10e zondag door het jaar C 2013

9 juni 2013                               

Lezingen:
Het eerste boek Koningen 17, 17-24
Lucas 7, 11-17

 

Hij voelde medelijden…

Als we het verhaal van de opwekking van de jongeman uit Naïn horen dan stellen velen zich wellicht als eerste vraag: ‘Zou dat echt gebeurd zijn?’ Dat is niet de vraag van een gelovige lezer want die vraagt zich af: ‘Wat wil dit evangelie ons zeggen?’
Wat de evangelist ons wil meedelen, is niet op de eerste plaats het sensationele gebeuren dat een dode tot leven wordt gewekt. Elke mens moet immers sterven, want de dood hoort nu eenmaal bij het leven, ook Jezus is gestorven.
De boodschap van dit wonder is, dat het leed van de mensen Jezus ter harte gaat. Naïn is de geschiedenis van God, die zijn Zoon gezonden heeft om de mensen in hun leed nabij te zijn. Hier openbaart zich de goedheid en de mensenliefde van God, die de mensen in hun leed niet alleen achterlaat. Jezus ging het lijden van anderen nooit uit de weg.
Jezus aandacht in dit verhaal gaat naar de rouwende moeder, niet naar haar dode zoon. Hij is in hart en nieren bewogen door het droeve lot van die weduwe. Zulk een vrouw heeft behoefte aan menselijk medeleven en medelijden. Deze vrouw was zonder enige hoop, zij had haar man reeds verloren en nu nog haar zoon, de enige die nog voor haar kon zorgen. Nu was ze helemaal zonder toekomst, want met haar zoon viel ook haar sociale en economische ze­kerheid weg. De weduwe is in de Schrift altijd hét symbool van de meest beklagenswaardige en hulpeloze mens in de maatschappij.

Wat Lucas ons duidelijk wil maken is dat Jezus een bijzondere zorg en aandacht heeft voor allen die lijden, zeker voor hen die uitgestoten zijn en zonder toekomst verder moeten leven. Vroeg of laat ontdekt elke mens dat God met zijn lijden mee lijdt.
God heeft nog altijd medelijden met ouders, die treuren om hun kind dat gestorven is. Overal waar de dood ongenadig toeslaat en mensen uit elkaar rukt, daar lijdt God met de mensen mee. De tranen van mensen zijn heilig en kostbaar voor God.
Dit evangelie is een aanklacht tegen de bijna onuitroeibare opvatting, – ook bij katho­lieke mensen -, dat het God behaagt mensen te doen sterven. God wil de dood van de mensen niet, God wil dat mensen leven en leven in overvloed.

Dit verhaal van de opwekking is een verhaal van geloof en hoop. Sinds Jezus’ verrijzenis heeft de dood zijn macht verloren. Jezus heeft de macht ontvangen om eeuwig leven te schenken aan alle mensen.
Jezus zei tot de bedroefde moe­der: ‘Huil maar niet.’ In Jezus’ mond waren dit geen holle woorden. Neen, Jezus gaf de jongen aan zijn moeder terug. Met deze symbolische daad wil Jezus duidelijk maken dat er een dag zal komen, waarop Jezus ook ons zal aanraken en zal zeggen: ‘Sta op.‘

Eén zaak is duidelijk: God wil de dood niet, God wil het leven. Wij zijn vaak zo kortzichtig dat wij de dood beschouwen als het einde. Voor een gelovige echter is de dood niet het laatste, voor hem is de dood een opnieuw geboren worden voor een eeuwig leven bij de Heer. Elke dode komt bij Jezus tot opstanding: Hij geeft het leven. Hij is het leven zelf. Wat door Hem beroerd wordt, herleeft. Wie door Hem geraakt wordt, staat op uit de dood.
De boodschap die de Bijbel ons wil doorgeven, is dat God de Heer is van alle leven en sterven. Wat dit verhaal ons willen zeggen – bij alle vragen die het wellicht ook oproept -, is dat geen enkele mens door God voorgoed wordt prijsgegeven aan de dood.

Maar er is nog meer. Wij kunnen immers geen doden tot leven wekken, hoe graag we het ook zouden willen.
Maar naast de dood zijn zoveel andere vormen van sterven, van lijden: afsterven van gevoelens, kwetsuren van liefde, de aanwezigheid van angst en twijfel.  Dood is niet alleen het fysiek sterven, maar is ook scheiding allerhande, breuken in relaties…

Op elk van deze domeinen is de lijdende mens geschonden in zijn integriteit.  Hem is een stuk van zichzelf afgenomen.  Een lijdende mens staat voor de opdracht daarmee om te gaan en een nieuw evenwicht te vinden.  Een lange weg van aanvaarding, die gaat over meerdere fases.  Het lijden moeten we persoonlijk verwerken.  Wij zijn niettemin dankbaar als medemensen meevoelen en meeleven, wanneer zij het lijden helpen dragen en verminderen. Zoals een oud Vlaams spreekwoord zegt: Gedeelde smart is halve smart.

Wat we dus wel kunnen, is mensen die op een dood punt zijn aanbeland, overstelpt zijn door verdriet, helpen erdoorheen te komen. Wat we wel kunnen, is net als Jezus, mensen die dreigen dood te gaan aan hun verdriet, bij de hand nemen en helpen opstaan. We kunnen hun zeggen en laten voelen: ‘Je moet er wel doorheen zien te komen, maar je staat er niet al­leen voor.’
Dat vraagt geen andere deskundigheid dan een gevoel van betrokkenheid. En zo kunnen gewone mensen elkaar tot leven wekken en kan het wonder van Naïn steeds weer opnieuw in ons midden geschieden…
Amen.

Monique Van Caenegem-Suys

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.