Liefhebben C 28 04 2013

Liefhebben (Joh. 13, 31-33a. 34-35)

‘Eén vriend is genoeg om alle mensen lief te hebben.’
Een zin uit mijn plakboek, een schriftje waarin ik als 13-, 14-jarige ‘mooie pakkende’ teksten overschreef en er ‘mooie pakkende’ foto’s bij kleefde. Midden op het blad, in mijn sierlijkste handschrift, omgeven door wat gekleurde lijnen en krullen. En op de tegenoverliggende bladzijde een grote foto van een ‘mooie jongeling’ in een soort middeleeuws wambuis. Hij maakt een elegante buiging en is mij verder totaal onbekend, zowel nu als toen.
Maar het geheel ademt verlangen en vertrouwen. Een verlangen om bemind te worden en zelf groots te beminnen en het ongelooflijk vertrouwen door de kracht van de liefde de hele wereld aan te kunnen. 13 en bruisend vanuit die Grote Levenskracht. Ik zou de wereld nog warmer maken en als ik groot zou zijn dan zou er geen oorlog, geen haat meer zijn maar enkel nog vriendschap en vrede. Die ideale wereld wenkte al in de verte.
Ik ben nu groot en er is nog altijd haat en er is nog altijd oorlog, maar de ideale wereld wenkt nog steeds.
Het visioen van Johannes uit de Apocalyps in onze 1ste lezing blijft een waardevolle droom, een levensproject om te koesteren en ons evangeliefragment van vandaag wijst ons de richting aan om daaraan vorm te geven. Meer nog, het geeft ons het unieke maar absoluut verplichte codewoord: liefhebben.
Je hebt geen keuze, zegt Jezus, jullie moeten liefhebben, anders ga je die droom nooit kunnen verwezenlijken. Alleen vanuit de liefde kan je die nieuwe wereld opbouwen.
Toch raar, die combinatie van ‘liefhebben’ en ‘moeten’. Inderdaad raar als je liefhebben herleidt tot dat roze-wolkgevoel waarvan je maar beter kan genieten als het je overkomt, maar het liefhebben uit Jezus’ mond gaat veel verder. Het is synoniem voor een actieve wilsbeschikking, keihard werken, de opdracht om in elke mens – ongeacht huidskleur, ras of taal – een broer of zus te zien, een schepsel Gods waarin je datzelfde verlangen naar bevestiging (h)erkent. Bevestiging van zijn of haar vermogen tot liefhebben, de menselijke mogelijkheid goed te zijn voor een ander. Die initiële aanleg tot goedheid opnieuw een kans geven, dat is Jezus’ vorm van liefhebben.
Maar de draagwijdte van dat liefdesgebod, het gewicht van die woorden op het moment dat ze worden uitgesproken, ontgaat de leerlingen wellicht en ontgaat misschien ook ons nog omdat we ze al zo vaak hebben beluisterd.
Dit fragment speelt zich nl. af tijdens het Laatste Avondmaal. De voetwassing is net achter de rug – hèt teken van Jezus’ dienstbaarheid aan de medemens – en Judas Iskariot, het brood dat Jezus hem heeft aangereikt nog in de hand, trekt de deur achter zich dicht, letterlijk en figuurlijk. Het verraad zet zich in gang. Geen weg terug. En die paragraaf eindigt met de woorden ‘Het was nacht.’ De dreiging en het opkomend gevoel van angst en verlatenheid dat Jezus zeker moet hebben ervaren, liggen daarin vervat. En dan volgt het fragment van vandaag, de bezorgde afscheidswoorden: kinderen, blijf mekaar toch graag zien.
Aan het sterfbed van hun bejaarde ouders krijgen zonen en dochters soms dezelfde, met aandrang uitgesproken woorden te horen: als ik er niet meer zal zijn, zorg er dan voor dat jullie goed blijven overeenkomen en dat jullie mekaar altijd zullen blijven steunen. Hun ultieme uitdrukkelijke testamentische wens: de liefdesrelatie die hen levenslang met elkaar verbonden heeft, in stand houden.
Jezus doet hier exact hetzelfde, zij het misschien met nog iets meer nadruk omdat hij maar al te goed beseft wat de kracht van de liefde vermag. Alleen de liefde is in staat de wereld te veranderen. Hij wil dat zijn leerlingen van die gedachte doordrongen zijn nu zijn afscheid zo dichtbij is en hij hen niet meer constant aan dat liefdesgebod kan herinneren. Want dat gebod is niet nieuw. Hij heeft het hun al zo vaak voorgezegd, voorgedaan. En zelfs in het O.T., in het boek Leviticus, staat het al vermeld: bemin uw naaste als uzelf. Maar dit gebod wordt wel nieuw, vernieuwt zich voortdurend als we vernemen wat Jezus er specifiek mee bedoelt: liefhebben zoals hij heeft liefgehad. Klinkt eenvoudig maar blijkt moeilijk, heel moeilijk. Want Jezus’ liefde voor de naaste, voor de medemens beperkt zich niet tot de eigen vriendenkring, de gelijkgezinden, degenen waarmee we het wel kunnen vinden. Jezus’ liefde is niet selectief, of ja, misschien toch wel, met een voorkeur voor de zwakke, gekwetste, gekrenkte mens. Aan die mens laat hij extra voelen: ik zie je graag. Twijfel maar niet, ook jij bent het waard om mens te zijn.

Dienstbaar, solidair, luisterbereid, teder en trouw en dat altijd en overal, grenzeloos, belangloos en onvoorwaardelijk, – zo is Jezus’ liefde.
Dat is toch niet te doen?
Jawel, dat is nu juist door ons, christenen, ‘te doen’, daarvan moeten we werk maken. Niet per se spectaculair maar in de praktijk van elke dag. Bij alles wat we doen of laten, zeggen of verzwijgen, ons afvragen: hoe zou Jezus in deze situatie, hier en nu vandaag, reageren, – en dat elke keer opnieuw.

En mochten we, al te zelfgenoegzaam, besluiten dat we toch al goede volgelingen zijn, dan heeft Jezus een onfeilbaar controlemechanisme ingebouwd. Zelfevaluatie mag dan wel modern klinken, de uiteindelijke beoordeling komt toch toe aan de buitenwereld. Zij zullen ons – al dan niet – herkennen als echte Jezusleerlingen.
Die wenkende ideale wereld, in hoeverre hebben wij die al een beetje dichterbij gebracht? Een enquête daarover bij onze 13-jarigen lijkt me geen slecht idee. Amen.
Bea Duys

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.