Opstand tegen de dood. Pasen 2013

Opstand tegen de dood. (Lc. 24,1-12)
Dat was dus het paasevangelie, goede vrienden, de verkondiging van de verrij­zenis van de Gekruisigde.
Zoals u hoorde, garandeert de paasbood­schap geen paas­vreug­de. Integendeel: de vrouwen, Petrus en de apostelen zijn gedeso­riënteerd. In ons verhaal ging het over angst, paniek en onbegrip – niet over paas­blij­heid dus. Gevoelens die benau­wend modern zijn. Want het is niet omdat het vandaag Pasen is dat het er morgen in de wereld vrolij­ker zal aan toe gaan. Onze TV-journaals en kranten zullen berich­ten blij­ven uit­braken over moord en doodslag, over seksueel misbruik en verkrach­ting, over fraude en doof­potten.
Pasen of geen Pasen, Christus wordt doodgewoon verder gekrui­sigd. Dag na dag. Uiteraard gaat het niet alleen over Christus kruisigen in ’t groot… ook wij kunnen handig overweg met hamer en spijkers. Spijkerhard kunnen onze woorden zijn. En onze roddel is het hout waarop wij anderen te schande hangen. Steeds nieuwe kruisen op steeds meer Gol­gotha’s. In ’t groot, in ’t klein. Je wordt er moedeloos van. Je zou in een holletje willen wegkruipen, weg van dat alles, en het afsluiten met een grote grafsteen.

Als u zich hierin enigszins erkent, laat dan de Paasverrijzenis ook aan u gebeuren.
En zeg nu niet: Pasen? Ach, ik kan me zo weinig voor­stellen bij woorden als ‘verrijzen’ en ‘opstanding uit de dood’.
Daarover je kop breken is nuttelo­ze energiever­spil­ling. Die begrippen behoren nu eenmaal niet tot onze erva­rings­wereld. In de tijd van de Bijbel begrepen ze er ook niets van. En niet alleen de vrouwen uit onze evangelielezing. Ook zijn eigen apostelen, zelfs nadat Jezus aan hen verschenen was, zaten zich wekenlang suf te piekeren achter gebarricadeerde deuren ergens in Jeruzalem.
Wie het zo aanpakt, kan paas­vreugde wel vergeten.

Petrus en die andere mannen en vrouwen kwamen pas weer tot leven toen zij hun aandacht verlegden van ‘wat is ver­rijzen?’ naar ‘wat betekent het dat Hij verrezen is?’. Zij kwamen pas tot leven toen op Pinksteren de Geest hen heroriënteerde van het lege graf naar het leven van Jezus. Verrijzenis is geen raadsel over dode materie die tot leven komt, maar de handte­ke­ning van onze God onder het leven van Jezus. Jezus is de levende Heer omdat hij anderen deed opstaan. Zijn opstanding uit de dood verwijst naar zijn levenslan­ge opstandig­heid tegen de dood en tegen alles wat in het leven aan de dood herin­nert en naar dood ruikt. De blinde schonk Hij het levenslicht te­rug. Doven opende Hij de oren zodat ze de Blijde Boodschap konden beluisteren. Verlamde en ontgoo­chelde mensen deed Hij opstaan. Mensen die bezeten waren door angst en vertwijfe­ling, door schuld en wroeging, die zichzelf niet meer meester waren, aan die mensen gaf Hij vrijheid. Telkens opnieuw hielp Hij mensen over dode momenten heen en opende Hij voor hen nieuwe perspectieven.

Die wijze van leven mocht niet verloren gaan, vond God, en daarom hielp Hij op zijn beurt Jezus over het dode punt van de kruisdood heen. Jezus leeft. Jezus leeft in ons midden als er mensen zijn die in woord en daad Jezus laten herleven. Meer nog – zo luidt de Paasbood­schap van onze God – ook voor hen die Jezus laten herleven, geldt dat de dood niet langer het laatste woord spreekt over hun leven. De machten die een mens de dood aan­doen, zijn in principe onttroond. Ze zijn er nog, ze heersen nog, dat wel, maar ze zijn ten dode opge­schreven.
Daarom is een mensenleven geen uitzichtloos gebeuren, geen leven van trouw-z’n-plichten-doen om dan voor­goed van het wereldtoneel te verdwijnen. Alsof het alle­maal vergeefse moeite was. Nee, een mens is geroepen tot méér! Wij mogen geloven dat er ook in schijnbaar uitzichtloze situa­ties, ook voor ons een derde dag komt, de dag van de opstan­ding.

Het geloof in ónze derde dag betekent levenskracht nú, tegen de kanker van pessimisme – of erger nog, van onverschillig­heid. Natuurlijk kunnen ziekte, tegenslag en dood ons leven nog verduis­teren. Maar dat mag ons niet doen verzinken in moede­loosheid. Chris­tenen weten van méér, chris­tenen weten van ‘erná’, chris­tenen zijn opti­mist tot in de kist – letterlijk, omdat zij leven van de hoop, hoop die leven is en leven doet.

Van dat optimisme moet een bezieling uitgaan om deze wereld, om ons leven en dat van anderen te verlichten, op te tillen en te doen herrijzen. Vanuit deze overtuiging komen gelovigen in opstand tegen al wat een mensen­leven vernietigt en vergiftigt. Zij durven daartegen in op­stand komen omdat zij zich in de rug gedekt weten door een bondgenoot: Jezus, de Verrezene, Gods eigen opstandig­heid in levende lijve.

Christelijk geloven is opstandig geloven:
– opstand tegen al wat dodelijk is: onrecht en onvrijheid, onderdrukking en ver­knech­ting, defaitisme en onverschillig­heid.
– opstand tegen leven-ten-koste-van-een-ander; tegen leven van ieder-voor-zich-en-God-voor-ons-allen.
– opstand tegen vergoddelijking van mensen,
– opstand tegen uit­sluiting van mensen,
– opstand tegen machte­loosheid van mensen,
– opstand tegen alles wat indruist tegen wat onze God voor mensen wil: vrede, liefde, warmte, gemeenschap.
Verrijzenisgeloof is veel meer dan alleen maar opstanding uit de dood. Het heeft allereerst te maken met het levend houden van de leven­de Heer.
Verrij­zenisgeloof is pas geloof­waardig als wij hier en nu mensen uit de put en uit het graf halen, hen van hun lijkwade ontdoen, hen meenemen op de weg van de toe­komst.
Daarom is Pasen het hoogfeest bij uitstek, omdat Pasen toe­komst betekent die op Goede Vrijdag dood en begraven leek.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.