Geroepen tot zien

Marcus 10,46-52

Om ons te kunnen verplaatsen in het evangelie van vandaag maak ik even volgende kanttekening. Marcus sluit een periode af, waarin Jezus heel intensief met zijn leerlingen is opgetrokken. Hij heeft hen meerdere malen apart genomen om hen te onderrichten. Als je hoofdstuk 9 en 10 echter leest, zou je kunnen zeggen dat dat onderricht mislukt is. Dat het gefaald heeft. Dat Jezus hun niet heeft kunnen bijbrengen wat zijn diepste weg was. Herinner je het verhaal van vorige week zondag, waarin Jakobus en Johannes vroegen om een plaats in dat koninkrijk van Jezus. Herinner je ook Petrus, die zegt “Heer, U mag toch niet de weg van dat lijden gaan; dat kan U toch niet overkomen!”, waarop Jezus zegt “Achter Mij, satan, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten!” De leerlingen begrijpen niet waar Jezus het over heeft. Het enige wat zij kunnen zien is dat Jezus de nieuwe koning zal worden, de nieuwe redder van Israël, en dat zij daarin een plek zullen krijgen, een plek met macht en rijkdom en alles wat dat verder met zich meebrengt. De woorden over dat dienen, ook dat onderlinge dienen, krijgen ze niet opgepikt. Ze blijven blind en ze blijven doof voor de boodschap, die Jezus over zichzelf en dus ook over hen die Hem volgen brengt.
Je zou kunnen zeggen dat we vanuit dat perspectief vandaag een soort illustratie krijgen, een afronding, in het verhaal van de blinde Bartimeüs. Hoe oud of jong hij is, weten we niet. We weten slechts dat hij blind is, aan de kant van de weg zit en bedelt. Wat zou hij anders immers moeten doen? Hij heeft geen deel aan het leven dat de meeste mensen leiden. Hij staat erbuiten, aan de rand, aan de kant gezet of is zelf aan de kant gaan zitten. We weten het gewoon niet. Maar wat ook de reden mag geweest zijn waarom hij daar aan die kant van de weg zit en bedelt, nu hij hoort dat Jezus van Nazareth in zijn buurt komt, schreeuwt hij het uit: “Zoon van David, wees goed voor mij!” De blinde wil iets anders. Hij wil niet meer aan de kant staan, aan de kant gezet worden, onder de mat geveegd worden. Hij wil iets anders en laat zich de mond niet meer snoeren. Hij neemt zijn leven zelf op en schreeuwt dwars tegen dat geroep en gesnauw om hem heen in. Je moet je dat even voorstellen, al dat gedrang en dat geschreeuw rond Jezus en die blinde man, die er nog bovenuit krijst “Kyrie, eleison; Heer, heb medelijden met mij!” “Kyrie eleison; geef me wat!” Dat was de bedelaarsroep; met deze woorden vroeg hij zijn hele leven al om geld. Misschien snauwden de mensen daarom zo tegen hem. Hij kon Jezus toch niet om geld vragen, want dat zou ongepast zijn. De man vraagt evenwel geen geld. Recht uit zijn hart vraagt hij het enige wat hem te vragen staat: “Zoon van David, dat ik zien mag.” Hij weet dat hij blind is. De leerlingen van Jezus en de velen die met Hem optrekken zijn ziende blind, zij begrijpen niet dat Jezus juist voor arme mensen als Bartimeüs gekomen is, juist voor hen die langs de weg van het leven zitten, die naar de rand van de samenleving geduwd worden. De omstaanders geven er blijk van zelf blind te zijn voor wat Jezus als belangrijk ziet: de hand uitsteken naar wie hulp nodig heeft. Deze man weet van zichzelf dat hij blind is. Hij kent zichzelf en doordat hij zichzelf kent, kent hij ook Jezus. “Zoon van David” noemt hij Hem. Nog niet eerder is Jezus zo genoemd, dus waar haalt die man dat vandaan? “Zoon van David” is een titel die staat voor hoop, voor de verwachting die in Israël leefde. David was immers de koning bij uitstek, hij werd “een man naar Gods hart” genoemd. Er moest een zoon van hem komen, weer zo’n man naar Gods hart, die vrede, liefde en gerechtigheid zou brengen. De messiaanse verwachting van deze door God gezalfde Mens wordt door deze niet-ziende man aangewezen. Zo blind is hij dus niet. In die hele rumoerige massa is hij de enige die ziet. Hij kent en erkent Jezus als dé man Gods, op wie het hele leven wacht; en Jezus ziet in deze blinde bedelaar een man die weet heeft van verworpen worden, van door de dood heen gaan. Hij ziet in deze blinde man een mens, die weet waar Hij het zelf over heeft. Jezus gaat hier dan ook geen wonder doen, geen slijk of speeksel op zijn oren smeren of zijn ogen aanraken, niets van dat alles. Hij spreekt slechts één enkele zin: “Je vertrouwen is je redding”. En de man zag en volgde. Het verhaal van Bartimeüs is het verhaal van de ideale volgeling van Jezus.
Prachtig vind ik dat. Aan de kant van de weg, aan de rand van het leven heeft die blinde man geleerd wat de weg van Jezus is en wat het betekent om volgeling te zijn. Hij had het gezien in zijn blindheid.
Soms gebeurt het dat blinden beter zien dan de zienden. Door hun handicap hebben ze feeling gekregen voor bepaalde dingen. Ogen leiden ons vaak van de hoofdzaken af. Met onze ogen letten we op allerlei details die niet ter zake doen. Wij gaan af op uiterlijkheden van mensen, terwijl die toch niet zo belangrijk zijn. Nu Bartimeüs zien kan blijft hij erbij en trekt mee met Jezus, midden in het leven, midden op de weg. Het is hét wonder dat ons allen dient te overkomen. Als we geloven, gaat er een nieuwe toekomst open. Als we tegen het gesnauw om ons heen in durven te schreeuwen en als we onszelf leren kennen, werkelijk onszelf leren kennen, onze diepste verlangens, dan is er een nieuwe weg en een nieuwe toekomst. Amen.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.