Feest van de Heilige Familie B 2014 p

 28.12.2015  (Viering)

Simeon en Hanna
  (Lc 2, 22-40)
Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt dat ik, op het feest van de heilige Familie, het niet zal hebben over het gezin. Ik laat dat thema liever over aan de ‘ervaringsdes­kundigen’ van onze preek­ploeg. Ik wil me vandaag beperken tot enige achtergrondinfor­matie bij onze evangelietekst. Daarin komen o.m. een paar typisch Joodse geboorterituelen ter sprake.

Een vrouw die een kind gebaard heeft, was in Joodse ogen on­rein. Was het een jongetje, dan was zij 40 dagen onrein; was het een meisje, dan gedurende 80 dagen (vraag me niet naar het waarom van dat verschil). Na die periode ging de moeder naar de tempel om zich door een priester opnieuw ‘rein’ te laten verklaren. Als zoen­offer bood zij een eenjarig lam aan dat later in de eredienst als brandoffer werd gebruikt. Wie onbemid­deld was en geen lammetje kon betalen, offerde 1 of 2 duiven (Lev. 12, 2-8).
Ouderen onder ons herkennen dit wellicht: vroeger gingen ook bij ons jonge moeders, zodra ze weer te been waren, hun ‘kerkgang doen’.

Het tweede ritueel is de opdracht. Joden zijn er zich diep van bewust dat alle leven geschonken is van Godswege, en dat de mens slechts vruchtge­bruiker en rentmeester ervan is. Om daaraan uitdrukking te geven werden de eerste vruchten van de nieuwe oogst en de eerstgebo­renen van het vee geofferd bij wijze van dank en eerbetoon aan de Schepper van alle leven (Ex. 22,28-29; 13,2-12; Num. 18,15).
Aanvankelijk gebeurde zoiets ook met een eerstgeboren zoon. Die werd door de ouders afgestaan om dienst te doen in de tempel. Toen later de tempeldienst werd toevertrouwd aan de Levieten, leden van de stam van Levi, een van de twaalf stammen van Israël, gingen de ouders met hun eerstgeboren jongetje naar de tem­pel om het aan God op te dragen, aan Hem toe te wijden. Om praktische redenen liet men beide rituelen – de rein-verklaring van de moeder en de opdracht van de eerstgeborene – samenvallen. Daarom vieren we op 2 februari, exact 40 dagen na Kerstmis, het feest van ‘De Opdracht van Jezus in de tempel’, vroeger ‘Maria Lichtmis’ genoemd.

Aan dit voor joden zo belangrijk moment in het leven van moeder en kind besteedt onze evangelist opval­lend weinig aandacht. Voor hem is dit gebeuren slechts decor voor een schijnbaar toeval­lige ontmoe­ting: in de tempel lopen Maria en Jozef een zekere Simeon en Hanna tegen het lijf. En wat die twee over het kind Jezus te zeggen hebben, is, in de ogen van Lucas,  blijkbaar veel belangrijker.

Een kanttekening tussendoor. Ik heb al vaker gezegd dat de verhalen over het kind Jezus niet mogen gelezen worden als een stukje bio­gra­fie. Ze werden geschreven in en voor de jonge chris­ten­ge­meen­schap – lang na Jezus’ dood dus – om te verkondigen wie Jezus is en wat zijn bood­schap inhoudt. Het zijn dus eerder theolo­gische uiteen­zettingen, niet in abstracte taal maar in de vorm van concre­te, leven­dige verha­len, waarin bepaal­de feiten uit Jezus’ leven worden geïnterpreteerd en desnoods een beetje naar de hand gezet in functie van het geloof in de verrezen Messi­as. Die verhalen lezend, is de eerste vraag dus niet ‘Wat is er destijds pre­cies ge­beurd?’ maar wel ‘Wat wil de gewijde schrijver ons over Christus en zijn heil verkondigen?’. Die vraag moeten we dus ook vandaag stellen: Wat wil Lucas met zijn verhaal over Simeon en Hanna verkondigen over Christus en zijn heil?

De ontmoeting tussen Jezus en die twee is de derde, symboolrijke confronta­tie tussen de pasgeborene en het mens­dom.
De eerste had plaats in de stal. Rond het kind staan een onervaren moeder, een vrijwel naamloze vader en een paar onbelangrijke herders. Zo ontmoet Jezus het Joodse volk. De crème van de samenleving krijgt het kind niet te zien. Bij de pasgeborene zijn de plaatsen voorbehouden aan randfiguren, klei­ne,  nutteloze mensen. Zo wordt in het kerstver­haal Jezus’ hele leven samengebald in een notendop.

Daarna komen de wijzen in beeld: buitenlanders, niet-joden. Zij staan symbool voor de ontmoeting met de wereld. Voor de Christus is het Joodse volk niet langer het enig uit­ver­koren volk. Zijn Goede Bood­schap is er voor álle mensen. Grenzen worden openge­gooid, iedereen gelij­ke kans op redding. In Christus is het uitverko­ren volk: zij die zijn weg willen gaan.

In de derde ontmoeting legt Lucas de link tussen Jezus en de Joodse Messiasverwachting. Zodra het kind de tempel wordt binnenge­bracht, neemt Simeon, de vrome en wetgetrouwe jood, het in zijn armen en her­kent erin de Messias waarnaar het Oude Verbond zo verlan­gend heeft uitgezien: “Laat, Heer, nu uw knecht in vrede gaan, want mijn ogen hebben uw heil gezien.”
En dan zegt Simeon iets merkwaardigs: “Dit kind zal een openbaring zijn voor de heide­nen“. In deze context past het woord ‘heidenen’ niet in de mond van een verte­genwoor­di­ger van het Oude Ver­bond. Het oude Jodendom geloofde namelijk dat het heil uitsluitend voor de Joden, het uitverkoren volk, was gereserveerd. Niet-joden die ook hieraan wilden deel hebben, moesten eerst tot het Jodendom toetreden.
Dat dit kind ‘een openbaring voor de heidenen’ wordt genoemd, is geen Simeonpraat maar Lucaspraat. Het verwijst naar een discussie die in de begin­jaren het jonge christen­dom een tijdlang in twee kampen verdeelde. De groep van Joodse strek­king, waarbij Petrus aanleun­de, vond dat  heide­nen, die zich tot het christendom wilden bekeren, zich eerst als een Jood moes­ten laten besnij­den. Paulus en zijn medestanders vonden dat men heidenen die Joodse poespas niet moest aandoen: voor hen mochten niet-Joden recht­streeks tot het christendom toetreden. Lucas, zelf een bekeerde heiden, stond aan de kant van Paulus wiens gezel hij jarenlang is geweest. Zijn visie ter zake legt hij dus in de mond van Simeon.

En dan is er nog Hanna. Een profe­tes, staat er. We kennen beter profeten dan profetes­sen. Dat komt omdat de tradi­tie van de kerk altijd veel te weinig aan­dacht heeft ge­schonken aan de rol van de vrouw in de Bijbel. Als profe­tes staat Hanna in de lijn van andere oudtestamentische profetessen, zoals Mirjam (Ex. 15,20), Debora (Recht. 4,4), Chulda (2 Kon. 22,14; 34,22) en nog andere.
Hanna was reeds vele jaren weduwe. Iemand zonder be­staanszeker­heid. Haar ‘bron van inkomsten’ – als ik dat zo oneerbiedig mag formuleren – was immers overleden. Weduwen waren dus veelal aange­wezen op ondersteuning vanuit de tempel (Deut. 14,29; 26,12). Niet te verwonde­ren dus dat Hanna in de buurt van de tempel vertoefde. Maar weduwen mochten dan wel tot de ‘zwak­ke’ klasse behoren, ze stonden alom bekend om hun stevig geloofsleven. Ook Hanna diende God met vasten en bidden, zegt onze evangelietekst.
Over die Hanna is Lucas kort. Zij sluit zich aan bij het Messiasgeloof van Simeon, looft God, en gaat tegen iedereen die het horen wil, vertellen dat in Jezus de bevrijder van Jeruzalem is geboren. Dat laatste is een typische idee uit de profeti­sche literatuur. Hanna beli­chaamt dan ook ten volle de profe­tische traditie.

Het mag duidelijk zijn dat wij vandaag niet naar ‘zomaar’ een verhaaltje geluisterd hebben. Maar met de heilige Familie heeft onze tekst niet veel van doen, tenzij misschien dit. Ooit zei Jezus: “Wie is mijn moeder? Wie zijn mijn broers en zussen? Dat zijn zij die, zoals mijn Vader het wil, meewerken aan de totstandkoming van het heil wereld­wijd.” (Mt. 12,46-50; Mc. 3,31-35; Lc. 8,19-21). Aan ons om onszelf te profileren als broers en zussen van Jezus, broers en zussen van elkaar, verenigd in die ene heili­ge familie, zoals God de mensheid heeft gedroomd.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.