Geen vriendjespolitiek

Geen vriendjespolitiek! (Lc 4,21-30; Jer. 1,4-5.17-19)

Profeten zijn vaak controversiële figuren, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Zij hebben een boodschap … maar maken het de mensen voor wie die boodschap bestemd is, niet altijd gemak­kelijk. Niet te verwonderen dat die bood­schap dan ook niet of verkeerd begre­pen wordt.

 

Neem nu Jeremia wiens roepingsverhaal wij in de eerste le­zing hoorden. Hij krijgt van God te horen: “Ik heb u tot profeet bestemd. Zeg tot het volk wat ik u opdraag. En laat u niet imponeren als koningen, priesters, edelen en burgers u de mond willen snoeren.” Als Jeremia verneemt welk onheil hij te verkondigen heeft aan het volk dat God de rug heeft toege­keerd, beseft hij wel dat hem geen fanfare zal opwachten om hem te verwelkomen.

Maar behalve dat het publiek op zijn boodschap niet zit te wachten, beschikt ook de boodschap­per over weinig of geen charisma. Als hij in het openbaar iets moet zeggen heeft Jeremia enorm veel last van plankenkoorts: zijn benen trillen en zijn tong slaat in een knoop. Slecht nieuws moeten brengen en dat niet netjes kunnen verwoorden… geen klus om naar uit te kijken. Het enige wat hij achter de hand heeft, is Gods belofte: “Zij zullen u bestrijden maar niets tegen u vermogen, want Ik ben bij u om u te redden”. Een mager troost, menselijkerwijze gesproken.

 

Wie is toch die God die het mensen, en ook zichzelf, vaak zo moei­lijk maakt, ter­wijl Hij – als hij wat beter uitkeek – toch ge­makkelijker paden zou kunnen bewan­de­len?

Op zijn zachtst gezegd is die God een heel eigenaardig iemand. Zolang alles onduidelijk is, verwarrend en onrustig, is Hij een rustpunt; je kunt er stil bij worden. Zodra het rustig is, zaait Hij zijn heilige onrust, Hij jaagt je weer op pad: ‘Omgord je lenden en stroop je mouwen op. Kom op voor de kleinen en machtelozen die in tijden van zogenaamde rust en orde, het hoofd niet boven water kunnen houden en dreigen te verdrinken’.

Een God die je aanport om – althans in mensenogen – steeds weer op het verkeerde paard te wedden. Met als enige garantie: ‘Wees niet bang, want Ik ben bij je. Wees niet bang, want wat je ook overkomt, Ik zal er zijn om je te redden’. Geloofsover­gave, die redelij­kerwijze onzin is.

 

Aanvankelijk leek Jezus er beter voor te staan dan Jeremia. Bij het begin van onze evangelielezing heeft hij de toehoor­ders op zijn hand: “Allen betuigden Hem hun instemming en ver­baasden zich dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloei­den”. Maar in minder dan geen tijd jaagt Jezus het volk op stang, zozeer dat ze Hem in de afgrond willen de­poneren. Men zegt wel eens dat ‘Gods wegen ondoorgrondelijk zijn’, minder eerbiedig geformuleerd: ‘Gods manier van doen is vaak dom, gewoonweg dom’. Als God destijds een pro­feet naar zijn volk wil sturen, kon Hij geen slechtere keuze doen dan de stotteraar Jeremia. Als Jezus voor het eerst als Gods gezondene het publieke forum betreedt, was het op zijn minst onverstandig om na vijf minuten zijn aanhang tegen zich in het harnas te jagen. Of niet soms?

 

Laat ons het verloop van de gebeurtenissen eens van naderbij bekijken.

Na de doop in de Jordaan en zijn retraite in de woestijn is Jezus zich ten volle bewust geworden van zijn levenstaak: de prediking van het Rijk Gods. Beladen met dat inzicht keert Hij terug naar huis, naar Nazareth.

Dat is wel een paar dagen lopen. Onderweg logeert hij een nachtje in Kafarnaüm bij zijn vriend Simon-Petrus. Die vraagt Hem even op ziekenbezoek te gaan bij zijn schoonmoeder die om het hoekje woont. Geconfronteerd met iemand in nood, grijpt Jezus in en geneest haar. Van daaruit trekt het groepje verder naar het Noorden.

Geruchten lopen sneller dan mensen. In Nazareth had het ver­haal dat een dorpsgenoot in Kafarnaüm een genezing had verricht, voor heel wat opschudding gezorgd. En als Jezus, een paar dagen na zijn aankomst, voorgaat in de synagoge, is er flink wat volk op de been.

Aanvankelijk verloopt alles naar wens. Jezus houdt een mooie homilie over een tekst van Jesaja waarin wordt aangekon­digd dat blinden zullen zien, gevangenen verlost worden, aan de armen de Blijde Boodschap zal verkondigd worden. En Jezus besluit: “Dit Schriftwoord is thans in vervulling gegaan”. [Dat is dan het begin van onze evangelie­tekst.]

Ze geloven Hem op zijn woord, want in Kafarnaüm had hij immers laten zien dat hij de aangekondigde verlosser en gene­zer was. De verwachtingen zijn dus hoog gespannen. Want nu gaat het gebeuren. Een wonder! Hier in Nazareth! Wie had dat ooit gedacht van de zoon van de schrijnwerker die een paar straten verder zijn ateliertje heeft.

 

Jezus weigert op de sensatiebehoefte in te spelen. Geen wonder dus. Dat was niet zozeer een kwestie van niet-willen, maar van niet-kunnen. Een wonder voor de show, dat kon Hij niet. Hij had een geloofsboodschap: wonderen waren zijn ant­woord op menselijke nood; die konden pas gebeuren binnen een kader van geloofs­overgave; de betekenis ervan wordt maar zichtbaar voor geloofsogen. Wonderen worden niet afgedwongen, niemand heeft er recht op. Ook zijn dorpsgenoten niet.

 

Kijk maar naar de grote profeten, zegt Hij. Elia, die destijds geweldig populair was, die deed ook geen wonderen voor zijn volk dat honger leed als gevolg van de droogte. Maar Hij vulde wel het olietekort aan van die arme weduwe en haar zoontje, bij wie Hij ingekwartierd was. Dat gebeurde in Sarepta, in den vreemde; niet in zijn eigen land Israël. Waarom niet? Omdat het volk, ondanks zijn miserie, het vertikte zich naar God tot te keren. En hetzelfde deed zich voor met de profeet Elisa…, zo gaat Hij verder.

Jezus maakt zijn toehoorders onomwonden duidelijk dat God, die werkt door de profeten, zich niet leent tot vriendjespolitiek. Als Nazareth denkt dat het bij Jezus-de-wonderdoener bovenaan de wachtlijst staat om profijt te trekken uit een wonder, dan zit het er glad naast.

Die afwijzing pikte Nazareth niet. Teleurstelling en gekrenkte trots waren voldoen­de om Hem er uit te gooien, ja zelfs zijn leven te bedreigen.

 

Als mens had ook Jezus natuurlijke affiniteiten met zijn fami­lie en zijn dorpsgeno­ten; maar dat had niets te maken met de kern van zijn opdracht. Voor Hem als profeet gold niet wat voor politici, kunstenaars en kunstenmakers zo belangrijk is. Wie solt met zijn populari­teit, wordt door zijn fans uitge­spuwd en op de duur zelfs gekruisigd. Zo is de massa: trouw zolang ze gevleid wordt.

God hanteert nu eenmaal andere criteria. Waar zijn mensen van geloof? Aan hen laat Hij zich kennen wie Hij is. Waar zijn er mensen in nood? Daar grijpt Hij in. Daar openbaart Hij zijn liefde!

Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.