Opdracht van de Heer A 2020 p

02/02/2020

Simeon en Hanna
  (Lc 2, 22-40)                                    
In deze  evangelielezing komen een paar typisch joodse geboorterituelen aan bod, voorgeschreven door de Wet van Mozes. Ik wil beginnen met die wat nader toe te lichten.

Een vrouw die een kind heeft gebaard, was in Joodse ogen on­rein. Was het een jongetje, dan was zij 40 dagen onrein; was het een meisje, dan was dat gedurende 80 dagen. Na die periode ging de moeder naar de tempel om zich door een priester opnieuw ‘rein’ te laten verklaren. Als zoen­offer bood zij een eenjarig lam aan dat later in de eredienst als brandoffer werd gebruikt. Wie onbemid­deld was en geen lammetje kon betalen, offerde 1 of 2 duiven (Lev. 12, 2-Smilie: 8). Jozef en Maria offerden een paar duiven, hoorden we daarnet.
Bij de ouderen onder ons gaat er wellicht een belletje rinkelen: vroeger gingen ook bij ons jonge moeders, zes weken na hun bevalling, hun ‘kerkgang doen’.

Het tweede ritueel is ‘de Opdracht’. Joden zijn er zich diep van bewust dat alle leven een geschenk is van Godswege, en dat de mens daarvan slechts vruchtge­bruiker en rentmeester is. Om daaraan uitdrukking te geven werden de eerste vruchten van de nieuwe oogst en de eerstgebo­renen van het vee geofferd bij wijze van dank en eerbetoon aan de Schepper van alle leven (Ex. 22,28-29; 13,2-12; Num. 18,15).
Aanvankelijk gebeurde zoiets ook met een eerstgeboren zoon. Die werd door de ouders afgestaan om dienst te doen in de tempel. Toen later de tempeldienst werd toevertrouwd aan de Levieten, leden van de stam van Levi, gingen de ouders met hun eerstgeboren jongetje naar de tem­pel om het aan God op te dragen, aan Hem toe te wijden.

Om praktische redenen liet men beide rituelen – de reiniging van de moeder en de opdracht van de eerstgeborene – samenvallen. Daarom vieren we in de christelijke traditie op 2 februari, exact 40 dagen na Kerstmis, het feest van ‘De Opdracht van Jezus in de tempel’, vroeger ‘Maria Lichtmis’ genoemd.

Aan dit voor joden zo belangrijk moment in het leven van moeder en kind besteedt onze evangelist opval­lend weinig aandacht. Voor hem is dit gebeuren slechts decor voor een schijnbaar toeval­lige ontmoe­ting: in de tempel lopen Maria en Jozef, een zekere Simeon en Hanna tegen het lijf. Wat die twee over het kind Jezus te zeggen hebben, is, in de ogen van Lucas, blijkbaar veel belangrijker.

Lucas legt hier de link tussen Jezus en de Joodse Messiasverwachting. Zodra het kind de tempel wordt binnenge­bracht, neemt Simeon, de vrome en wetgetrouwe jood, het in zijn armen en her­kent erin de Messias waarnaar het Oude Verbond zo verlan­gend heeft uitgezien: “Laat, Heer, nu uw knecht in vrede gaan, want mijn ogen hebben uw heil gezien.”  En dan voegt Simeon daar nog iets merkwaardigs aan toe: “Dit kind zal een openbaring zijn voor de heide­nen“. In deze context past het woord ‘heidenen’ niet in de mond van een verte­genwoor­di­ger van het Oude Ver­bond. Het Jodendom geloofde namelijk dat het heil uitsluitend voor het uitverkoren volk was gereserveerd. Niet-joden die ook hieraan wilden deel hebben, moesten eerst bij het Jodendom aansluiten.
Dat dit kind hier ‘een openbaring voor de heidenen’ wordt genoemd, is geen Simeonpraat maar Lucaspraat. Het verwijst naar een discussie die in de begin­jaren het jonge christen­dom een tijdlang in twee kampen verdeelde. De groep van Joodse strek­king, waarbij Petrus aanleun­de, vond dat  heide­nen die zich tot het christendom wilden bekeren, zich eerst als een Jood moes­ten laten besnij­den. Paulus en zijn medestanders vonden dat men heidenen die Joodse poespas niet moest aandoen: voor hen mochten niet-Joden recht­streeks tot het christendom toetreden. Lucas, zelf een bekeerde heiden, stond aan de kant van Paulus wiens reisgezel hij jarenlang is geweest. Zijn visie ter zake legt hij dus in de mond van Simeon.

En dan is er nog Hanna. Hanna was reeds vele jaren weduwe. Iemand zonder be­staanszeker­heid. Haar ‘bron van inkomsten’ – als ik dat zo oneerbiedig mag formuleren – was immers overleden. Weduwen waren dus veelal aange­wezen op ondersteuning vanuit de tempel (Deut. 14,29; 26,12). Niet te verwonde­ren dus dat Hanna in de buurt van de tempel vertoefde. Maar, weduwen mochten dan wel tot de ‘zwak­ke’ klasse behoren, ze stonden alom bekend om hun stevig geloofsleven. Ook Hanna diende God met vasten en bidden, zegt onze evangelietekst.
Hanna sluit zich aan bij het Messiasgeloof van Simeon, looft God en gaat tegen iedereen die het horen wil, vertellen dat in Jezus de bevrijder van Jeruzalem is geboren. Dat laatste ligt helemaal in de lijn van de profeti­sche literatuur. Hanna beli­chaamt dan ook de profe­tische traditie.

Het mag duidelijk zijn dat wij vandaag niet naar ‘zomaar’ een verhaaltje hebben geluisterd. Lucas verkondigt hier de eigenheid van het christendom. Simeon en Hanna representeren het Oude Verbond. Hij staat voor de Wet; zij voor de profeten. Via hun mond verkondigt Lucas hier dat in Jezus Gods belofte uit het Oude Verbond nu opengebroken wordt, dat de Blijde Boodschap niet is voorbehouden aan de joden maar dat van nu af het licht zal stralen voor alle volkeren, zonder onderscheid des persoons.
Marc Christiaens o.p.

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.