Feest Heilige Familie C 2018 p

 30 dec.2018                             (Viering)

Botsende werelden
  [Lc 2,41-52]
Het verhaal over de terugvinding van Jezus is geen sprookje over een wonderknaap die de knappe koppen uit de tempel een lesje leerde. Om het op zijn juiste waarde te schatten moet je het lezen tegen de joods-culturele achtergrond van toen.

In Jeruzalem, hét godsdienstige centrum van het Jodendom, wer­den religieuze feesten intens ge­vierd. Telkenmale trok de hele stad naar de tempel. Wie verderop in het land woonde, maakte eens per jaar, bij voorkeur met Pasen, een pelgrimstocht naar de tempel van Jeruza­lem. Voor mannen – vanaf zijn dertiende werd een jongen als volwassen beschouwd – was dat een verplichting. Vrouwen waren niet verplicht, maar gingen wel vaak mee. En niet zelden namen ze ook de kin­deren mee op die jaarlijkse voet­tocht.
Twaalf jaar ginds en toen, is dus lang niet hetzelfde als twaalf jaar hier en nu. Zo’n jongen naderde de huwbare leeftijd en functioneerde reeds betrekkelijk zelf­standig. Het was dus geen klein kind dat verloren achter­bleef in de grote stad. De Jezus, die in de tempel zat te luis­teren naar het onderricht van de rabbi’s, stond op de drempel van zijn volwassenheid.

Dat allen die Hem hoorden, versteld stonden van zijn inzicht en zijn antwoorden maakt van Jezus nog geen wonderkind. Zoiets wordt wel vaker gezegd van een pientere knaap. Trouwens, toen Maria en Jozef Hem daar tussen de rabbi’s zagen zitten, krulde hun neus niet van trots. Integendeel: ze waren zeer ontdaan, hoorden we. Daar zat die zoon, waarover zij zich drie lange dagen en nachten dodelijk ongerust hadden gemaakt. En Maria is behoor­lijk boos: Kind, hoe kon je ons dit aandoen? Wat waren je vader en ik ongerust toen we je kwijt waren. Jezus’ reactie getuigt echter van weinig begrip voor de pijn van zijn ouders: In hemels­naam, waarom hebben jullie Mij gezocht?Wisten jullie niet dat Ik bij mijn Vader moest zijn?

Lucas laat hier twee vanzelfsprekendheden bot­sen. Maria’s verwijt Hoe kon je ons dit aandoen? gaat uit van de vanzelfsprekendheid dat kinderen, hoe oud ze ook zijn, zoiets niet behoren te doen. In Jezus’ wedervraag Wisten jullie niet dat Ik bij mijn Vader moest zijn? klinkt het verwijt dat zijn ouders iets belangrijks over het hoofd zien, iets dat voor Hem vanzelfsprekend is. Twee werelden die elkaar niet vinden. Zij begrepen Hem niet, schrijft Lucas dan ook.
* * *
Is het verhaal zoals Lucas het vertelt, een preciese weergave van wat daar toen is gebeurd? Ik heb daar zo mijn twijfels over. De ge­boortever­ha­len buiten be­schouwing gelaten, is dit incident het enige dat Lucas weet te vertellen over de eerste dertig levensjaren van Jezus. Waar­om juist dit ene verhaal, en niets anders?

Het mag duidelijk zijn dat Lucas geen bio­grafie van de jonge Jezus wou schrijven. Zijn interesse ligt elders. Hij wil iets ver­tellen over het mysterie van de per­soon Jezus. Hij wil zijn geloofsgemeen­schap duidelijk maken: ‘Wij zijn Kerk, wij zijn christenen, men­sen begees­terd door Jezus de Christus. Dat Je­zus ons zo kan bezie­len, komt omdat Hij bezield was door zijn Vader in de he­mel, omdat Hij thuis was bij die Vader.’
Die taal klinkt wat te abstract voor joodse oren. En dus verpakt Lucas zijn boodschap in verhaalvorm. Geen feitenrelaas maar geloofs­verha­len met steeds dezelfde tweevoudige bood­schap: Jezus, doodge­woon mensen­kind, en tegelijk ook niet, want Hij is ook een Godskind:
– Als mensenkind verwekt, werd Hij aangekondigd door de engel.
– Als mensenkind geboren, werd Hij geboren uit een maagd, omgeven door zingende engelen, de ster, de wij­zen uit het Oos­ten.
– Zoals iedere eerstgeboren joodse jongen werd Hij in de tempel aan de Heer opgedragen, maar dat ging wel gepaard met grootse voorspellingen door Simeon en Hannah.

In het evangelieverhaal van vandaag is dat niet anders. Het mensenkind dat voor het eerst in de tempel van Jeruzalem binnen wandelt, is tegelijk ook een Godskind, en dus moet het zich thuisvoelen in het huis van zijn Vader, meer zelfs dan thuis in Nazareth. Dat spannings­veld – mensenkind/Godskind – tekent Lucas uit in de vorm van een klein gezins­drama, een ouder-kind-conflict: tussen de wereld van de zoon en die van de moeder gaapt een kloof van onbegrip.

Het valt op dat wanneer de evangelisten dit spannings­veld – mensenkind/Godskind – ter sprake brengen steeds weer de figuur van Maria op­duikt. Als moeder van Jezus krijgt zij telkens opnieuw het­zelfde signaal: denk eraan, Jezus is ook een Godskind, en dat zal uiteindelijk de doorslag ge­ven: je zult je kind moeten loslaten omdat het de weg van zijn Vader moet gaan. Die voor haar onbegrijpelijke, want door mensenverstand niet te vatten boodschap, heeft Maria altijd in haar hart bewaard.

De zeldzame keren dat zij tijdens het openbare leven van Jezus ten tonele ver­schijnt, wordt diezelfde lijn doorgetrok­ken.
– Op de bruiloft te Kana, wanneer zij signaleert dat de wijn op is, lijkt Jezus haar in eerste instantie af te wimpelen: Mijn uur is nog niet gekomen (Joh. 2,4).
– Toen zij Jezus eens ging opzoeken op zijn verkondigingstocht, reageerde Hij nog vreemder: Mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil vol­brengen van mijn Vader in de hemel (Mt. 12,50). Het zal je als moeder maar overkomen dat je zoon, in jouw aanwezigheid,  zoiets zegt ‘en plein public’.
– En tenslotte is er de episode onder het kruis. Vooraleer definitief naar de Vader terug te keren zei Hij tegen haar: Moeder, ziedaar uw zoon. Johannes, als apostel de verpersoon­lijking van de Kerk op aarde, werd aan haar moederlijke zorgen toever­trouwd. Maria, moeder van de Kerk, en dus, onze moeder. En toen was alles volbracht.

In haar Magnificat zong Maria niet alleen haar bescheidenheid uit, maar vooral ook haar geloof en haar blijvende trouw aan haar Zoon, ondanks alle scheidingspijn. Bescheidenheid, geloof en trouw aan je kind, typische moederdeugden, waar­voor u en ik – altijd ook kind, hoe oud we ook zijn – onze moeder en onze Heer te zelden ‘dank u’ zeggen.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.