O.L.Heer Hemelvaart C 2016

5 mei 2016       (Viering)

Wat staan jullie daar toch naar de hemel te kijken?
(Hand. 1,1-11 ; Lc. 24,46-53)
Onze Heer Hemelvaart… Is Jezus nu echt ten hemel gevaren? Hoe moeten we ons dat concreet voorstellen? Dat u met deze vraag niet goed overweg kunt, kan ik me best indenken. U moet ook van mij niet het verlossend antwoord verwachten. En als het u een troost mag wezen… ook onze evangelist Lucas lijkt het allemaal niet zo goed te weten.

Lucas is de auteur van onze beide lezingen. De eerste was het begin van zijn tweede boek, gekend als ‘Handelin­gen van de Aposte­len’, geschreven in de loop van de jaren 80. Onze tweede lezing was het slot van zijn evange­lie dat hij tien jaar eerder schreef.
In zijn evan­gelieboek vertelt hij dat Jezus, op de dag dat Hij verrezen is, eerst verscheen aan de twee leerlingen van Em­maüs, daarna aan al zijn leerlingen. En als afronding van dat onverwachte bezoek nam Hij zijn leerlingen mee naar ergens in de buurt van Betanië waar Hij ten hemel werd opgeno­men. Lucas laat dus verrijzenis en hemel­vaart op dezelfde dag plaatsvinden.
Tien jaar later, in zijn tweede boek, situeert diezelfde Lucas de hemelvaart van Jezus 40 dagen ná Pasen! Op zijn minst vreemd.

Maar er zijn nog meer vreemde dingen.
Volgens Lucas werd Jezus “voor de ogen van de leerlingen omhooggehe­ven en een wolk onttrok Hem aan het gezicht”. De leerlingen stonden er dus op te kijken.
Als je getuige mag zijn van zo’n evene­ment – zo denk ik dan – ben je daar zozeer van onder de indruk dat dit beeld voor eeuwig en drie dagen op je netvlies staat gebrand, en zal daarover, zeker binnen eigen kring, geregeld gepraat worden. En toch lezen wij over dat imposante gebeuren niets bij Marcus, niets bij Mattheüs, noch bij Johannes. En ook Paulus en de andere briefschrijvers uit het Nieuwe Testament schijnen nooit van een hemelvaart van Jezus gehoord te hebben. Ze zeggen wel dat ‘Jezus is opgeno­men in de heerlijkheid van God [dat hopen wij van onze dierbare overledenen ook] en dat Hij zetelt aan zijn rech­terhand’, maar over dat ‘omhooggeheven worden’ waar de leerlingen op stonden te kijken  – daar lijkt niemand iets van te weten. Be­halve Lucas dan. En die was er zelf niet bij, want hij behoorde niet tot de twaalf.

Hemelvaartverhalen vind je dus niet op plaatsen waar je ze zou verwach­ten. Wel op plaatsen waar je ze niet zou verwachten. Zo wordt in het Oude Testament bijvoorbeeld de pro­feet Elia in een wagen, getrokken door vurige paarden, ten hemel gevoerd (2 Kon. 2,11). Ook in oude Romeinse en Griekse geschriften staan verhalen over helden die ten hemel zijn gevaren: Her­acles onder andere, en Oedipoes en Romulus, en Alexan­der de Grote.
Wat kun je daar nu uit concluderen?

Hemelvaartverhalen behoren tot een bepaald literair genre dat in een ver verleden alom bekend was, maar in onze tijd in onbruik is geraakt. Het gaat niet om een beschrijvin­gen van iets dat zus of zo is gebeurd, maar om een verhaal met een boodschap. In dit geval geen boodschap over de wijze waarop iemand de aarde heeft verlaten, maar over de wijze waarop iemand op aarde heeft geleefd. Een hemelvaart kan alleen maar worden verteld over mensen met een zo hoogstaande levenswandel dat de nabestaanden vinden dat aan al dat goeds niet zomaar een einde mag komen door een banale dood die het lot is van elke gewone sterveling.
Dit zet ons op het spoor van wat Lucas bedoelde met zijn hemel­vaartverhalen. Het is een aanschouwe­lijke voorstel­ling om duidelijk te maken hoe intiem de band was tussen de aardse Jezus en zijn Vader. Zo intiem dat God zijn Zoon, na zijn aardse leven, helemaal in zijn heerlijk­heid heeft opge­nomen.
Niet met zijn verhaal, maar wel met de boodschap achter zijn verhaal, zit Lucas op dezelfde lijn als zijn collega’s-evan­gelis­ten, op de lijn van Paulus en van de andere schrij­vers uit het Nieuwe Testa­ment.
De boodschap van de Hemelvaart is dus een variatie op het paas­thema. Want wat is de verrijze­nis anders dan dat God zijn hand uitsteekt en het leven van Jezus, over de dood heen, naar zich toehaalt. In zijn evangelie geeft Lucas aan die link tussen Hemelvaart en Pasen extra gewicht door die twee op dezelfde dag te situeren. In zijn versie van de ‘Handelingen van de Apostelen’, legt hij een ander accent dat aan de boodschap zelf niets verandert: daar situeert Lucas zijn verhaal in de tradi­tie van het in de Bijbel symbolische getal 40: 40 jaar Israël in de woestijn, 40 vastendagen van de profeet Elia, 40 vasten­dagen van Jezus in de woestijn, 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart.

Lucas heeft zijn tweede hemelvaartverhaal nog op een ander punt bijgewerkt. In tegenstel­ling tot zijn evangelieversie voert hij in onze eerste lezing twee mannen in witte kleren ten tonele die tot de leerlingen zeggen: “Jezus komt nog wel terug; sta daar niet zo werk­loos naar de hemel te staren”. Met andere woorden: ‘Heren leerlingen, ga nu maar zelf aan de slag!’.
Jezus weg, betekent dus dat zijn volge­lingen hun verantwoorde­lijkheid moe­ten opnemen. (Denk aan wat Jezus zei in zijn afscheidsrede tot zijn apostel Judas Taddeüs – onze evangelielezing van vorige zondag.) Het is tijd om zelf de handen uit de mouwen steken, durf nu zelf de verkondiging ter harte nemen. Iedereen – elk met zijn eigen moge­lijkheden en beperkt­heden – wordt gezonden om mee te werken aan de opbouw en uitbouw van de ge­loofsge­meen­schap. En vlak voor Hij omhoog werd ge­heven, herinnert Jezus ons er nogmaals aan dat Gods Geest ons daarbij tot steun zal zijn: “Wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen zijn (…) tot het uiteinde der aarde”. Totdat Hij weder­komt is het de verantwoor­de­lijkheid van ons allemaal om samen actief kerk te zijn. De tijd van werkloos naar de hemel staren, is voorbij.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.