18e zondag door het jaar B preek

Brood om van te leven (Ex. 16, 2-4.12-15; Joh. 6,24-35)

Tientallen jaren lang liepen de Israëlieten kromgebogen onder het slavenjuk van Egypte. Verstoken van alle elementaire rechten en vrijheden, hadden ze op een bepaald ogenblik zelfs geen recht op eigen nageslacht, want toen de joodse bevolkingsaangroei uit de hand dreigde te lopen, liet de Farao alle pasgeboren jongetjes in de Nijl gooien.
Het verzet bij het joodse volk groeide. Toen Mozes, die destijds ontsnapt was aan die kinder­moord, de leiding van de bevrijdingsbeweging op zich nam, werden de acties zozeer opgedre­ven, dat het Egyptische staatsbestel op zijn grond­vesten begon te trillen. Uiteindelijk liet de Farao de Israëlieten vertrekken. Vol goede moed begonnen ze aan de grote Uittocht: zij trokken door de Rode Zee, de woestijn in, op weg naar het Beloofde Land.

Amper zes weken later is de vreugdestemming omgeslagen, en spelen zich de gebeurtenissen af die ons in de eerste lezing werden verteld.
Het liep mis met de bevoorrading in de woestijn. Het volk is uitgehongerd, uitgedroogd door de verzengende hitte. Ontmoedi­ging en wanhoop alom. Mozes krijgt de zwarte piet toegespeeld: “Gij hebt ons bedrogen! Gij had ons een land vol melk en honing beloofd! Ge hadt ons beter in Egypte gelaten, in plaats van ons hier te laten verhongeren!”.
Mozes besefte dat zijn leiderschap op het spel stond. Ten einde raad schoof hij de verantwoordelijkheid door naar ‘hogerhand’: “Jullie moeten niet tegen mij protesteren. Ga bij God je beklag doen. Hij gaf mij de opdracht zijn volk uit Egypte te leiden!”
Dan treedt God in actie. Hij belooft dat het brood zal regenen uit de hemel. En ’s anderendaags is dat vreemde voedsel er: manna. Manna is een soort hars dat door bepaalde heesters in de Sinaïwoestijn wordt afgescheiden. Het wordt hard, is grijsachtig van kleur, en is eetbaar. Weliswaar voedsel van minderwaardige kwaliteit, maar – hoe dan ook – ‘hemelse spijs’ voor uitgehongerde magen.
Ook al is er een natuurlijke verklaring voor dat ‘hemelse’ brood, toch is en blijft het manna teken van Gods trouw. Israël hoopt op zijn God. En telkens als de nood dringt, doet het volk op Hem beroep.
* * *
Een voor de hand liggende vraag: Als dat destijds zo ging, waarom grijpt God dan vandaag niet in? Een derde van de wereldbevolking zou met zo’n mannawonder dik tevreden zijn. Maar je kunt bidden, zo veel en zo luid je wilt… geen wonder. Er vallen geen kwartels of broden uit de hemel. God, waar zijt Gij? Of is Hij dan toch dood en begraven?

In onze evangelielezing vinden we het antwoord. Net als de oude Israëlieten toen die het manna ontvingen, waren ook de mensen uit Kafarnaüm en omgeving dankbaar omdat Jezus, de van God Gezondene, hen met het teken van de brooduitdeling te eten had gegeven. Zo dankbaar waren ze dat ze Hem tot koning wilde kronen. Daar was Jezus niet goed van – zo hoorden wij vorige week – en Hij trok zich stilletjes terug. Pas ’s anderendaags vonden zij Hem aan de overkant van het meer.
Wat Jezus toen zei, zal zijn bewonderaars rauw op de maag gevallen zijn: “Jullie zoeken Mij, niet omdat jullie tekenen hebt gezien, maar omdat jullie jullie maag hebt kunnen vullen”. En Hij vergelijkt het teken van de brooduitdeling met het mannawonder ten tijde van Mozes.

Door iemand te eten te geven verander je niets wezenlijks, want morgen heeft hij opnieuw honger. Zo ging dat ook destijds in de woestijn: elke dag opnieuw moest God zijn mannawonder herhalen. ‘Met de brooduitdeling, gisteren,  – zegt Jezus – heb Ik dat mannawonder van destijds niet eventjes overgedaan. Dat was geen reddingsboei die steeds weer opnieuw moet uitgegooid worden.’
Bij Jezus gaat het niet om het materiële brood zoals ten tijde van Mozes. Het brood dat Hij deed uitdelen is voor Jezus een ‘teken’, beeldspraak, een verwijzing. Daarmee lanceert Hij een totaal nieuw product: brood om van te leven, voedsel dat een definitief einde maakt aan het steeds opnieuw opflakkerend gevoel van knagende honger. “Ik ben het brood om van te leven – zegt Jezus. Als je je voedt aan Mij en mijn boodschap, dan leef je niet langer voor jezelf. Al wie zich écht tot Mij bekeren, dienen hun krachten te bundelen om nood en miserie de wereld uit te helpen. Als liefde de grondwet van het leven wordt, dan lukt het! Dan zijn mannawonderen overbodig.”

In Jezus heeft God het over een andere boeg gegooid. Hij deelt geen brood uit opdat wij zouden zeggen ‘dank u wel en smakelijk’. Gelovigen zijn geen broodconsumenten, maar – in navol­ging van Jezus – bestrijders van hongersnood. We moeten niet, zoals in het Oude Testament, bidden en smeken om een nieuw manna­wonder voor de ondervoede Derde Wereld. Christenen, echte christenen, zijn mondige mensen, dragers van eigen verantwoordelijkheid. Geen vroom gevouwen handen in de schoot leggen, maar handen uit de mouwen steken!

En het gaat niet alleen om het lenigen van materiële nood. Als we eten van het brood dat Jezus ons aanbiedt, dan voeden wij ons aan de Geest van Jezus. Ook dat brood, die Geest, moeten wij op onze beurt uitdelen:
– door de strijdbijl van ons eeuwig eigen gelijk te begraven;
– door de hand te drukken van wie we met de nek aankijken;
– door in te leveren i.p.v. anderen uit te leveren aan armoede en werkloosheid;
– door de ruiten van onze eigen heilige huisjes in te gooien i.p.v. die van onze buurman;
– door niet alleen te strijden tegen vervuiling van ons milieu maar ook tegen de vervuiling in ons eigen leven en de levensvervuiling die wij anderen aandoen;
– door wat minder bezig te zijn met ‘wat anderen zouden moeten doen’ en ons wat meer af te vragen of wij, in wat we zeggen en doen, wel echt gestalte geven aan de geest van het evangelie.
Marc Christiaens o.p.

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.