Het voornaamste gebod

Bij de eerste lezing (ter info)
Bij vrome joodse mensen hangt vaak aan de rechterkant van de deurpost van de voordeur, of soms van de woonkamer, een klein versierd kokertje. Dat heet een ‘mezoeza’. Tel-kens als zij door de deur gaan, raken zij dat kokertje even aan en kussen dan de vingertoppen. In die ‘mezoeza’, zit een ‘Sjema’, een opgerold stukje papier of perkament met daarop een tekst. ‘Sjema’ is een verkorting van ‘Sjema Israël’, wat betekent ‘Luister Israël’. ‘Sjema Israël’ zijn de eerste woorden van de (hebreeuwse) tekst op dat perkament, die als volgt begint: “Luister Israël. De Heer is onze God; de Heer alleen! Gij moet de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten”. Die de tekst, uit het boek Deuteronomium, hoor den we in de eerste lezing. Gelovige joden bidden de volledige tekst ’s morgens en ’s avonds. Dat gebruik dateert van een paar eeuwen van vóór onze jaartelling. Ook Jezus en zijn volge lingen baden dat gebed tweemaal daags.
‘Sjema Israël’ is zowat de kern van het joodse gebedenboek. Een soort joods credo: ‘De Heer is onze God; Hij sloot een verbond met Israël, zijn volk; op grond daarvan heeft Hij een eind gemaakt aan onze slavernij in Egypte en heeft Hij ons door de woestijn geleid naar het Beloofde Land. Aan die God hebben wij ons hart verpand, ons hele wezen.’ Telkens als joden de ‘Sjema’ bidden, hernieuwen zij dus hun trouw aan en hun enga-gement jegens God. Telkens zij de ‘mezoeza’ aanraken is dat een vorm van eerbetoon.

Een schriftgeleerde vraagt Jezus naar het allereerste gebod. Een van de weinige keren in de evangelies dat een schriftgeleerde Jezus aanspreekt zonder de bijbedoeling Hem op de proef te stellen. Deze man heeft respect voor Jezus. [En daarmee is tegelijk gezegd dat niet alle schriftgeleerden en Farizeeën over dezelfde kam te scheren zijn.] Onze man heeft Jezus een tijdlang bezig gehoord en gezien, en begrepen dat Hij een rabbi is, een leraar die spreekt met gezag.

De vraag naar de rangorde van de geboden klinkt in onze oren wat vreemd, maar in het jodendom van destijds was dat een heikel discussiepunt. Je moet namelijk weten dat de joodse traditie niet minder dan 613 geboden en verboden kent die zo wat alle levensterreinen bestrijken. Uiteraard zijn al die regels niet even belangrijk. Alhoewel… er waren in die tijd ook een aantal schriftgeleerden – zeg maar de ‘fundamentalisten’ [dat soort mensen vind je in alle religies, ook binnen de katholieke kerk] – die van geen rangorde wilden weten: voor hen was een regel een regel, en daarmee uit. Het voortdurend gekissebis tussen die geleerde heren-theologen schiep verwarring, misschien nog het meest bij de doorsnee-gelovige jood: is er nu wel of geen rangor-de, en zo ja, welke rangorde dan? Daarover wil onze schriftgeleerde dus Jezus’ mening horen.

U kent het antwoord: “Bemin God en bemin uw naaste als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze twee, is er niet”. Twee? “U zult uw naaste liefhebben als uzelf” is eigenlijk een dubbelge-bod: om je naaste goed te kunnen liefhebben, moet je immers ook houden van jezelf. Drie dus: Heb God lief, heb jezelf lief en heb je naaste even lief als jezelf.

‘God liefhebben’ wordt als eerste genoemd. Dat was evident, ook voor de schriftgeleerde.

‘Jezelf liefhebben’ is op zijn minst opmerkelijk. In de christelijke traditie wordt naastenliefde veelal gekoppeld aan… jezelf tussen haakjes zetten, jezelf naar het achterplan verwijzen. Jezus zegt het tegenovergestelde: Hij schuift ‘houden van jezelf’ naar voren als norm, als maatstaf van de naastenliefde.
Natuurlijk bedoelt Hij geen individualistische zelfverwennerij, door onze tegenwoordige wester-se cultuur zo geraffineerd opgehemeld. Het gaat Jezus om iets heel anders, om respect voor jezelf, voor je lichaam en je ziel; draag daar zorg voor, besteed op een fijne en zuivere manier de nodige aandacht aan dat godsgeschenk. ‘Besef het goed: je mag er zijn’ bedoelt Jezus.
Voor niet weinigen is dit een deugddoende steun in de rug. Ze achten zichzelf zó niets-waard dat ‘Je bent de moeite waard om van jezelf te houden’ hun in de oren klinkt als een egoïstische ketterij. Nu horen ze het ook eens hoe Jezus erover denkt.

En dan is er het derde gebod: heb je naaste lief. Op papier de christelijke deugd bij uitstek, maar in onze levenspraktijk vaak een mager beestje. Met dit simpelweg toe te geven, zijn we er natuurlijk niet. We moeten durven nagaan wat er aan onze liefde schort. Zo’n gewetenson-derzoek is geen prettige klus, maar het is wel de weg die het evangelie aanwijst.
Wie weet heeft van zijn gebreken, probeert die doorgaans zo goed als het gaat te camoufleren. Met ons gebrek aan liefde is dat niet anders. We zijn er aan gewend geraakt ons hele bestaan als een ruilhandel te beschouwen. We gaan ervan uit dat mensen aardig voor ons zullen zijn als wij aardig voor hen zijn; dat zij ons zullen helpen als wij hen helpen; dat zij ons zullen uitnodigen als wij hen uitnodigen; dat zij ons zullen liefhebben als wij hen liefhebben. En draai ook maar om: dat wij hen liefhebben, zolang zij zich lief en respectvol tegenover ons gedragen. Beminnen en bemind worden… dat moet je dus verdienen. Voor alles moet gewerkt worden, zelfs voor een goed woord, een blijk van dankbaarheid, een blijk van liefde. Liefde zó beleven gaat gepaard met angst, onrust, stress, prestatiedwang.
Dié angel haalt het evangelie weg uit de liefde. Hier geldt niet: ‘voor wat hoort wat’. Evangelisch geïnspireerde liefde moet niet verdiend worden. Ze wordt simpelweg in overvloed uitgedeeld aan tollenaars en zondaars, aan kleinen en pretentielozen. Iedereen is uitgenodigd aan de tafel van de Heer. Er is brood en wijn in overvloed.

Heb God lief, heb jezelf lief, heb je naaste lief. Deze drie vlecht Jezus in elkaar tot één: ‘God liefhebben impliceert je naaste even liefhebben als jezelf. Geen gebod is groter.’

Ik zeg het een beetje te eenvoudig; in onze tekst staat het er een tikkeltje anders, iets dat we gemakkelijk over het hoofd zien. Jezus’ antwoord begint met – wat vreemd misschien: “Het eerste is dit: Luister Israël!”. Het eerste is dus: luisteren, aandacht besteden aan. En dan volgen de drie dimensies van ‘houden van’.
Eigenlijk zegt Jezus twee keer hetzelfde. Houden van – van God, van jezelf, van de ander – impliceert allereerst aandacht besteden aan, openstaan voor. Liefde is zoek als er geen aandacht is, als tijdens het gesprek de ogen verveeld wegkijken. Twee geliefden weten zich in hun liefde bedreigd als ze elkaar verwijten: “Je luistert nooit als ik wat zeg!”. Je naaste liefhebben is naar de ander met zo’n aandacht luisteren dat die ander voelt dat je werkelijk geïnteresseerd bent in hem/haar, in zijn/haar welzijn, in wat hem/haar bezig houdt.
Luister naar God, luister naar jezelf, luister naar je naaste. Zo creëer je ruimte voor het belangrijkste gebod: God, jezelf en je naaste beminnen.

De schriftgeleerde is het daar mee eens. En om duidelijk te maken dat hij Jezus goed begrepen heeft, illustreert hij zijn instemming met een concreet voorbeeld: ‘Luisteren en liefde zijn dus belangrijker dan offers brengen’, zeg maar: dan wekelijks naar de mis gaan.
Ja, de schriftgeleerde had wijs gesproken. “U staat niet ver van het Koninkrijk van God”.
Een typische Jezusreactie: Hij kijkt naar de weg die iemand reeds heeft afgelegd, niet naar hoever hij nog te gaan heeft om het Koninkrijk Gods te bereiken. Jezus gunt mensen de tijd, tijd om te zoeken naar de waarheid, tijd om te groeien in liefde. Hij eist van ons geen volmaaktheid. Voor Hem mag je er zijn, zoals je bent. Op één voorwaarde: je moet wel voortdurend op weg gaan. Zo zit dat blijkbaar met het volk Gods, … met Gods volk onderweg richting zijn Koninkrijk.

Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.