Een nieuwe kerk in een nieuw landschap

Artikel over de kerk van Schilde-Bergen verschenen in ‘Zondagsvriend’ mei 1951

 

 

 

 

 

In het landelijk kader een landelijk Huis van God

Een goede boogscheut voorbij Antwerpen valt de vruchtbare zware grond van de Polders stilaan uiteen tot los zand. In de lucht komt de prikkelende geur van dennen en masten, die ’s Zondags de stadsbewoners aantrekt en zich bij schoon weer over duizenden ontfermt.
Tussen Schilde, Wijnegem en ’s Gravenwezel, in de Voorkempen, strekte zich vroeger het prachtige domein uit van Gilles de Pélichy, dat in de jongste jaren omgetoverd werd tot een villa-park. In dit enig mooie kader, waar berk, den, mast, beuk en eik afwisselen met een verbluffende verscheidenheid, verrijzen nu tal van villa’s die alle, om het natuurschoon niet te schenden, in landelijke stijl werden opgericht.
Op het grondgebied van Schilde bestond reeds een kleine gemeenschap, Schilde-bergen, wat het aantal aldaar verblijvende families actueel tot 161 opvoert.
Vanzelfsprekend brengt zulks nieuwe behoeften mee: school en kerk. Reeds was een noodkapel opgericht. die onder het beheer stond der E. P. Dominicanen. Maar het was een oud, lelijk ding, een houten loods, een noodoplossing. O. L. Heer heeft zijn vreugde bij het wonen onder de mensen, ook al is Zijn woning primitief en ongerieflijk. Maar de mensen hebben tot plicht Hem een huis aan te bieden, dat Hem waardig is.
Zo ontstond aldaar de noodzaak tot het bouwen van een kerk.
Dat is gemakkelijk gezegd, maar niet zo gemakkelijk gedaan. Een nieuwe parochie ontstaat vanzelf: aangroei van de bevolking, de trek naar de buiten, vooral dan in de onmiddellijke omgeving van een grootstad die haar wallen sloopt, doet vanzelf nieuwe gemeenschappen ontstaan.
Maar die gemeenschap geven waarop zij recht heeft, op de eerste plaats een kerk. is niet zo eenvoudig: Hier vooral stelde zich, buiten de gewone materiële en financiële moeilijkheden, een vraag die van allereerste belang was: hoe zou men hier een kerk bouwen, die het landelijke cachet zou eerbiedigen, die in harmonie zou blijven met dat grootse monument door God eigenhandig opgetrokken: het natuurschoon ? Het moest iets worden, dat even natuurlijk groeide als de bomen en de planten, dat omhoog zou wijzen naar de hemel, maar tevens vast zou zitten aan de aarde: een ideaal verbindingsteken tussen natuur en bovennatuur, tussen weiden, bossen en de oneindigheid van de daarover koepelende hemel, met blauwe luchten of dreigende wolkenmassa’s, kortom een bedehuis dat volledig in het kader van dit natuurreservaat zou passen en de karakteristieken ervan volledig eerbiedigde.
Het bereikte resultaat is verbluffend  omdat hetgeen verwezenlijkt werd zo gans natuurlijk en vanzelfsprekend is: een gebouw in landelijke stijl, dat tevens kerk is, op de eerste plaats kerk en tegelijkertijd landelijk van aanblik en geest. Kerk, niet alleen omdat een kruis en een haan op het laaggezeten torentje prijken, niet omwille van de galmgaten in dat zelfde torentje : de lippen van de zingende klokkenmonden, niet omwille van de grote glazen rosace in de zuidergevel, noch de ronde heup van de uitspringende doopvont.
Dit gebouw is een kerk, vooral omdat het rust en vrede uitstraalt omdat het noopt tot binnentreden en stil gebed.
Waarin hem dit juist zit ?
Moeilijk te zeggen. Waarschijnlijk in de geest waaruit het ontstond: een betrachten van harmonie, door de communie van het landelijk schoon met de schoonheid van de eredienst. Daarom voelt men onwillekeurig het volmaakte evenwicht aan. De créme-kleurige muren, niet te fel blakerend zelfs onder het hevigste zonlicht; de romaans afgeronde vensternissen; het ontzaglijk vlak van het schuine rieten dak, dat opklimt naar het hemel en zich tevens als ontfermend neerbuigt naar de aarde: symbolisch trait d’union tussen beide, heel effen en vlak, zoals de kerk voor de mensen de weg naar de eeuwigheid effent; de ingangspoort, die niet afsluit, maar uitnodigt met zijn beschermende uitbouw tot overkoepeling als een waarborg van veiligheid bij storm en ontij; en een torentje waaruit, de klokklanken jubelend, treurend of nodigend zullen kleppen, dat alles, en toch niet dat alleen, maar vooral de harmonie tussen de vele elementen heeft deze kerk haar eigen, rustig cachet gegeven, zoals men ook in onze Middeleeuwen, harmonie tussen lichaam en ziel wist vast te leggen in de stenen hymne van de kerkbouw.

Onder een heldere hemel gebeurt                                Voorlopige inzegening van de kerk door de inzegening der buitenmuren.                                       Z.E.P. Prior der Dominicanen. Naast hem———————————–—————————————–  E.P. Smets, pastoor der nieuwe parochie

 Het interieur

Treedt men uit het klare, bijna overdadige licht van de feestelijk Meidag in de stilte van het gebouw, dan blijft men onwillekeurig perplex staan. Er is hier iets dat tot u spreekt. Rechtstreeks. De stilte of de eenvoud, de stemming of de rust? Wie zal het zeggen? Niets breekt het serene van dit, alhoewel op dit ogenblik nog onvoltooid interieur.
De enkele gang langs de biechtstoelen, waarvan de iet of wat te hoekige vorm wordt verzacht door de plooien der neerdalende draperieën, als de mantel van barmhartigheid die God om zondige, koppigplompe schouders van de mensen heeft gehangen, plaatst zich onopgemerkt in het geheel van de binnenruimte.
Het licht, dat zacht neer glijdt uit de glooiende vensternissen, zeeft al het – mogelijk – wereldse tot fijne vergeestelijking.
De stille lijn van de romaanse rondboog (niet het vanzelf opklimmen tot God : eerder het afronden van onze vierkante lompe koppigheid en trots) doet denken aan de vóór-Middeleeuwse kloosters, waar paters in witte pijen geruisloos aanschoven voor het zingen van de getijden.
Om op te klimmen uit de nog wat leeg-aandoende ruimte van het gebouw moet men de brede trappen bestijgen die leiden naar het altaar en het eenvoudige tabernakel. Zo gaat ook de weg in ons leven, die leidt naar God: geëffend als het pleine vlak van het rieten dak buiten, de moeilijkheden afgerond als de ronde vensterbogen, toch eisend de inspanning van de bestijging (als de berg van Calvarie) wil men ingaan tot het Heilige der heiligen. Maar bovenal dat veilig stellen van onze kleine pogingen en grote angsten, van ons koppig niet-willen en onze berouwende terugkeer, als dat enorme koepeldak van paranapijn, dat, zo warm van tint en lijn, een reuzeboog spant over verlangens en smeekbeden, zegening en jubel van hen die daaronder neerknielen in dit huis van God, dat op deze mooie plaats, tegen deze strelende achtergrond van wei en bos, de juiste vorm kreeg in zijn juist kader.

 

Het stemmige interieur                                                        Achter het eenvoudige hoofdaltaar.                                                                                                                    rijst een reusachtig Christus-kruis                                                                                                                      omhoog. Met het ontfermend gebaar is                                                                                                               het een statische zegening van kerk,                                                                                                                   parochie en gelovigen.

 Processiegewijs wordt het H. Sacrament           Het eerste plechtige lof in de schemerdonkere
door de
vroege lenteavond                                      kerk bij valavond.
naar de nieuwe kerk gedragen.      

 

Download PDF
Kategorie(n): Geen categorie

Comments are closed.