Een goede herder

Een goede herder
Overweging bij de lezingen van de vierde zondag na Pasen. De tekst van deze lezingen (Hand. 4, 8-12 en Joh. 10, 11-1Smilie: 8) vindt u verderop in dit parochieblad.

In tegenstelling tot vandaag had  in Jezus’ tijd, het woord ‘herder’ geen paternalistische bijklank. De klok rond was een herder verantwoor­delijk voor zijn kudde. In Israël zijn er geen mooie grasvlakten; dorre, woes­tijnachtige heuvels bezaaid met stenen des te meer. Een herder moest zijn kudde van oase naar oase loodsen. Bij valavond zocht hij een kraal op – een omhei­ning van stokken en draden – waarin meerdere kudden tegelijk werden ingeslo­ten. ’s Nachts hielden de herders om beurt de wacht, en ’s mor­gens ging ieder weer zijn eigen weg. Zo ging dat weken en weken aan één stuk door. Al die tijd was de herder voor alles ­verantwoordelijk: eten en drinken voor de schapen, hun veiligheid, drachtige ooien, pasgeboren lamme­ren, zieke dieren. Hebben de schapen het koud, dan heeft ook de herder het koud; smach­ten ze naar water, dan heeft de herder ook dorst; een herder ruikt naar zijn schapen, slaapt tussen zijn schapen, hun vuil kleeft aan zijn kleren en aan zijn lijf. Roofdie­ren die af en toe wel een schapenboutje lusten, moet hij met knots
en slinger wegja­gen. En soms geraakt hij daarbij gekwetst, of nog erger.
Ver en lang weg van de bewoonde wereld, gebeurde het wel eens dat een herder het vertrouwen van de eigenaar van de kudde niet waard bleek. Het waren die profiteurs, door Jezus ‘huur­lingen’ genoemd, die het beroep een slechte naam bezorgden: het ruige herdersvolk werd door de goegemeente over dezelfde kam geschoren als rovers en bedriegers. Uitschot dus.

Met zo’n figuur identificeert Jezus zich: “Ik ben de goede herder”, één die een hart heeft voor zijn schapen, iemand die er desnoods 99 achterlaat om dat ene verlorene te gaan zoeken (Lc. 15,4-Smilie: 8). Er niet achteraan gaan is accepte­ren dat dat dier een zekere dood tege­moet gaat. Hij móét ernaar op zoek. Elk dier is een stuk van hemzelf. Een weggelo­pen dier tast zijn imago van zorgzame herder aan. Als hij het niet terugvindt, kan hij zichzelf niet meer onder ogen komen, is hij geen goede herder meer, wegens te bang of te verstrooid­ om zijn taak aan te kunnen.
Een huurling daarentegen heeft alleen oog voor wol en vlees. Die is niet in de schapen ge­ïnte­resseerd. Die maakt zich niet druk over 1% kapitaalverlies. Dat is een be­roepsrisico. En als de eigenaar van de kudde dat niet accepteert, dan krijgt die wel een of andere vrome uitleg in de maag gesplitst. Een huurling zorgt vooral voor zichzelf, zonodig ten koste van. Het vervelende is dat ook huurlingen zich als herders presenteren. Zolang alles goed gaat, zijn de goeden van de slechten nauwelijks te onderscheiden. Maar zodra hij zich als persoon moet engageren, geeft de huurling niet thuis. Zoveel is wol en vlees hem niet waard.

Herders en huurlingen, ze zijn van alle tijden. Je treft ze aan de politiek, in het beroepsle­ven, in onze gezinnen, in de Kerk.
Voor een goede herder ­hangt de waarde van een mens niet af van wat hij/zij kan of bezit. Die vraagt niet: “Wat heb ik eraan? Wat brengt het op?”. ‘Dienen’ staat voorop, niet ‘verdienen’. Hij weidt niet alleen de schapen, hij is ze ook toegewijd. Hij legt hun vrijheid niet aan banden. Hij is een nederig iemand, weet zich­zelf te relative­ren, maakt eigen wensen en ambities onderge­schikt aan wat belangrijk is voor hen die hem zijn toever­trouwd. Zoals Petrus in de eerste lezing. Pasen heeft hem iets gedaan: hij is zelf opgestaan. En nu, in de tempel, heeft hij een man, lam vanaf zijn geboorte, letterlijk op zijn voeten gezet. In naam van Jezus. Dat hij daarvoor op het matje geroepen wordt door de overheid… dan moet dat maar.
Het is geen idyllische job, herder zijn in naam van Jezus die tot hoeksteen is geworden… Een hoeksteen draagt een gebouw, maar je kunt er je ook lelijk aan stoten.
Zo zouden herders dus moeten te zijn. Maar… van volmaakte herders gaan er ook geen dertien in een dozijn.

“Ik ben de goede herder” zegt Jezus. En volgende week luidt het: “Ik ben de ware wijnstok” (Jo. 15, 1-5). En elders in het evangelie: “Ik ben de weg” (Jo. 14,1-6), “het brood des le­vens” (Jo. 14,1-6), “het licht van de wereld” (Jo. 8,12; 9,5). Hoe Jezus zichzelf ook karakteriseert, steeds klinkt het pre­tentie­loos. Zijn omschrijvingen zeggen niet wat Hij is voor zichzelf maar wat en wie Hij wil zijn voor anderen. Wie zich bij Hem wil aansluiten, ontvangt leven, groeikansen. Hongerigen worden door Hem gevoed, zieken worden genezen, uitgebloeide mensen worden weer opgericht, zondaars krijgen vergiffe­nis. Hij bevrijdt ons van kwaad dat onze ont­plooiingskan­sen beknot. Waar Hij komt, ver­spreidt Hij de goede geur, zet Hij de logica van het goede in werking, maakt Hij van losse individuen een levensgemeen­schap, zeg maar Kerk.
Aan die Kerk geeft de Goede Herder leiding, in de zin van attent en bezorgd begeleiden, maar ook in de zin van lijden-met-een-lange-ij, lotsverbonden mee-lijden met de mens. God lijdt met ons mee, wetend waarom en waartoe. Want Hij alleen kent het waarom. Hij alleen kent het einddoel van onze levens­weg, de oase waarheen wij op weg zijn, waar het zal zijn “één kudde met één herder”.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Geen categorie

Comments are closed.