God als een kind

Mc. 9,30-37 ; Jac. 3,16-4,3

Vorige week, toen Jezus hun voor het eerst vertelde dat Hij als Messias zou moeten lijden en sterven, twijfelden we of de leerlingen de draagwijdte van die boodschap wel begrepen hadden. Vandaag wordt alle twijfel weggenomen. We hebben twee pagina’s in ons evangelieboek omgeslagen, en opnieuw legt Jezus hun uit dat de Mensenzoon door mensenhanden zal gedood worden om vervolgens te verrijzen. Maar nu voegt Marcus er uitdrukkelijk aan toe: “Ze begrepen het niet”. Ze begrepen het niet omdat ze nog vastgebakken zaten aan de klassiek joodse visie op de verwachte Messias. Ik heb vorige week uitgelegd waarom dit onbegrip de leerlingen niet te verwijten was. Maar… wie iets niet begrijpt; kan altijd enige toelichting vragen. Doch wat schrijft Marcus? “Ze begrepen dat woord niet, maar durfden Hem er ook niets over vragen.”
Waarom durfden ze niet? Om Jezus te ontzien? Omdat ze Hem niet wilden lastig vallen met hun gevraag? Schuchterheid en fijngevoeligheid zijn nochtans niet de meest in het oog springende karaktertrekken van Petrus & Co.

Niet alleen zij vroegen geen uitleg, ook wij zijn daarin lang niet altijd in geïnteresseerd. Als ons iets tegen zit – ook al is het onbenullig – dan staan we zo bij God en zijn heiligen op de stoep. Daar is niets verkeerds mee. Er is misschien wél iets aan de hand als we niét bij Hem aan de bel hangen. Dat zou wel eens kunnen betekenen dat we bang zijn dat zijn antwoord consequenties zou kunnen hebben die ons niet goed uitkomen.
Voor de leerlingen was dat niet anders. Het kwam hun niet slecht uit dat ze het exposé van Jezus niet begrepen hadden. Ze hadden zo hun eigen onuitgesproken ambities, en voelden met hun ellebogen aan dat die in de verdrukking konden komen als ze Jezus om nadere uitleg vroegen. Zwijgen dus maar.

Later op de dag, en petit comité, kwam de aap uit de mouw. Ze begonnen hun ambities onderling af te wegen. Wie van ons is de grootste? Wie heeft recht op welke machtspositie in het koninkrijk van de zegevierende Messias? Dàt speelde dus door hun hoofd: de strijd om de macht. En waar het spel van de macht gespeeld wordt, daar zijn heibel en ruzie niet ver weg.
Heibel om de macht. Een fenomeen dat altijd weer tot in den treure, onder mensen opduikt, niet alleen in de politiek maar in elk domein van de samenleving, ook binnen de Kerk, toen en nu, hier en elders. Jacobus (eerste lezing) wist het al: “Jaloezie en eerzucht leiden tot domme dingen. Wie niet kan krijgen wat hij wil, gaat erom ruziën en vechten. Maar met bidden kom je verder dan met haat en nijd.” Ook hij had zijn buik vol van al dat binnenkerkelijk gekibbel over míjn terrein, míjn positie, over míjn gelijk en al die andere lange tenen.
Ik kan me af en toe best inleven in zijn reactie.

Terug naar onze evangelietekst.
Thuisgekomen in Kafarnaüm, vielen de apostelen door de mand toen Jezus hun vroeg waarover ze achter zijn rug geruzied hadden. Weer zwegen ze als vermoord. Uit schaamte ditmaal.
Een pijnlijk moment, in de eerste plaats voor Jezus: moeten vaststellen dat zijn vrienden elkaar in de haren vliegen over wie de grootste is, terwijl Hij hun probeert duidelijk te maken dat Hij bereid is zijn leven te investeren voor vrede en gerechtigheid onder de mensen. Van de kant van zijn vrienden: geen greintje begrip, niet de minste behoefte aan enige toelichting. Het interesseert hun blijkbaar geen bal.

U en ik zouden wellicht ontgoocheld dichtklappen. Jezus niet. Hij brengt het monnikengeduld op om zijn positie als Messias nog maar eens uit te leggen. Als goed pedagoog knoopt Hij aan bij wat zijn onwillige leerlingen door het hoofd spookt. “Als iemand de eerste wil zijn – Hij wist blijkbaar heel goed waarover ze geruzied hadden -, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen”. Hij plukt het eerste beste kind van de straat, omarmt het, zet het in hun midden. “De grootste, dat is hij die zich klein maakt, die bereid is de kleinen van dienst te zijn.” Dàt is dus echt-christelijke hiërarchie. Dat de leerlingen daar maar eens over nadenken, en er consequenties aan verbinden. Dat de Kerk op onze dagen daar maar eens over nadenkt en er consequenties aan verbindt.

Jezus graaft nog een laagje dieper. Het gaat Hem om meer dan enkel het op zijn kop zetten van het klassiek hiërarchische denken. “Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij maar Hem die Mij gezonden heeft”. Het lijkt wel de regel van drie uit onze lagere schooltijd: ‘Wie een kind ontvangt, ontvangt Mij; wie Mij ontvangt, ontvangt God; conclusie: wie een kind ontvangt, ontvangt God.’ Het kind, symbool van kwetsbaarheid, van afhankelijkheid, maar ook van openheid en ontvankelijkheid – dàt kind weerspiegelt onze God, is beeld van onze God. God wordt omarmd in de gestalte van de zwaksten. God, die zich klein en kwetsbaar aan ons aanbiedt.

Ik weet niet of het de apostelen, die droomden van een zegevierende, binnenwereldse Messias, toen is opgevallen. Jezus cijfert zich hier als het ware weg. Als middenterm in de regel van drie legt Hij de link tussen het kind en God. Eens die link gelegd, is zijn bemiddelingsrol uitgespeeld. Niet Jezus staat centraal, maar diegenen met wie Hij zich zijn leven lang solidair heeft getoond: de meest kwetsbaren in de mensengemeenschap. Zíj zijn onder ons de belichaming van de God die op het heil en het geluk van mensen bedacht is. Wie hen – die kleinsten, die zwaksten – over het hoofd ziet, maakt weinig kans om ooit God te ontmoeten.

Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.