Eind goed, al goed

Mc. 13,24-32

Als de Bijbel het over het einde van de wereld heeft, voelen velen zich wat ongemakkelijk. Dat heeft onder meer te maken met die verwoestende rampenscenario’s, met het vreemd religieus taalgebruik (wat moeten we ons bijvoorbeeld voorstellen bij “hemelse machten die wankelen”?). Maar het heeft evenzeer te maken met het feit dat er ook sprake is van een soort oordeel waar alles zo hard en definitief klinkt. Het gaat daar enkel maar over goeden en slechten, terwijl wij geneigd zijn onszelf daar ergens tussenin te situeren. Maar dat eindoordeel kent geen ’tussenin’. Het wordt dus bang afwachten in welke richting voor ons de balans van de eeuwigheid zal doorslaan.

Mocht de evangelist Marcus momenteel in onze Witte Kerk zitten luistervinken, dan zou hij nu rechtspringen en ons toeroepen: “Sorry mensen, maar er is niets om bang voor te zijn. Ik heb jullie juist moed willen inspreken! Hou vol, want God maakt ‘eind goed, al goed’.”
Als het zo eenvoudig is, waarom doen onze evangelies dan zo moeilijk over het einde van de wereld? Het spijt mij, maar dat is een wat ingewikkeld verhaal. Ik probeer het zo eenvoudig mogelijk te houden, maar het zal wel een kleine inspanning vergen om het te blijven volgen.

Ik begin met de voorgeschiedenis van onze eerste lezing. In het Oude Testament keek Israël reikhalzend uit naar de komst van de Messias. Aanvankelijk geloofden de joden dat er iemand uit hun midden zou opstaan. Die zou de leiding van het volk op zich nemen, de hele wereld veroveren en die op een ideale manier besturen. Overal zou rechtvaardigheid en vrede heersen.
In de tweede eeuw vóór Christus werd Israël bezet door de Syriërs. Die hadden in Jeruzalem een marionetten-koning geïnstalleerd, Antiochus Epifanes. Die man had nogal een hoge dunk van zichzelf. Hij hield grote kuis in de tempel en maakte er een cultusplaats van voor zichzelf. Wie weigerde te offeren op het altaar van de nieuwe god-koning werd gruwelijk ter dood gebracht. Elke vorm van verzet werd bloedig onderdrukt en vooral, de ontheiliging van de tempel was voor gelovige joden een gruwel. Daaruit groeide de overtuiging: ‘Zulke praktijken kan God toch niet blijven dulden. Onze God is rechtvaardig, en dus zal Hij eerstdaags zijn Messias doen opstaan om ons uit de klauwen van Antiochus te bevrijden.’
Maar er stond in die dagen geen Messias op. En steeds meer joden begonnen te twijfelen aan God en zijn rechtvaardigheid. Midden die geloofscrisis klinkt het woord van de profeet Daniël – de tekst van onze eerste lezing. Hij wil zijn volk moed inspreken en vertelt een visioen. Let wel, Daniël is geen toekomstvoorspeller maar een profeet, niet iemand die vertelt wat er in de toekomst te gebeuren staat maar iemand die uitlegt waarom er een eind zal komen aan de macht van het kwaad en waarom recht hoe dan ook zal zegevieren. ‘Hou stand’, zegt hij, ‘en twijfel niet aan de rechtvaardigheid van God. Dat Messiaanse rijk van rechtvaardigheid en vrede komt er beslist! God zal zijn hemelleger naar de aarde zenden onder aanvoering van opperbevel-hebber, de aartsengel Michaël. Er zal een hevige strijd ontbranden tussen goed en kwaad, zo hevig dat de hele schepping, de hele kosmos op zijn grondvesten zal daveren. Maar het hemelle-ger zal zegevieren. En er zal een nieuw tijdperk aanbreken. God zal vanuit de hemel zijn Messias zenden, die een rijk zal vestigen waarin enkel plaats is voor wat goed is. Daar zal recht geschieden: wie destijds verdrukt werd, zal eeuwig heil ten deel vallen en de verdrukkers van toen worden verdoemd. En dat geldt niet alleen voor de levenden maar ook voor hen die reeds gestorven zijn, want zij zullen ontwaken uit het stof.’
U hoort het, de profeet Daniël schildert zijn visioen met een grove borstel. Maar zijn boodschap is duidelijk: God garandeert ‘eind goed, al goed’, en die geloofszekerheid moet de joden die leven in een wereld waar het kwaad de overhand heeft, op de been houden.

In wat Daniël hier over de Messias zegt, zitten, in vergelijking met vroeger, enkele nieuwe elementen. Hij heeft het niet meer over een aardse Messias, niet meer over iemand die uit het volk opstaat en een rechtvaardig wereldrijk uitbouwt. In zijn visioen is de Messias een Godsge-zant die uit de hemel neerdaalt, voor levenden en doden een Godsrijk zal vestigen nadat een hemels leger, niet in een aardse maar in een kosmische strijd, het kwaad zal vernietigd hebben.

Deze nieuwe interpretatie van de te verwachten Messias geraakte steeds meer ingeburgerd. Vooral toen, na de Syriërs, Israël in handen viel van de Romeinen die zo machtig waren dat het steeds onwaarschijnlijker werd dat er een wereldlijke Messias zou kunnen opstaan om het heft in handen te nemen. Ten tijde van Jezus was de meerderheid van de joden ervan overtuigd dat het kwaad zo stevig verankerd zat in de wereld dat alleen een direct ingrijpen van Godswege, dus van bovenuit, daaraan een einde kon maken.

Op deze nieuwe Messiasopvatting bouwt de evangelist Marcus verder. Ook hij heeft het over een kosmische strijd: hij maakt er een soort omgekeerde schepping van: de lichtbronnen die God geschapen heeft – zon, maan en sterren – worden gedoofd. Wat hij schrijft over de hemelse machten, over de Mensenzoon op de wolken en over engelen heeft hij letterlijk afgeschreven uit het Oude Testament . Dat is geen luiheid of gebrek aan inspiratie. Marcus wil op die manier een link leggen tussen de door Daniël verwoorde joodse Messiasverwachting en Jezus. Hij wil zijn gelovigen duidelijk te maken dat de Messias waar de joden naar uitkeken, reeds verschenen is in de persoon van Jezus Christus. In Hem is de belofte van de profeet vervuld. In Jezus is de macht van het kwaad reeds in principe overwonnen. En bij zijn wederkomst op het einde der tijden zal zich dat in al zijn glorie manifesteren, zoals de profeet heeft gezegd.

Toch lijkt Marcus een beetje geschrokken te zijn van de vele rampen waarmee Daniël het einde der tijden heeft beschreven. Alhoewel hij stukjes tekst van hem overneemt, houdt Marcus toch niet van de bombastische beeldspraak van de profeet. Om dat wat af te zwakken gaat hij de poëtische toer op: Het einde der tijden is zoiets als de lente, een vijgenboom die begint te botten, knoppen die openspringen. Als je dat ziet, dan beklaag je de knop niet omdat hij openscheurt onder de druk van nieuw leven. Integendeel, gevoelens van blijdschap overheersen, want je weet: de zomer is op komst. Zo moet je ook niet te zwaar tillen aan die einde-van-de-wereld-rampenscenario’s: wat er dan te gebeuren staat, zijn slechts overgangsperikelen, het schurend scharniertje van de deur die openzwaait zodat we kunnen binnentreden in het Rijk van vrede en gerechtigheid waar Christus koning zal zijn.

Aan het slot van onze evangelietekst zet Marcus ons opnieuw met onze twee voeten op de grond: Laat u niet afleiden om van je leven wat te maken, want “niemand weet wanneer die dag of dat uur aanbreekt, de engelen niet, zelfs niet de Zoon, maar alleen de Vader”. Het is nog geen zomer. En in de lente kan het weer nog heel wisselvallig zijn. Maar als het eens dondert en bliksemt in je leven, geen paniek! Je weet immers dat ons levensboek eindigt op een ‘happy end’. Maar intussen moet je wel de handen uit de mouwen steken, want hoe meer onze wereld Rijk Gods geworden is, hoe minder kwaad er op het einde van de tijden moet vernietigd worden. Want onze God wil immers dat op het eind alles goed is.

Marc Christiaens o.p

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.