Juist of goed.

Juist of goed? (Joh. 8, 1-11)

Vermoedelijk heeft een afbeelding uit mijn kindertijd en het gedicht van Gerrit Achterberg dat we straks als bezinningstekst zullen horen, ervoor gezorgd dat ik dit tafereel zich nog altijd ergens buiten zie afspelen, waar zand en stenen liggen.
Maar het speelt zich wel degelijk af in de tempel waar de ware joodse leer wordt verkondigd en wetten en voorschriften aan de orde zijn.
Jezus geeft er onderricht en zijn toehoorders zijn nog klaarwakker want het is nog vroeg in de morgen.
En dan plots tumult. De rangen wijken en de voorste gelederen worden ingenomen door farizeeën en schriftgeleerden die een vrouw naar de slachtbank leiden, want ja, ze hebben haar al veroordeeld: echtbreuk betekent steniging. De wet van Mozes laat daarover niet de minste twijfel bestaan. Ze kunnen de betreffende boekrol desgewenst zo uit de rekken halen. (Voor een juist begrip: de wet van Mozes gold voor beide partijen maar blijkbaar heeft alleen de vrouw de geschiedenis gehaald.)
Ze vragen dus nog naar Jezus’ mening. Niet dat ze die echt willen horen, – ze weten immers al uit ervaring dat hij altijd partij kiest voor de zwakste. Maar ze gaan het hem hier nu eens extra moeilijk maken. Schaart hij zich achter de vrouw en verbiedt hij hen haar te stenigen dan overtreedt hij de wet en kunnen ze hem met recht en rede aanklagen bij de overheid. Doet hij dat niet dan is het lot van de vrouw bezegeld en wacht haar een pijnlijke dood. Benieuwd of en hoe hij zich uit deze penibele situatie zal weten te redden.
Ze wachten op antwoord. ‘Hij is anders toch altijd goed ter tale. Nu lijkt hij wel monddood. Nog sterker, hij bukt zich en schrijft met zijn vinger op de grond. Hij ontwijkt onze blik, staat met de mond vol tanden!’ Het leedvermaak steekt de kop op. Hij zit in de tang. Ze hebben hem. En ietwat overmoedig dringen ze aan. ‘Geef nu toch eens antwoord. We willen uit jouw mond horen wat we met dit geval aan moeten. Jij beslist.’
En ze krijgen hun antwoord: “Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen.” En weer bukt hij zich en schrijft op de grond.
Stilte. Verbijstering. Gehoopt op een pittige discussie met alle paragrafen en artikels van de wet erbij gesleurd met als eindconclusie dat zij – met de wet van Mozes in de hand – onomstotelijk gelijk hebben … en ze krijgen een anticlimax.
Zij staan met de mond vol tanden en het komt hen goed uit dat Jezus – gebukt – hen niet rechtstreeks in de ogen kijkt. Want ze druipen af, “de een na de ander, te beginnen met de oudsten”.
Jezus’ aanpak werkt. Hij gaat de confrontatie niet aan maar confronteert hen wel met zichzelf. Niet hij maar zij moeten uitmaken of hun gedrag – volgens de wet volkomen verantwoord – ook wel moreel verantwoord is. De aanklagers staan zelf in de beklaagdenbank en wat ze in die spiegel zien blijkt niet zo fraai. Geen die met de hand op het hart kan beweren volkomen vrij te zijn van zonde. Geen die met de hand op het hart kan beweren dat hun beslissing om de vrouw te stenigen moreel verantwoord is. Ze beseffen dat ze geen haar beter zijn dan de vrouw, zwak en zondig, en dat ze zich onrechtmatig het recht hebben toegeëigend om haar te veroordelen.
Wetten en morele voorschriften mogen dan wel bedoeld zijn om menselijk handelen in goede banen te leiden, om binnen een samenleving duidelijk aan te geven wat aanvaardbaar is en wat compleet ontoelaatbaar en dus gesanctioneerd wordt – en ze zijn wel degelijk nodig, die wetten en voorschriften, – maar toch garanderen ze niet dat strikt naleven ervan of het niet overtreden per definitie altijd en overal uitmondt in moreel handelen. Ons handelen moet ook de wetten van het hart kunnen doorstaan. De toetssteen van de liefde, het respect en de eerbied voor elkaar.
Als een bejaard echtpaar het huis waarin ze al bijna heel hun leven hebben gewoond, onder de sloophamer zien verdwijnen omdat het ooit illegaal opgetrokken werd in een recreatiezone, dan is die maatregel wettelijk waarschijnlijk volkomen in orde en dus juist. Maar is die ook goed?
Als een jonge asielzoeker na een reeds jarenlang verblijf in ons land en een perfecte integratie uiteindelijk toch uitgeprocedeerd blijkt en van de ene dag op de andere onverbiddelijk wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst, dan is die maatregel wettelijk waarschijnlijk volkomen in orde en dus juist. Maar is die ook goed?
Tussen de wet en de wet van de liefde gaapt soms een fameuze kloof.

En dan is er nog de vrouw, wellicht nog bibberend op haar benen, nu moederziel alleen met die vreemde man voor haar. De steniging mag dan wel – voorlopig althans – zijn afgewend, toch blijft haar toekomst even onzeker. Door de buitenwereld afgeschreven, voor dood verklaard, als ‘een geval’ aan de schandpaal genageld, emotioneel gekwetst in haar vrouw-zijn, zwaar ontgoocheld over de man met wie ze de liefde heeft bedreven en vermoedelijk ook ten diepste beschaamd over wat ze allemaal heeft aangevangen, – zo staat ze daar, gelaten wachtend op wat nog komen moet.
En dan hoort ze opnieuw die stem, deze keer tot haar gericht. Die man spreekt haar aan – ‘vrouw’ -, toont respect, vraagt zelfs om antwoord. En onverwacht en onverhoopt ontkiemt de hoop. Ze mag opnieuw leven, hoeft zich niet langer schuldig vast te klampen aan haar fouten uit het verleden, krijgt weer toekomst aangereikt. “Ga nu maar”, zegt hij, mild, barmhartig en bemoedigend.
Natuurlijk verdient haar gedrag geen goedkeuring maar Jezus kijkt verder, kijkt erdoorheen tot hij de mens vindt die, ondanks alle fouten, toch altijd opnieuw de mogelijkheid moet krijgen om te kiezen, om te kiezen voor het goede. Die vrijheid geeft hij haar. Hij geeft ze haar ten volle terug.

En de goeie raad die daarop nog volgt: “zondig voortaan niet meer”…? Vandaag is de vrouw alvast vol goede bedoelingen, morgen is ze misschien alweer ontspoord.
Het zij zo.
Bea Duys

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.