Palmzondag A 2008

(16 03 2008 )

Begroeting

Welkom + in de naam van de Vader
die zich onder ons heeft laten zien in zijn Zoon, Jezus Christus,
en in de heilige Geest. Amen.

Openingswoord

Palmzondag is de inzet van de Goede Week,
de week waarin mensen, overal ter wereld,
stil staan, zich bezinnen en herdenken
hoe één van hen welkom was en op gejuich werd onthaald,
werd bespied en opgepakt.
Hoe één van hen afscheid van het leven nam
en in brood en beker zijn testament schreef.
Hoe één van hen werd veroordeeld om wat hij deed
en gekruisigd werd om wie hij was;
één van hen, Jezus Christus.

Palmtakken, voor christenen wereldwijd
symbool voor de blijde, bejubelde intocht van Jezus in Jeruzalem.
Wij zegenen deze takken die straks bij ons thuis een kruisje zullen sieren,
als hulde aan die Jezus,
een heel jaar lang.

Gebed bij de palmwijding

Al wat komt gaat voorbij.
Al wat bloeit verdort ook weer.
Maar Gij, God,
zo zegt dit groen,
Gij zijt die blijft.

Alle begin kent een einde.
Ieder van ons weet dat ooit het uur van scheiden komt.
Maar Gij, God, zegt ons hart,
Gij zijt de Eeuwige.

De hele schepping snakt naar voltooiing
– de mens onderweg naar verlossing –
en Gij, God, zo is de boodschap van deze palm,
Gij zijt het op wie wij hopen.

Zegen daarom allen, hier of waar dan ook,
zegen allen die kost wat kost gerechtigheid willen doen zege­vieren,
zegen dit groen dat de winter overleeft,
zegen deze takken, hoopvolle tekens van leven op aarde,
zegen deze twijgen, kwetsbaar houvast in weer en wind,
zegen deze palm +
zegen ook het huis waar deze palm zal worden geplaatst, zegen ons opdat wij opnieuw tot leven komen langs de weg van Jezus Christus,
zegen ons tot gemeenschap met Hem,
die in Gods naam gekomen is om vrede en verlossing te brengen,
Jezus Christus, Uw Zoon en onze broeder,
in U voltooid voor eeuwig. Amen.


Evangelielezing (Matteüs 21,1-11)

Als afsluiting van deze palmwijding luisteren wij naar het verhaal van Jezus’ in­tocht in Jeru­zalem.

De groep naderde Jeruzalem
en kwam in Betfage op de Olijfberg.
Daar stuurde Jezus twee leerlingen eropuit met de opdracht:
“Ga naar het dorp daar vlak voor je.
Jullie zullen er meteen een ezelin vinden
die vastgebonden staat
en een veulen bij zich heeft.
Maak ze los en breng ze bij Me.
En als iemand jullie iets zegt, zeg dan:
‘De Heer heeft ze nodig,
maar Hij stuurt ze meteen terug.'”
Dit is gebeurd opdat vervuld zou worden
wat bij monde van de profeet gezegd is:
Zeg tegen de dochter Sion:
zie, uw koning komt naar u toe,
zachtmoedig en zittend op een ezel,
op een veulen, het jong van een lastdier.
De leerlingen gingen en deden wat Jezus hun opgedragen had.
Ze brachten de ezelin en het veulen,
legden er kleren overheen,
en Hij ging erop zitten.
Zeer veel mensen spreidden hun kleren op de weg,
anderen sneden takken van de bomen
en legden die op de weg.
Zowel de menigte die voor Hem uitging
als die welke Hem volgde, schreeuwde:
“Hosanna, de Zoon van David.
Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.
Hosanna in de hoogste hemel.”
Toen Hij Jeruzalem binnengetrokken was,
kwam de hele stad in beweging
en ze vroegen: “Wie is dat?”
De mensen zeiden:
“Dat is de profeet,
Jezus uit Nazaret in Galilea.”

Vergevingsmoment

Hoe kon de massa
die Christus op Palmzondag zo enthousiast onthaalde in hun stad,
de vrijdag daarop schreeuwen: “Weg met Hem”?
Wat zouden wij gedaan hebben?
Hoe vlug schrijven ook wíj niet iemand af?
Staan we wel eens stil bij dergelijke zaken?
Vragen wij daarom om vergeving.

Als wij wegen gaan die de uwe niet zijn, God,
zoekt Gij ons telkens weer op,
opdat ook wij U zouden zoeken
en elkaar terugvinden in vriendschap en vrede.

Heer, leer ons elkaar vergeven
zoals Gij ons vergeeft.

God, Gij spijkert ons niet vast op ons verleden
maar geeft ons telkens weer de kans om opnieuw te beginnen,
opdat ook wij elkaar die nieuwe kansen zouden geven.

Heer, leer ons elkaar vergeven
zoals Gij ons vergeeft.

God, bij wie liefde
het eerste en laatste woord is,
geef dat wij woorden van vergeving vinden
die anderen en onszelf toegankelijk maken
voor U en voor elkaar,
in de vrede van Jezus, uw Zoon en onze Heer.
Amen.

Openingsgebed

God zegt tot ons:
Jullie maken het wel moeilijk
voor die Zoon van Mij.
Vandaag juichen jullie Hem toe
als de nieuwe koning
en bieden Hem een prachtige intrede aan
met jullie mantels als rode loper
en met palmtakken in de hand.
Maar volgende week zal van dat alles
nog weinig overblijven.
Jullie zullen ook dan nog wel langs de kant staan,
maar dan niet meer om Jezus toe te juichen
maar om Hem na te staren
wanneer Hij opnieuw door de straten loopt
met een kruis op zijn schouders.
Willen jullie Hem ook dan nog achterna gaan?
En geloven jullie dat ook die ontmoeting ‘nieuw leven’ geeft?

Lezingen

– In de eerste lezing legt Paulus ons de betekenis uit van wat wij in deze Goede Week herdenken. (Filippenzen 2,6-11)
– Daarna luisteren wij naar het lijdensverhaal zoals Matteüs het heeft opgetekend.

Eerste lezing (Jesaja 50,4-7)

4 De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken,
om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan.
Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,
in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen.
5 De Heer God heeft mijn oor geopend,
en ik heb mij niet verweerd,
ik ben niet teruggedeinsd.
6 Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,
en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;
mijn gezicht heb ik niet onttrokken
aan beschimping en bespuwing.
7 De Heer God staat mij bij,
daarom kom ik niet bedrogen uit;
daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen,
omdat ik weet dat ik niet beschaamd zal worden.
KBS Willibrord 1995

Tweede lezing (Filippenzen 2,6-11)

6 Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
7 Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
8 heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.
9 Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
10 opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
11 en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
de Heer, dat is Jezus Christus.
KBS Willibrord 1995

Inleiding op het lijdensverhaal

Omdat Jezus van Nazareth een struikelsteen was
voor de kerkelijke autoriteiten van zijn tijd,
omdat Hij een blok was aan hun been,
besloten zij om Hem uit de weg te ruimen.
Zij betaalden Judas, één van de twaalf, dertig zilverlingen voor het verraad.

Evangelie (Matteüs 26,14-75; 27, 1-66)

14 Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette, naar de hogepriesters
15 en zei: `Wat wilt u me geven, als ik Hem aan u overlever?’ Ze telden dertig zilverstukken voor hem uit.
16 Vanaf toen zocht hij een gunstig moment om Hem over te leveren.
Voorbereiding van het paasmaal
17 Op de eerste dag van het feest van de ongedesemde broden kwamen de leerlingen Jezus vragen: `Waar wilt U dat wij het paasmaal voor U voorbereiden?’
18 Hij zei: `Ga naar de stad, naar die en die, en zeg hem: ` `De meester laat weten: Mijn tijd is nabij. Bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.” ‘
19 De leerlingen deden wat Jezus hun opgedragen had, en ze maakten het paasmaal klaar.

Laatste avondmaal

20 Toen de avond gevallen was, was Hij met de twaalf aan tafel.
21 Tijdens de maaltijd zei Hij: `Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij overleveren.’
22 Buitengewoon bedroefd als ze waren, begonnen ze Hem één voor één te vragen: `Ik ben het toch niet, Heer?’
23 Hij gaf hun ten antwoord: `Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren.
24 De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat, maar wee die mens door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt. Het zou beter zijn voor die mens, als hij niet geboren was.’
25 Judas, die Hem wilde overleveren, reageerde: `Ik ben het toch niet, rabbi?’ Hij zei tegen hem: `Jij hebt het gezegd.’
26 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak de zegenbede uit, brak het, gaf het aan zijn leerlingen en zei: `Neem en eet, dit is mijn lichaam.’
27 Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die met de woorden: `Drink er allen uit,
28 want dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.
29 Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot de dag waarop Ik met jullie de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’
30 Na het zingen van de psalmen gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg.

Ze zullen allemaal ten val komen

31 Toen zei Jezus tegen hen: `Deze nacht nog zullen jullie allemaal ten val komen vanwege Mij, want er staat geschreven: Ik zal de herder treffen, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.
32 Maar na mijn opwekking zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’
33 Petrus reageerde daarop en zei: `Al komen ze allemaal ten val vanwege U, ik zal nooit ten val komen.’
34 Jezus zei Hem: `Ik verzeker je, in deze nacht, nog voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’
35 Petrus zei Hem: `Ook al moet ik samen met U sterven, ik zal U niet verloochenen.’ In deze trant spraken alle leerlingen.

In Getsemane

36 Toen ging Jezus met hen naar een plek die Getsemane genoemd wordt, en Hij zei tegen zijn leerlingen: `Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.’
37 Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee en begon bedrukt en onrustig te worden.
38 Toen zei Hij tegen hen: `Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier, en blijf wakker met Mij.’
39 Hij ging een eindje verder, wierp zich voorover en bad: `Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.’
40 Hij ging terug naar de leerlingen en vond hen in slaap, en Hij zei tegen Petrus: `Konden jullie dan niet één uur wakker blijven met Mij?
41 Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken. De geest is wel van goede wil, maar het vlees is zwak.’
42 En weer, voor de tweede maal, ging Hij bidden: `Mijn Vader, als het niet mogelijk is dat deze beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink, laat uw wil dan geschieden.’
43 Toen Hij terugkwam, vond Hij hen wederom in slaap, want hun ogen waren zwaar.
44 Hij liet hen achter en ging opnieuw bidden, voor de derde keer, met weer dezelfde woorden.
45 Toen kwam Hij naar de leerlingen en zei tegen hen: `Slaap nu maar rustig verder. Nu is het uur nabij dat de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars.
46 Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.’
Arrestatie van Jezus

47 Hij was nog niet uitgesproken of Judas kwam eraan, een van de twaalf, en hij had een grote bende bij zich met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters en oudsten van het volk.
48 Hij die Hem overleverde, had een teken met hen afgesproken: `Degene die ik zal kussen, die is het. Grijp Hem.’
49 Hij ging recht op Jezus af en zei: `Gegroet, rabbi!’, en kuste Hem.
50 Jezus zei tegen hem: `Vriend, ben je daarvoor hier!’ Toen kwamen ze dichterbij, grepen Jezus en overmeesterden Hem.
51 En kijk, een van de volgelingen van Jezus greep naar zijn zwaard, trok het, sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem zijn oor af.
52 Toen zei Jezus tegen hem: `Steek je zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.
53 Of denk je dat Ik mijn Vader niet te hulp kan roepen? Dan zal Hij Me dadelijk bijstaan met meer dan twaalf legioenen engelen.
54 Hoe zullen dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo moet gebeuren?’
55 Op dat ogenblik zei Jezus tegen de bende: `Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en stokken op Mij afgekomen om Mij in handen te krijgen. Dag in dag uit zat Ik in de tempel onderricht te geven en u hebt Mij niet opgepakt.
56 Maar dit alles is gebeurd, opdat de geschriften van de profeten vervuld zouden worden.’ Toen lieten de leerlingen Hem allemaal in de steek en vluchtten weg.

Verhoor door de hogepriester

57
Maar zij die Jezus gegrepen hadden, brachten Hem naar de hogepriester Kajafas, waar de schriftgeleerden en de oudsten bij elkaar gekomen waren.
58 Petrus volgde Hem op een afstand tot de binnenplaats van het paleis van de hogepriester, en eenmaal binnen ging hij bij de knechten zitten om te zien hoe het zou aflopen.
59 De hogepriesters en heel het Sanhedrin zochten valse getuigenissen tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen.
60 Maar ze vonden niets, hoewel er veel valse getuigen naar voren traden. Ten slotte kwamen er twee naar voren
61 die verklaarden: `Die man heeft gezegd: ` `Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen opbouwen.” ‘
62 De hogepriester ging staan en zei tegen Hem: `U antwoordt niets? Wat brengen ze wel niet tegen U in?’
63 Maar Jezus bleef zwijgen. De hogepriester zei tegen Hem: `Ik bezweer U bij de levende God dat U ons zegt of U de Messias bent, de Zoon van God.’
64 Jezus zei tegen Hem: `U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel.’
65 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: `Hij heeft God gelasterd. Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt nu toch de godslastering gehoord.
66 Wat vindt u?’ Ze gaven ten antwoord: `Hij verdient de doodstraf.’
67 Toen spuwden ze Hem in het gezicht en sloegen Hem.
68 Anderen sloegen Hem met een stok en zeiden: `Profeteer nu eens voor ons, Messias. Wie was het die je heeft geslagen?’

Verloochening door Petrus

69 Petrus zat buiten op de binnenplaats. Er kwam een slavin naar hem toe, die zei: `Jij was ook bij die Jezus van Galilea.’
70 Maar hij ontkende het waar iedereen bij was: `Ik weet niet waar je het over hebt.’
71 Hij ging naar het portaal en een andere slavin zag hem daar en ze zei tegen wie daar stonden: `Die man daar was bij Jezus de Nazoreeër.’
72 Opnieuw ontkende hij onder ede: `Ik ken die man niet.’
73 Na een tijdje kwamen de omstanders dichterbij en zeiden tegen Petrus: `Inderdaad, jij hoort ook bij hen; trouwens, jouw spraak verraadt je.’
74 Toen begon hij te vloeken en te zweren: `Ik ken die man niet.’ En meteen kraaide er een haan.
75 Petrus herinnerde zich wat Jezus gezegd had: `Voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ Hij ging naar buiten en huilde bittere tranen. Het lot van Judas
27 1 ’s Morgens vroeg namen alle hogepriesters en oudsten van het volk het besluit om Jezus te doden.
2 Ze boeiden Hem, voerden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
3 Toen Judas, die Hem overleverde, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij spijt en bracht hij de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters en oudsten,
4 met de woorden: `Ik heb een misdaad begaan door onschuldig bloed over te leveren.’ Maar ze zeiden: `Wat gaat ons dat aan? Dat moet u zelf maar zien.’
5 En hij gooide de zilverstukken in de tempel en ging zich ophangen.
6 De hogepriesters namen de zilverstukken en zeiden: `We mogen ze niet bij de offergave doen, omdat het bloedgeld is.’
7 Ze besloten er het land van de pottenbakker van te kopen, om er de vreemdelingen te begraven.
8 Daarom wordt dat land Bloedakker genoemd, tot op de dag van vandaag.
9 Toen werd het woord vervuld dat bij monde van de profeet Jeremia gesproken is: En ze namen de dertig zilverstukken, de fraaie prijs waarop de zonen van Israël Hem geschat hadden,
10 en ze gaven die voor het land van de pottenbakker, zoals de Heer mij had opgedragen.

Voor Pilatus

11
 Jezus werd voor de gouverneur geleid. De gouverneur stelde Hem de vraag: `Bent U de koning van de Joden?’ Jezus zei: `U zegt het zelf.’
12 Op de beschuldigingen die door de hogepriesters en oudsten tegen Hem ingebracht werden, antwoordde Hij niets.
13 Toen zei Pilatus tegen Hem: `Hoort U niet waar ze U allemaal van beschuldigen?’
14 Hij gaf hem nergens antwoord op, zodat de gouverneur zeer verbaasd stond.
15 Het was de gewoonte van de gouverneur om bij een feest één gevangene vrij te laten, en wel degene die het volk wilde.
16 Ze hadden toen een beruchte gevangene, die Jezus Barabbas heette.
17 Omdat ze nu toch bij elkaar waren, zei Pilatus hun: `Wie wilt u dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die Messias genoemd wordt?’
18 Want hij wist dat ze Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
19 Terwijl hij rechtszitting hield, stuurde zijn vrouw hem het bericht: `Laat je niet in met die rechtvaardige man, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem moeten verduren.’
20 De hogepriesters en oudsten haalden de menigte over om Barabbas te vragen en Jezus te laten doden.
21 De gouverneur vroeg hun opnieuw: `Wie van de twee wilt u dat ik vrijlaat?’ `Barabbas’, zeiden ze.
22 Pilatus zei tegen hen: `Wat moet ik dan met Jezus doen, die Messias genoemd wordt?’ Ze riepen allemaal: `Kruisig Hem.’
23 Maar hij zei: `Wat voor kwaad heeft Hij dan eigenlijk gedaan?’ Ze schreeuwden nog harder: `Kruisig Hem.’
24 Toen Pilatus zag dat het niets hielp, maar dat de onrust steeds groter werd, nam hij water en waste zijn handen voor de ogen van het volk. Hij zei: `Ik ben onschuldig aan dit bloed. U moet zelf maar zien.’
25 Heel het volk riep als antwoord: `Zijn bloed op ons en onze kinderen!’
26 Toen liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en leverde hij over om gekruisigd te worden.

Bespotting en kruisiging

27 Toen namen de soldaten van de gouverneur Jezus mee naar het pretorium en haalden er heel de cohort bij.
28 Ze trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om;
29 ze vlochten een krans van doorns, zetten die op zijn hoofd, gaven Hem een rietstok in de rechterhand, vielen voor Hem op de knieën en dreven de spot met Hem door te zeggen: `Gegroet, koning van de Joden!’
30 En ze spuwden Hem in het gezicht, pakten de rietstok en sloegen Hem op zijn hoofd.
31 Toen ze zo de spot met Hem gedreven hadden, namen ze Hem de mantel af en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Ze leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
32 Toen ze de stad uitgingen, kwamen ze een man uit Cyrene tegen die Simon heette. Hem dwongen ze zijn kruis te dragen.
33 Ze kwamen bij een plaats die Golgota heet, wat Schedelveld betekent,
34 en daar gaven ze Hem een mengsel te drinken van wijn en gal. Toen Hij geproefd had, wilde Hij niet drinken.
35 Ze kruisigden Hem en verdobbelden zijn kleren.
36 Daar hielden ze zittend de wacht bij Hem.
37 Boven zijn hoofd hadden ze geschreven waaraan Hij schuldig bevonden was: `Dit is de koning van de Joden.’
38 Tegelijk met Hem werden er twee bandieten gekruisigd, een rechts en een links van Hem.
39 De voorbijgangers lasterden Hem en zeiden hoofdschuddend:
40 `Jij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red jezelf als je de Zoon van God bent, en kom van het kruis af.’
41 In diezelfde trant dreven ook de hogepriesters samen met de schriftgeleerden en oudsten de spot met Hem:
42 `Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden. Hij is koning van Israël, laat Hij dan nu van het kruis afkomen en wij zullen in Hem geloven.
43 Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld, laat die Hem redden, als Hij Hem mag. Hij heeft toch gezegd: Ik ben de Zoon van God.’
44 Op dezelfde manier maakten ook de bandieten die samen met Hem gekruisigd waren beledigende opmerkingen tegen Hem.

Jezus’ dood

45 Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur.
46 Rond het negende uur riep Jezus met luide stem uit:  `Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?
47 Sommigen die daar stonden, hoorden dat en zeiden: `Hij roept Elia.’
48 Meteen rende een van hen weg om een spons te halen, doopte die in wijn, stak hem op een rietstok en wilde Hem te drinken geven.
49 Maar de anderen zeiden: `Niet doen! Laten we eens kijken of Elia Hem komt redden.’
50 Maar Jezus schreeuwde opnieuw luidkeels en gaf de geest.
51 Op dat ogenblik scheurde het voorhangsel in de tempel van boven tot beneden in tweeën. De aarde beefde, de rotsen spleten uit elkaar,
52 de graven gingen open en de lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt.
53 Toen Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven en gingen ze naar de heilige stad, waar ze aan velen verschenen.
54 Toen de centurio en zijn mannen, die bij Jezus de wacht hielden, de aardbeving zagen en wat er allemaal gebeurde, werden ze vreselijk bang. Ze zeiden: `Werkelijk, Hij was de Zoon van God.’Begrafenis van Jezus
55 Op een afstand stonden daar ook veel vrouwen te kijken. Ze waren Jezus gevolgd uit Galilea en hadden Hem onderhouden.
56 Daar waren ook Maria van Magdala bij, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
57 Toen het avond geworden was, kwam een rijk man uit Arimatea, die Jozef heette; ook hij was leerling van Jezus geworden.
58 Hij vervoegde zich bij Pilatus om het lichaam van Jezus te vragen. Pilatus gaf toen het bevel om het aan hem af te staan.
59 Jozef nam het lichaam, wikkelde het in zuiver linnen,
60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en ging weg.
61 Maria van Magdala en de andere Maria waren daar tegenover het graf gaan zitten.

Wachters bij het graf

62 De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeeën samen naar Pilatus
63 en zeiden: `Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft: ` `Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden.”
64 Geef dus het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag. Want anders komen zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk: ` `Hij is opgewekt uit de doden.” Die laatste misleiding zou erger zijn dan de eerste.’
65 Pilatus zei tegen hen: `U krijgt een wacht. Ga veiligheidsmaatregelen treffen zoals u nodig acht.’
66 Ze gingen weg en na de steen verzegeld te hebben, beveiligden ze het graf met de wacht.

KBS Willibrord 1995

Geloofsbelijdenis

Spreken wij nu ons geloof uit in God
die in ons midden is als Vader, Zoon en Geest.

Ik geloof in Hem die wij noemen: Ik zal er zijn voor u.

Hij is de kern, de bron van al wat bestaat.
Op Hem wil ik mij richten
en zijn voorbeeld maken
tot de leidraad van mijn leven.

Ik geloof in Jezus.

In Hem heeft onze God een menselijk gelaat gekregen.
In Hem is de belofte van de Vader werkelijkheid geworden.
Ik geloof dat Hij niet vergeefs heeft geleefd
en niet vergeefs is gestorven,
maar dat Hij elke dag opnieuw verrijst
in mensen die zijn liefde belichamen.

Ik geloof in zijn Geest,

die ook vandaag mensen bezielt,
die hen aanzet om zijn manier van leven
tot de hunne te maken,
om de weg te gaan van breken en delen,
van goedheid en verbondenheid,
van recht en vrede,
altijd weer ten bate van iedereen. Amen.

Voorbeden

– Voor onszelf en onze gemeenschap:
dat ons geloof meer mag zijn dan het “hosanna” van de intocht,
dat we in onszelf vastberadenheid vinden
om consequent te leven naar ons geloof.
Laten wij bidden…

– Bidden wij voor alle gezagsdragers:
voor koningen, presidenten, regeringsleiders;
voor paus en bisschoppen…
dat zij het voorbeeld van Jezus volgen.
Jezus was dienstbaar aan allen, aan groot en klein.
Laten wij bidden…

– Bidden wij voor allen die gebukt gaan onder hun kruis
dat zij iemand als Simon van Cyrene mogen vinden
die zo hun lasten verlicht.
Laten wij bidden…

Gebed over de gaven

God en Vader,
in brood en wijn gedenken wij Jezus,
uw dienstknecht, uw uitverkorene,
vernederd tot in de dood,
verheven tot nieuw leven met U.
Voed ons met deze gaven,
richt ons op
en maak ons tot mensen naar uw hart. Amen.


Tafelgebed

Met hart en ziel danken wij U, God,
die door uw Geest
onze geest voortdurend vernieuwt
opdat wij de wereld
mensvriendelijker zouden maken.
Uw Geest stimuleert ons
om te geloven in Jezus
en Hem te belijden voor alle mensen
als de Heer,
als de hoop van de wereld.
Daarom loven wij U met de woorden
die uw Geest ons heeft ingegeven:

Heilig, heilig, heilig…

Laat ons nooit vergeten, barmhartige Vader,
dat onze verlosser Jezus Christus
de Heer is,
dat Hij mens is geworden,
die Emmanuel,
dat is: God-met-ons,
genoemd wordt.

Laat ons nooit vergeten
dat Hij de wereld heeft gezien met onze ogen,

dat Hij onze woorden gesproken heeft,
dat Hij onze vreugde en onze nood heeft gekend,
dat Hij het werk van een mens heeft verricht
en dat Hij ons brood gegeten heeft.
Laat ons nooit vergeten
dat Hij de Mensenzoon is
– mens onder de mensen –
die meer heeft geloofd in de mens,
meer heeft gehoopt en bemind
dan wij ooit kunnen.

Laat ons nooit vergeten
dat ons geloof, dwars door alle leed,

dat onze hoop over de dood heen,
dat onze liefde tegen alle machten in,
ons doen gelijken op Hem
die Gods gelijke genoemd mocht worden.

Laat ons nooit vergeten dat ook Hij
weerloos heeft moeten buigen
voor het geweld en de macht.

Laat ons nooit vergeten
dat de machtigen Hem geslagen hebben

tot de dood toe
omdat Hij leerde dat Gij zijn vader zijt,
dat wij gered worden door ons geloof in U,
dat onze hoop op U nooit wordt teleurgesteld,
dat uw liefde geen grenzen kent
en dat vooral de armen en de kleinen
door die boodschap blij kunnen worden.

Laat ons nooit vergeten
dat Hij op de vooravond
van dat lijden en die dood
in het breken van het brood
en het rondreiken van de beker
het teken heeft gesteld
dat ons in zijn naam en zijn liefde samenbrengt.

Want die avond
heeft Hij het brood in zijn handen genomen,
Hij heeft zijn ogen opgeslagen
naar U, God en Vader,
Hij heeft U dank gezegd,
het brood gebroken
en aan zijn leerlingen uitgedeeld met de woorden:
“Neem en eet,
dit is mijn lichaam voor u.”

Zo nam Hij ook de beker,
sprak een dankgebed uit en zei:
“Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed
dat voor u en voor allen wordt vergoten
tot vergeving van zonden.
Telkens als gij van dit brood eet
en uit deze beker drinkt,
doe het dan om Mij te gedenken.”

Zijn dood gedenken wij,
zijn opstanding belijden wij,
zijn toekomst verwachten wij.

Wij zijn hier bijeen in zijn naam,
omdat wij mensen willen worden zoals Hij,
mensen die geloven in elkaar
en vertrouwen op U,
die hopen dat Gij uw belofte,
van een gelukkig leven zonder einde,
waar zult maken aan ieder van ons
en aan alle mensen van wie Gij houdt
en van wie wij houden,
en van wie wij blijven houden,
ook al zijn zij overleden.

Wij willen het brood breken
en wij zullen het eten,
wij zullen de beker rondreiken en drinken
in zijn naam
om de herinnering aan hem levend te houden
en om niet te vergeten
dat Hij de armen,
de treurenden,
de zachtmoedigen,
de hongerigen,
de barmhartigen,
de zuiveren,
de vredelievenden,
de vervolgden
en al wie hulp nodig heeft,
gelukkig heeft genoemd.

Geef ons die Geest van deemoed en liefde;
dan zullen wij gelukkig en blij worden

en U dankbaar huldigen:
door Christus,
met Christus,
in Christus,
hier rond deze tafel
en overal,
nu en alle dagen die ons gegeven zijn. Amen.

Onze Vader

Bij angst, verdriet en moeilijkheden
mogen wij steeds aankloppen bij God.
Ook Jezus deed dit in de Hof van Olijven.
Hij bad daar tot Diegene die Hij ‘zijn en onze Vader’ noemde.
Daarom mogen ook wij bidden:
Onze Vader…

Laat uw aangezicht over ons lichten, God,
en keer U tot ons.
Breng het goede dat in ons sluimert tot leven,
wek Jezus op in ons hart,
wek in ons zijn liefde en wijsheid,
zijn vergevensgezindheid en geduld.
Dan zullen we weer hoopvol kunnen wachten
op Jezus Messias, uw Zoon,
     Want van U is het koninkrijk …

Vredeswens

In een wereld waar de macht regeert,
de winnaar telt,
ging Jezus het smalle pad van eenvoud en dienstbaarheid,
en vond daarin zijn vrede.
Die vrede zij altijd met U
En met uw geest.
En wensen wij elkaar die Jezusvrede van harte toe.

Lam Gods

Communie

Zusters en Broeders,
de tafel van de Heer is gedekt opdat wij het voorbeeld
dat Hij ons gaf, niet zouden vergeten.
Eten wij van dit brood als teken van verbondenheid met Hem.
Dit is het Lam Gods …

Bezinning 1

Groene tak voor op het kruis,
breng zijn levensverhaal
in ons huis.

De dagen dat we jubelen
net zoals in die stoet
op Palmzondag.

De dagen dat we feesten
net zoals aan die tafel
op Witte Donderdag.

De dagen dat we treuren
net zoals bij het kruis
op Goede Vrijdag.

De dagen dat we hopen
net zoals aan ’t open graf
op Pasen.

Groene tak voor op het kruis,
wees welkom in ons huis
en voel je er thuis.
Antoon Vandeputte

Bezinning 2

Hij was maar een man op een ezel,
eenvoudig en zonder aanzien.
Zonder grote parade, zonder lijfwachten,
geen speciale veiligheidsmaatregelen,
geen afrasteringen,
geen geblokkeerde wegen.

Hij was maar een man op een ezel,
de koning der armen,
de Messias van dienst.
Zonder troon, zonder plechtige ontvangst van de overheid,
zonder diplomatieke aanwezigheid.

Hij was maar een man op een ezel,
vol aandacht voor de minstbedeelden,
vol zorg voor de uitgestotenen
en toch in verzet tegen uitbuiting en onrechtvaardigheid.

Hij was de man op de ezel,
de zachtste van alle mensen.
Hij reed op een zacht dier Jeruzalem binnen.
Laten wij Hem vandaag in ons leven binnen?
Maar moeten wij ons dan niet grondig veranderen
als wij zijn naam willen dragen?

Slotgebed

Vader van alle leven,
Gij die uit dorre winter en harde grond
het groen van de lente laat opschieten,
zegen hen die deze palm – symbool van blijvende hoop –
een plaats geven in hun huis.
Zegen allen die metterdaad
geloven in dit teken van leven en vrede. Amen.


Zegen en zending

Gij,
die uit dorre winter en harde grond,
het groen van de lente laat opschieten,
zegen hen die de palm een plaats geven
in hun huis, op hun land,
op de weg die ze gaan,
en niet in het minst in hun  eigen leven.
Zegen allen die geloven
in dit teken van vrede,
uitnodiging en uitdaging,
om de weg met Jezus te gaan.
Zegen hen deze dagen van de Goede Week
en alle dagen van hun leven
met  Uw  Naam,
+ Vader, Zoon en heilige Geest.

Ga in vrede, neem een palmtakje mee naar huis
en geef het, als teken van hoop, een plaatsje bij het kruis.

Dit bericht is geplaatst in Zondagsvieringen met de tags . Bookmark de permalink.