Toen de avond gevallen was, was Hij met de twaalf aan tafel.
21 Tijdens de maaltijd zei Hij: `Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij overleveren.’
22 Buitengewoon bedroefd als ze waren, begonnen ze Hem één voor één te vragen: `Ik ben het toch niet, Heer?’
23 Hij gaf hun ten antwoord: `Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren.
24 De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat, maar wee die mens door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt. Het zou beter zijn voor die mens, als hij niet geboren was.’
25 Judas, die Hem wilde overleveren, reageerde: `Ik ben het toch niet, rabbi?’ Hij zei tegen hem: `Jij hebt het gezegd.’
26 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak de zegenbede uit, brak het, gaf het aan zijn leerlingen en zei: `Neem en eet, dit is mijn lichaam.’
27 Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die met de woorden: `Drink er allen uit,
28 want dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.
29 Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot de dag waarop Ik met jullie de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’
30 Na het zingen van de psalmen gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg.

Ze zullen allemaal ten val komen

31 Toen zei Jezus tegen hen: `Deze nacht nog zullen jullie allemaal ten val komen vanwege Mij, want er staat geschreven: Ik zal de herder treffen, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.
32 Maar na mijn opwekking zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’
33 Petrus reageerde daarop en zei: `Al komen ze allemaal ten val vanwege U, ik zal nooit ten val komen.’
34 Jezus zei Hem: `Ik verzeker je, in deze nacht, nog voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’
35 Petrus zei Hem: `Ook al moet ik samen met U sterven, ik zal U niet verloochenen.’ In deze trant spraken alle leerlingen.

In Getsemane

36 Toen ging Jezus met hen naar een plek die Getsemane genoemd wordt, en Hij zei tegen zijn leerlingen: `Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.’
37 Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee en begon bedrukt en onrustig te worden.
38 Toen zei Hij tegen hen: `Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier, en blijf wakker met Mij.’
39 Hij ging een eindje verder, wierp zich voorover en bad: `Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.’
40 Hij ging terug naar de leerlingen en vond hen in slaap, en Hij zei tegen Petrus: `Konden jullie dan niet één uur wakker blijven met Mij?
41 Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken. De geest is wel van goede wil, maar het vlees is zwak.’
42 En weer, voor de tweede maal, ging Hij bidden: `Mijn Vader, als het niet mogelijk is dat deze beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink, laat uw wil dan geschieden.’
43 Toen Hij terugkwam, vond Hij hen wederom in slaap, want hun ogen waren zwaar.
44 Hij liet hen achter en ging opnieuw bidden, voor de derde keer, met weer dezelfde woorden.
45 Toen kwam Hij naar de leerlingen en zei tegen hen: `Slaap nu maar rustig verder. Nu is het uur nabij dat de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars.
46 Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.’
Arrestatie van Jezus

47 Hij was nog niet uitgesproken of Judas kwam eraan, een van de twaalf, en hij had een grote bende bij zich met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters en oudsten van het volk.
48 Hij die Hem overleverde, had een teken met hen afgesproken: `Degene die ik zal kussen, die is het. Grijp Hem.’
49 Hij ging recht op Jezus af en zei: `Gegroet, rabbi!’, en kuste Hem.
50 Jezus zei tegen hem: `Vriend, ben je daarvoor hier!’ Toen kwamen ze dichterbij, grepen Jezus en overmeesterden Hem.
51 En kijk, een van de volgelingen van Jezus greep naar zijn zwaard, trok het, sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem zijn oor af.
52 Toen zei Jezus tegen hem: `Steek je zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.
53 Of denk je dat Ik mijn Vader niet te hulp kan roepen? Dan zal Hij Me dadelijk bijstaan met meer dan twaalf legioenen engelen.
54 Hoe zullen dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo moet gebeuren?’
55 Op dat ogenblik zei Jezus tegen de bende: `Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en stokken op Mij afgekomen om Mij in handen te krijgen. Dag in dag uit zat Ik in de tempel onderricht te geven en u hebt Mij niet opgepakt.
56 Maar dit alles is gebeurd, opdat de geschriften van de profeten vervuld zouden worden.’ Toen lieten de leerlingen Hem allemaal in de steek en vluchtten weg.

Verhoor door de hogepriester

57
Maar zij die Jezus gegrepen hadden, brachten Hem naar de hogepriester Kajafas, waar de schriftgeleerden en de oudsten bij elkaar gekomen waren.
58 Petrus volgde Hem op een afstand tot de binnenplaats van het paleis van de hogepriester, en eenmaal binnen ging hij bij de knechten zitten om te zien hoe het zou aflopen.
59 De hogepriesters en heel het Sanhedrin zochten valse getuigenissen tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen.
60 Maar ze vonden niets, hoewel er veel valse getuigen naar voren traden. Ten slotte kwamen er twee naar voren
61 die verklaarden: `Die man heeft gezegd: ` `Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen opbouwen.” ‘
62 De hogepriester ging staan en zei tegen Hem: `U antwoordt niets? Wat brengen ze wel niet tegen U in?’
63 Maar Jezus bleef zwijgen. De hogepriester zei tegen Hem: `Ik bezweer U bij de levende God dat U ons zegt of U de Messias bent, de Zoon van God.’
64 Jezus zei tegen Hem: `U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel.’
65 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: `Hij heeft God gelasterd. Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt nu toch de godslastering gehoord.
66 Wat vindt u?’ Ze gaven ten antwoord: `Hij verdient de doodstraf.’
67 Toen spuwden ze Hem in het gezicht en sloegen Hem.
68 Anderen sloegen Hem met een stok en zeiden: `Profeteer nu eens voor ons, Messias. Wie was het die je heeft geslagen?’

Verloochening door Petrus

69 Petrus zat buiten op de binnenplaats. Er kwam een slavin naar hem toe, die zei: `Jij was ook bij die Jezus van Galilea.’
70 Maar hij ontkende het waar iedereen bij was: `Ik weet niet waar je het over hebt.’
71 Hij ging naar het portaal en een andere slavin zag hem daar en ze zei tegen wie daar stonden: `Die man daar was bij Jezus de Nazoreeër.’
72 Opnieuw ontkende hij onder ede: `Ik ken die man niet.’
73 Na een tijdje kwamen de omstanders dichterbij en zeiden tegen Petrus: `Inderdaad, jij hoort ook bij hen; trouwens, jouw spraak verraadt je.’
74 Toen begon hij te vloeken en te zweren: `Ik ken die man niet.’ En meteen kraaide er een haan.
75 Petrus herinnerde zich wat Jezus gezegd had: `Voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ Hij ging naar buiten en huilde bittere tranen.

Het lot van Judas

27 1 ’s Morgens vroeg namen alle hogepriesters en oudsten van het volk het besluit om Jezus te doden.
2 Ze boeiden Hem, voerden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
3 Toen Judas, die Hem overleverde, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij spijt en bracht hij de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters en oudsten,
4 met de woorden: `Ik heb een misdaad begaan door onschuldig bloed over te leveren.’ Maar ze zeiden: `Wat gaat ons dat aan? Dat moet u zelf maar zien.’
5 En hij gooide de zilverstukken in de tempel en ging zich ophangen.
6 De hogepriesters namen de zilverstukken en zeiden: `We mogen ze niet bij de offergave doen, omdat het bloedgeld is.’
7 Ze besloten er het land van de pottenbakker van te kopen, om er de vreemdelingen te begraven.
8 Daarom wordt dat land Bloedakker genoemd, tot op de dag van vandaag.
9 Toen werd het woord vervuld dat bij monde van de profeet Jeremia gesproken is: En ze namen de dertig zilverstukken, de fraaie prijs waarop de zonen van Israël Hem geschat hadden,
10 en ze gaven die voor het land van de pottenbakker, zoals de Heer mij had opgedragen.

Voor Pilatus

11
 Jezus werd voor de gouverneur geleid. De gouverneur stelde Hem de vraag: `Bent U de koning van de Joden?’ Jezus zei: `U zegt het zelf.’
12 Op de beschuldigingen die door de hogepriesters en oudsten tegen Hem ingebracht werden, antwoordde Hij niets.
13 Toen zei Pilatus tegen Hem: `Hoort U niet waar ze U allemaal van beschuldigen?’
14 Hij gaf hem nergens antwoord op, zodat de gouverneur zeer verbaasd stond.
15 Het was de gewoonte van de gouverneur om bij een feest één gevangene vrij te laten, en wel degene die het volk wilde.
16 Ze hadden toen een beruchte gevangene, die Jezus Barabbas heette.
17 Omdat ze nu toch bij elkaar waren, zei Pilatus hun: `Wie wilt u dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die Messias genoemd wordt?’
18 Want hij wist dat ze Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
19 Terwijl hij rechtszitting hield, stuurde zijn vrouw hem het bericht: `Laat je niet in met die rechtvaardige man, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem moeten verduren.’
20 De hogepriesters en oudsten haalden de menigte over om Barabbas te vragen en Jezus te laten doden.
21 De gouverneur vroeg hun opnieuw: `Wie van de twee wilt u dat ik vrijlaat?’ `Barabbas’, zeiden ze.
22 Pilatus zei tegen hen: `Wat moet ik dan met Jezus doen, die Messias genoemd wordt?’ Ze riepen allemaal: `Kruisig Hem.’
23 Maar hij zei: `Wat voor kwaad heeft Hij dan eigenlijk gedaan?’ Ze schreeuwden nog harder: `Kruisig Hem.’
24 Toen Pilatus zag dat het niets hielp, maar dat de onrust steeds groter werd, nam hij water en waste zijn handen voor de ogen van het volk. Hij zei: `Ik ben onschuldig aan dit bloed. U moet zelf maar zien.’
25 Heel het volk riep als antwoord: `Zijn bloed op ons en onze kinderen!’
26 Toen liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en leverde hij over om gekruisigd te worden.

Bespotting en kruisiging

27 Toen namen de soldaten van de gouverneur Jezus mee naar het pretorium en haalden er heel de cohort bij.
28 Ze trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om;
29 ze vlochten een krans van doorns, zetten die op zijn hoofd, gaven Hem een rietstok in de rechterhand, vielen voor Hem op de knieën en dreven de spot met Hem door te zeggen: `Gegroet, koning van de Joden!’
30 En ze spuwden Hem in het gezicht, pakten de rietstok en sloegen Hem op zijn hoofd.
31 Toen ze zo de spot met Hem gedreven hadden, namen ze Hem de mantel af en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Ze leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
32 Toen ze de stad uitgingen, kwamen ze een man uit Cyrene tegen die Simon heette. Hem dwongen ze zijn kruis te dragen.
33 Ze kwamen bij een plaats die Golgota heet, wat Schedelveld betekent,
34 en daar gaven ze Hem een mengsel te drinken van wijn en gal. Toen Hij geproefd had, wilde Hij niet drinken.
35 Ze kruisigden Hem en verdobbelden zijn kleren.
36 Daar hielden ze zittend de wacht bij Hem.
37 Boven zijn hoofd hadden ze geschreven waaraan Hij schuldig bevonden was: `Dit is de koning van de Joden.’
38 Tegelijk met Hem werden er twee bandieten gekruisigd, een rechts en een links van Hem.
39 De voorbijgangers lasterden Hem en zeiden hoofdschuddend:
40 `Jij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red jezelf als je de Zoon van God bent, en kom van het kruis af.’
41 In diezelfde trant dreven ook de hogepriesters samen met de schriftgeleerden en oudsten de spot met Hem:
42 `Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden. Hij is koning van Israël, laat Hij dan nu van het kruis afkomen en wij zullen in Hem geloven.
43 Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld, laat die Hem redden, als Hij Hem mag. Hij heeft toch gezegd: Ik ben de Zoon van God.’
44 Op dezelfde manier maakten ook de bandieten die samen met Hem gekruisigd waren beledigende opmerkingen tegen Hem.

Jezus’ dood

45 Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur.
46 Rond het negende uur riep Jezus met luide stem uit:  `Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?
47 Sommigen die daar stonden, hoorden dat en zeiden: `Hij roept Elia.’
48 Meteen rende een van hen weg om een spons te halen, doopte die in wijn, stak hem op een rietstok en wilde Hem te drinken geven.
49 Maar de anderen zeiden: `Niet doen! Laten we eens kijken of Elia Hem komt redden.’
50 Maar Jezus schreeuwde opnieuw luidkeels en gaf de geest.
51 Op dat ogenblik scheurde het voorhangsel in de tempel van boven tot beneden in tweeën. De aarde beefde, de rotsen spleten uit elkaar,
52 de graven gingen open en de lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt.
53 Toen Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven en gingen ze naar de heilige stad, waar ze aan velen verschenen.
54 Toen de centurio en zijn mannen, die bij Jezus de wacht hielden, de aardbeving zagen en wat er allemaal gebeurde, werden ze vreselijk bang. Ze zeiden: `Werkelijk, Hij was de Zoon van God.’

Begrafenis van Jezus

55 Op een afstand stonden daar ook veel vrouwen te kijken. Ze waren Jezus gevolgd uit Galilea en hadden Hem onderhouden.
56 Daar waren ook Maria van Magdala bij, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
57 Toen het avond geworden was, kwam een rijk man uit Arimatea, die Jozef heette; ook hij was leerling van Jezus geworden.
58 Hij vervoegde zich bij Pilatus om het lichaam van Jezus te vragen. Pilatus gaf toen het bevel om het aan hem af te staan.
59 Jozef nam het lichaam, wikkelde het in zuiver linnen,
60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en ging weg.
61 Maria van Magdala en de andere Maria waren daar tegenover het graf gaan zitten.

Wachters bij het graf

62 De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeeën samen naar Pilatus
63 en zeiden: `Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft: ` `Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden.”
64 Geef dus het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag. Want anders komen zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk: ` `Hij is opgewekt uit de doden.” Die laatste misleiding zou erger zijn dan de eerste.’
65 Pilatus zei tegen hen: `U krijgt een wacht. Ga veiligheidsmaatregelen treffen zoals u nodig acht.’
66 Ze gingen weg en na de steen verzegeld te hebben, beveiligden ze het graf met de wacht.
KBS Willibrord 1995

Geloofsbelijdenis

In U wil ik geloven, God.
Tussen de machten
van hebben en houden,
van berekening,
van geld en van winst,
is uw macht
als een machteloos zaadje,
neergelegd in mensen.

In U wil ik geloven, God.
Gij hebt uw gezicht getoond
in Jezus, die mens uit Nazareth,
een dorpje van niets,
een plaats vanwaar niemand iets verwachtte.
Hij leerde ons: uw macht bouwt niet
op grootheid en geweld,
op bezwerende woorden en daverende bewijzen.
Uw macht zit verscholen in de kracht van mensen
die elkaar bij de arm nemen om op te staan.

In U wil ik geloven, God.
Door uw Geest wil ik me laten leiden,
uw Geest van liefde en leven. Amen.
naar De Pinte

Voorbeden 1

Meer dan wie ook wist Jezus zich door God bemind.
En die gelovige zekerheid gaf zin en richting aan zijn leven.
Daarom mogen we, in zijn naam,
al wat er in ons hart leeft, aan God aanreiken.

-Voor allen die liefdevol in het leven staan
en, vertrouwend op de Heer,
de weg gaan van eenvoud en dienstbaarheid,
van vrede en verzoening,
van liefde en gerechtigheid.
Laten wij bidden…

-Voor allen die een zware last te dragen hebben
en uitzien naar verlichting en bemoediging.
Voor allen die, in de schaduw van het kruis,
wachten tot Gods liefde ook voor hen voelbaar wordt.
Laten wij bidden…

-Voor ieder van ons,
voor ouders en kinderen, mannen en vrouwen.
Dat wij in geloof
vandaag ‘hosanna’ zingen
en in de komende week kunnen mee-lijden met wat Jezus wordt aangedaan.
Laten wij bidden…

-Voor zieken en stervenden.
Dat zij in de liefdevolle nabijheid van familie en vrienden
ook God nabij mogen weten.
Laten wij bidden…

Heer onze God,
kruis en lijden hebben niet het laatste woord.
Gij redt waar uw verlossing toegelaten wordt.
Luister naar onze gebeden
en vervul ze met uw kracht door Jezus, onze Heer. Amen.

Voorbeden 2

In verbondenheid met Jezus,
die tot op het kruis zijn vertrouwen bleef stellen in God, zijn Vader,
willen wij bidden.

-Voor hen die zich, waar ook ter wereld, inzetten voor gerechtigheid,
die opkomen voor de kansarmen
die oprecht naar vrede streven,
maar slechts onwil en tweedracht op hun weg vinden.
Dat de zachte waarden het mogen winnen.
Laten we bidden…

-Voor hen die, in het groot en in het klein, uit zijn op verzoening,
maar daarbij op halsstarrigheid stuiten.
Voor hen die eenvoudig zijn,
maar om hun zachtmoedigheid worden geminacht.
Dat de zachte krachten het mogen winnen.
Laten we bidden…

-Voor hen die de mensenrechten verdedigen,
maar geen gehoor vinden.
Voor hen die proberen de moed erin te houden,
maar door het doemdenken van anderen worden belaagd.
Dat de zachte krachten het mogen winnen.
Laten we bidden…

Heer, onze God,
kruis en lijden hebben bij U niet het laatste woord.
Gij redt mensen die op U vertrouwen.
Hoor naar ons gebed en vervul ons met uw kracht,
in Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Gebed over de gaven

Gij die mensen roept en hen vraagt zich voor anderen in te zetten,
Gij die op onze medewerking rekent
om de schreeuw om hulp te beantwoorden,
wij bidden U:
neem deze gaven van ons aan.
Deze gaven waarmee wij ons engagement willen bevestigen.
Maar weet dat wij maar zwakke mensen zijn.
Daarom vragen wij om steun en sterkte,
om bemoediging door uw Geest,
zodat wij kunnen blijven meegaan
op de weg die uw Zoon is gegaan. Amen.

Tafelgebed + Onze Vader

God wij danken U dat wij U mogen ontmoeten
over grenzen van talen en culturen heen.

Wij zeggen U dank, God,
voor de vriendschap en de kracht die van mensen kunnen uitgaan
en om het wonder dat liefde heet.

Wij danken U, God, voor deze gemeenschap.
Dat er mensen zijn, hier ter plekke,
die elkaars hand vasthouden en elkaar bemoedigen.
Maar bovenal danken wij U voor Jezus, uw Zoon,
die al weldoende rondging
en zo uw zorg voor ons zichtbaar maakte.
Hij is ons Voorbeeld.
Om U te eren, God, spreken wij deze lofzang uit:

Heilig, heilig, heilig de Heer,
de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in de hoge.

De mens bij uitstek was Jezus van Nazareth,
ingehaald als een koning,
toegezwaaid met palmen, toegezongen met ‘hosanna’.
Daarna verguisd
omdat zijn koningschap niet van deze wereld was.

Koninklijk in de waarheid,
prachtig in de liefde,
een en al zorg voor misdeelden en onderdrukten,
voor weerlozen en zieken,
voor iedereen.
Zo was en is Hij, Jezus, onze Heer.

Hoor God, onze woorden van dank om koning Jezus,
die het als zijn roeping zag
om, overal waar Hij kwam, te dienen.
Die de eenvoud van een ezel verkoos
boven macht over mensen.

Hij baande voor ons de weg.
Wij bidden dat ook wij die weg kunnen gaan:
een weg van eenvoud,
een weg van dienen,
een Koninklijke weg van zorg voor elkaar.

Om ons te helpen die weg te gaan,
wou Hij voor altijd bij ons blijven.
Daarom gaf Hij, vlak voor Hij heenging,
een teken van zijn blijvende aanwezigheid in ons midden.
Hij nam wat brood, sprak een dankgebed uit,
brak het en deelde het rond en zei:
“Neem het en eet ervan,
want dit is mijn Lichaam, mijn Leven,
voor u gebroken, aan u toevertrouwd.”

Zo deed Hij ook met de wijn,
liet hem rondgaan en zei:
“Drink uit deze beker.
Het is de beker van een nieuw verbond:
van verbondenheid tussen mensen
als sacrament van Gods verbondenheid met alle mensen.
Dit mijn bloed,
vergoten tot verzoening, tot vrede op aarde.

Doe dit in de toekomst telkens opnieuw:
breek met elkaar brood en deel wijn rond
terwijl jullie Mij gedenken.
Dan zal Ik leven in jullie midden.”

Verkondigen wij de kern van ons geloof:

Als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker,
verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt.

Beziel ons met uw Geest, God.
Dan zullen wij, geïnspireerd door uw voorbeeld,
elkaar bewaren
en met elkaar bouwen aan meer menswaardigheid.
Dan zullen wij niet zwichten voor macht en eigenbaat,
maar waakzaam zijn om tekenen van hoop te zien.
En moge wijzelf zo’n teken worden.

God, wij danken U om dit teken van uw nabijheid.
Moge wij het verhaal van Jezus, uw Zoon,
onder ons levend houden
en daaruit de moed putten
om steeds opnieuw de weg te gaan
van Palmzondag naar Pasen,
ook al kunnen wij niet om Goede Vrijdag heen.

Om die moed en die hoop willen wij samen bidden
met de woorden die Jezus zelf ons heeft aangereikt.
Onze Vader…

Vredeswens

Heer Jezus,
Gij wenst ons uw vrede toe.
Gij wilt dat iedere plaats een stad van vrede wordt.
Schenk ons de moed om ons met elkaar te verzoenen
en vrede te stichten tot opbouw van uw Rijk.
De vrede van de Heer zij altijd met u.
En geven wij elkaar een teken van vrede en vriendschap.

Lam Gods

Communie 1

Jezus bad:
“Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan.
Maar niet mijn wil maar uw wil geschiede”.
Dit is het Lam Gods
dat door zijn dood de zonden van de wereld heeft weggeno­men.
Heer, ik ben niet waardig…

Communie 2

Zusters en broeders,
de tafel van de Heer is gedekt opdat wij het voorbeeld
dat Hij ons gaf, niet zouden vergeten.
Eten wij van dit brood als teken van verbondenheid met Hem.
Dit is het Lam Gods …

Bezinning 1

Het is de krachtigste week van het jaar.

Het is een stille week.
Zoveel onrecht.
Zoveel lijden.
Zoveel verlies.

Het is een goede week.
Zoveel trouw.
Zoveel overgave.
Zoveel moed.

Het is een heilige week.
Zoveel herkenning.
Zoveel verbondenheid.
Zoveel hoop.

Het is de krachtigste week van het jaar.
Stenen worden weggerold.
Duisternis wordt verlicht.
Graankorrel wordt kiemkracht.
Jean-Paul Vermassen

Bezinning 2

Aan de poorten van de stad
dragen kinderen palmtakken
en olijftwijgen.
Ze zingen luidkeels:
“Hosanna, eer aan onze koning”.

Aan de poorten van de stad
spreiden de mensen hun mantels ter aarde
om een tapijt te vormen voor Hem
die ze hebben gekozen
om over hen te regeren.

Aan de poorten van de stad
en met onze groene palmen in de hand,
hebben wij Christus verwelkomd.
Hij gaat de dood tegemoet
om ons ervan te bevrijden.

Dát is de Goede Week:
de tijd van Gods genade.
Zevergem

Slotgebed

God, laat ons vandaag blij zijn en feesten
voor wie Jezus voor ons is geweest en is.
Zijn voorbeeld van goedheid zet ons aan
om ook verder goed te zijn en goed te doen.
Laat ons thuis een huis van goedheid en vrede bouwen,
een plaats vol begrip en medeleven,
waar iedereen stil en ongedwongen
zijn best doet om zoveel mogelijk voor de ander te doen.
Dan zullen velen bij ons komen als gast.
Dan zal God daar ook aanwezig zijn
omdat vrede en liefde er de bouwstenen zijn. Amen.
naar Jocelyne Claeys


Zending en zegen

Neem een palmtakje mee naar huis
en hang het in de huiskamer, leg het in je auto of op je werktafel.
Het zal altijd weer herinneren aan de overwinning van Jezus op de dood.
Maar eerst moeten we deze week nog de weg van lijden, breken en delen gaan.
En daartoe zegene ons: + de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.
Izegem

Dit bericht is geplaatst in Zondagsvieringen met de tags . Bookmark de permalink.