9e zondag door het jaar C 2013

Liefde kent geen grenzen  (1 Kon. 8,41-43; Lc. 7,1-10)

Ik weet niet of het u is opgevallen maar – ook al klonken onze lezingen totaal verschillend – inhoudelijk ligt er tussen beide een duidelijke link.

Biddend tot de Heer, voor wie hij in Jeruzalem een grootse tempel had gebouwd, vraagt koning Salomo aan God dat Hij ook het gebed zou willen verhoren van vreemdelingen die de tempel komen bezoeken en er kennis maken met de God van het Jodendom.  Als hun gebed wordt verhoord, zullen die vreemdelingen, eens weer thuis, dat vertellen in hun familie- en kennissenkring. En dat verhaal zal dan verder de ronde doen. Op die manier zullen geleidelijkaan vreemde volkeren U, God van Israël, leren kennen en respecteren.

Een op zijn minst merkwaardig verzoek, zeker tegen de achtergrond van de Joodse wet die de omgang tussen Joden en heidenen verbood omdat zoiets een Jood onrein maakte, waardoor hij geen contact meer mocht hebben met zijn volksgenoten en de tempel van God niet meer kon betreden. (Of die regel altijd wel zo strikt werd toegepast, is nog maar de vraag.) Maar bijzonder is wel dat dit gebed van Koning Salomo gerealiseerd lijkt te worden in onze evangelielezing.

Een centurio, een officier van het Romeinse leger, zit dik in de miserie. Want “een slaaf die veel voor hem betekende, was ziek geworden en lag op sterven”. Hij neemt enkele Joodse oudsten onder de arm – zeg maar: plaatselijke kerkleiders – om met Jezus in contact te kunnen komen. Die gaan naar Jezus toe en vragen Hem of Hij niet iets voor die zieke slaaf kan doen.
Uit de manier waarop Lucas dit beschrijft, blijkt duidelijk hoe groot de afstand is tussen de wereld van de gelovige Joden en de wereld van de heidenen. Het contact tussen Jezus en de centurio verloopt dan ook via tussenpersonen. De Joodse vrienden van de officier wijzen Jezus erop dat die Romein een heel tolerant man is, dat hij zelfs hoofdsponsor is van de plaatselijke synagoge, ook al mag hij daar zelf, als heiden, niet binnen. Ze vertellen in geuren en kleuren hoeveel respect die militair heeft voor de overtuigingen en gebruiken van gelovige Joden, en dat hij precies daarom beroep heeft gedaan op hun bemiddeling. Want hij wil Jezus niet het risico van verontreiniging laten lopen door Hem te vragen het huis van een heiden binnen te gaan. En dus is het voor hem voldoende dat Jezus van op afstand een machtswoord spreekt zoals hij dat zelf ook doet als militair: ik geef een commando en het gebeurt.
Jezus is diep onder de indruk van wat Hij te horen krijgt en zegt tegen de omstanders: “Ik verzeker u, zo’n groot vertrouwen heb ik zelfs in Israël niet aangetroffen”. Nergens wordt gezegd dat de centurio zich van zijn heidense godsdienst heeft afgewend en volgeling van Jezus is geworden. Het vertrouwen van die man is zeker geen expliciete geloofsbelijdenis. Daar stuurt Jezus blijkbaar ook niet op aan.

Hier worden grenzen verlegd.
– De wet mag dan wel scherpe grenzen trekken tussen Joden en heidenen, de menselijke grootmoedigheid kan en mag die overschrijden. Van de centurio – lid van de Romeinse bezettingsmacht notabene – wordt zelfs gezegd: “Hij houdt van ons volk”. Echte liefde kent geen grenzen. En nood breekt wet.  Joden die geen omgang mogen hebben met een heiden, gaan zowaar voor hem bij Jezus pleiten!
– Hoezeer Hij zich ook gezonden weet tot de verloren schapen van Israël, uit Jezus’ reactie blijkt dat ook Gods barmhartigheid geen grenzen kent. Zelfs geen godsdienstige grenzen. Misschien komen we hier wel bij het meest alomvattende kenmerk van onze God: Hij is een barmhartige God die wil dat alle mensen gered worden, zelfs over de grenzen van wetten en godsdiensten heen. In zijn barmhartigheid is God letterlijk grenzeloos.

Dit verhaal zou wel eens een goede leidraad kunnen zijn voor de manier waarop het christendom dient om te gaan met andere godsdiensten, en zelfs met mensen zonder enige godsdienstige overtuiging. Wij geloven in een God die wil dat alle mensen gered worden. Aan dat verlangen van God mag geen enkele wet grenzen stellen.

Dit verhaal zou ook wel eens inspirerend kunnen zijn voor de manier waarop wij tegen vreemdelingen en vluchtelingen dienen aan te kijken die aan de deur van onze samenleving kloppen. Kunnen we volhouden dat we geloven in een God van alle mensen als we hen, die ook mensen zijn, boutweg de deur wijzen en wij daarmee ook de kans missen om te ontdekken wat zij ons te zeggen hebben? Het zou wel eens kunnen dat hun vraag om hulp – net als die van de centurio – gedragen worden door een groot vertrouwen in de welwillendheid en de menslievendheid van hen die zeggen dat ze zich door Jezus’ voorbeeld laten inspireren.
Marc Christiaens o.p.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.