Feest van de Heilige Familie A 2013

H. Jozef, patroon van de vluchtelingen (Mt. 2, 13-15.19-23 ; Hosea 11,1-4.11b)

Het verhaal over ‘de vlucht naar Egypte’ is geen ooggetui­ge-verslag is maar een geloofsbelijdenis-in-verhaalvorm. Om de volle rijkdom ervan te vatten moeten we in de huid kruipen van de evangelist Mattheüs, een rab­bijns geschoolde jood, die de Jezusboodschap verkondigde aan zijn joods-chriselijke geloofsge­meenschap. En heel andere leef- en denkwereld dan de onze.

Religieuze joden zijn heel goed op de hoogte van wat wij ‘Het Oude Testament’ noemen. Want daarin wordt de geschiedenis van het joodse volk verhaald met zijn ups en downs, en hoe God, trouw aan het verbond dat Hij in Abraham met zijn volk had gesloten, steeds voor zijn volk heeft gezorgd. Die God heeft, bij monde van de profeten, aan het joodse volk de Messias beloofd. Tegen die achtergrond wil Mattheüs zijn volksgenoten ervan overtuigen dat Jezus die verwachte Messias is, dat in Jezus vervuld werd wat de profe­ten destijds hebben gezegd.

Voor ons misschien wat onverwacht, maar in die context is de sleutelzin van het verhaal over ‘de vlucht naar Egypte’: “Hij bleef in Egypte opdat vervuld zou worden wat door de Heer bij monde van de profeet gezegd is: Ik heb mijn zoon uit Egypte teruggeroepen”.
Over welke profeet gaat het hier? Een overbodige vraag, want voor zijn joodse toehoor­ders was het evident dat Mattheüs hier de profeet Hosea citeerde. Wij hoorden die tekst in de eerste lezing. Hosea verwijst naar de uittocht van de Israëlieten uit Egypte onder leiding van de grootste profeet die het Jodendom ooit gekend had, Mozes. Door dat citaat van Hosea op Jezus toe te passen, presenteert Matthëus Jezus als de nieuwe Mozes, de nieuwe redder van het volk, de Messias.

In zijn verhaal heeft de evangelist nog parallellen ingebouwd tussen Jezus en Mozes.
Over koning Herodes zijn we goed geïnformeerd dank zij Flavi­us Josephus, een joodse geschiedschrijver uit die tijd. Het be­sluit om alle ‘onschuldige kinderen’ van twee jaar en jonger in Bethlehem en omgeving te laten doden, past wel bij het karakter van Herodes. Die man leed aan achtervolgingswaan­zin en kon bijzonder wreed uit de hoek komen. Kort voor zijn dood heeft hij nog drie van zijn zonen laten vermoorden omdat hij hen ervan verdacht een greep naar de macht te willen doen. Maar over een massale kindermoord in Bethlehem rept Flavius Josephus met geen woord. Er zijn ook geen andere historische aanwij­zingen in die richting. Waarschijnlijk heeft Mattheüs dit verhaal ingevoegd als parallel met wat destijds Mozes was over­komen. U weet dat Mozes, door een list van zijn moeder, als baby ontsnapte aan de moord op alle joodse jongens waartoe de farao besloten had toen hij vond dat de Israëlieten in Egypte te talrijk werden en een bedreiging begonnen te vormen (Ex. 1,10-2,15).
Door ook in Bethlehem een kinderslachting te situeren kon Mattheüs Jezus naar Egypte laten uitwijken, en Hem vervolgens, net als het joodse volk onder leiding van Mozes en conform de profetie van Hosea, laten terugkeren naar het land van Israël. Jezus, de nieuwe Mozes dus, de door de joden verwachte Messias die zijn volk komt bevrijden. Die Jezus, wil Mattheüs aan zijn joodse lezers en toehoorders verkondigen. Een verkondiging in verhaalvorm, zoals in die tijd gebruikelijk. Zijn sterk oudtestamentische inkleuring moest de overtuigingskracht van zijn verhaal tegenover zijn joodse kerkgemeenschap versterken.
* * *
Ik kan me voorstellen dat menigeen onder u denkt: allemaal mooi, die achtergrondinfor­matie – maar daar kan ik niet veel mee.
Geen probleem. U mag het geloofsverhaal over ‘de vlucht naar Egypte’ ook in zijn geheel op jou laten afkomen. In dat geval is de centrale figuur niet Jezus – als Messias, als de nieuwe Mozes – maar wel Jozef.

Zodra Jozef van Godswege een seintje krijgt dat er gevaar dreigt, neemt hij het Kind en zijn moeder en slaat, diezelfde nacht nog, op de vlucht. Volgens de christelijke traditie zou het gezin twee jaar als vluchteling en vreemdeling in Egypte vertoefd hebben. Toen kreeg Jozef van de engel opnieuw te horen: “Sta op, neem het kind en zijn moeder”, ditmaal om naar zijn thuisland Israël terug te keren. En weer doet Jozef onmid­dellijk wat de Heer hem opdraagt.
Terug thuis in Bethlehem, blijkt dat het onder Archelaüs, zoon en opvolger van Herodes, evenmin veilig is. Na een nieuw seintje van Godswege, trekt Jozef in noordelijke richting en vestigt hij zich met zijn gezin defini­tief in het stadje Nazareth in Galilea. [Archelaüs maakte het zo bont dat hij na twee jaar koning­schap van de Romeinse keizer Augustus mocht opkras­sen].

Van het weinige dat de evangelies ons over Jozef vertellen, gaat de helft over opgejaagd worden en vluchten. Van Bethlehem naar Egypte, van Egypte naar Bethlehem, van Bethlehem naar Nazareth. Jozef de vluchteling, om het leven te beschermen van de nog zwak­keren – zijn vrouw en zijn Kind. Waarom zouden wij Jozef niet mogen promoveren tot pa­troon van de vluchte­lin­gen?
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.