Driekoningen C 2022 p

EEN OPENBARING   Matt. 2 (1-12)

Vandaag vieren we een openbaring. Een openbaring is altijd een feest omdat we daardoor binnentreden in een ervaring die oneindiger is dan ons beperkt realiteitsbesef. Een openbaring geeft een nieuw elan aan ons bestaan! Een openbaring is toekomst! Tenminste, als we er voor open staan, als we bewust of onbewust ernaar gezocht en verlangd hebben. Dat vertelt ons het evangelieverhaal van vandaag.

3 Wijzen uit het Oosten – Driekoningen – Magiërs laten die ommekeer in hun leven toe. Meer dan het eigenlijke kerstverhaal domineren ze in de folklore door zang en processies en in de iconografie.
Hoe komt dat toch?
Het kerstverhaal zelf vertelt over mensen voor wie geen plaats meer is in de herberg. En die realiteit van vernedering en uitsluiting beleefden vele van onze voorouders maar ook nog velen vandaag. Worden we niet dagelijks- via de media -met onze neus gedrukt op de schande dat ook wij onze herberg sluiten?
De wereld van de koningen is voor de armen  maar ook -voor velen onder ons vandaag nog- een fascinerende bestaan, zelfs al is de levenswijze van die koningen oorzaak van sociale ellende. De koningen in ons verhaal zijn ook wijzen, denkers dus, filosofen en als magiërs, als  wetenschapsmensen, bestuderen ze de kosmos.
De voorstelling van de 3 koningen bewijst dat de drang naar kennis niet ras- of cultuurgebonden is. Altijd is de mens bezeten geweest om de kosmos te begrijpen. De kosmos is verleden, is ontstaan maar ook toekomst. Ook vandaag nog willen we de kosmos onderzoeken, beheersen, klaar maken voor onze overlevingskansen. Ook de magiërs in ons verhaal willen voeling krijgen met het vele  dat bestaat tussen hemel en aarde. Als  intellectuelen  zijn ze -zoals alle wetenschapsmensen – onrustige, zoekende mensen. Vanuit de vezels van hun bestaan zelf beseffen ze, dat er meer is dan wat ze tot dan toe konden beleven. Er is het onbeschrijfelijke, het onvatbare en voorlopig nog het onnoembare. De onrust in hen wordt een dwingend verlangen, een absolute nood. En zoals elke wetenschapper hebben ze voor dat weten, voor die kennis alles over.
Ze vertrekken uit het Oosten: bron van licht, van de opgaande zon naar het Westen: gebied waar het licht verdwijnt in duisternis. Ze gaan een totaal omgekeerde wereld in. Het is geen avontuurlijke, aangename vakantietrip. Hun reisgids is een onbekende ster. Je moet wel gek zijn. Wie riskeert nu zoiets? Het is complete waanzin …
En met de dag wordt het erger. Een helse tocht door onleefbare, hete  woestijnen, die ze niet kenden en waar geen oases te vinden zijn. De ijzige koude van de besneeuwde bergen overwinnen en dat zonder skipak. Overvallen worden door  vijandige volkeren, bestolen en bedrogen worden. Honger en dorst lijden. Hun dieren sterven, dienaren worden ziek en komen in opstand. Van ondergeschikten moeten verdragen: compleet onbegrip, compleet ongeloof. Een ervaring van wetenschapsmensen van alle tijden. Angst en alleen maar angst wordt hun lot. Is dat dwingende gevoel in hun ziel, dat alles wel waard? Wacht hen niet een zware ontgoocheling, die uitmondt in een depressie?

Een depressie die velen onder ons – precies met als oorzaak datzelfde fundamenteel verlangen – overvalt. En wat doen wij dan? Halen we onze schouders op of kijken we de andere richting uit? Lachen we met angsten die we niet ernstig nemen? Verwijten we de radeloos zoekende chaos te creëren en ondankbaar te zijn?  Of durven we de angsten en dat wanhopige, onweerstaanbaar zoeken  van de andere meebeleven ?
Waarom trotseren de koningen die hel?  Waarom gaan ze toch niet terug naar huis? Waar ze baden in veiligheid en glorie? Waar alles is ‘comme il faut’ heel normaal dus. Koninklijk. Is het, omdat ze niet willen toegeven dat ze zich vergist hebben en zich oneindig belachelijk hebben gemaakt? Is het, omdat ze zo totaal teleurgesteld zijn?  Is het, omdat ze hun fortuin hebben verspeeld aan waanvoorstellingen?

Of… is het, omdat ze totaal overmeesterd zijn door de zekerheid van de hoop? En vanuit dat zeker weten, vanuit de kern van hun ziel, moeten ze wel verder. Ze kunnen niet meer naar het vroegere bestaan terug. Net zomin als mensen dat vanuit de diepte van een depressie dat ook  niet kunnen. Wie overmeesterd is door het besef dat wanhoop tot hoop kan worden omgebogen, kan niet meer terug. En wil het ook niet.

De koningen arriveren in het schitterende, rijke Jeruzalem en vragen raad aan koning Herodes. Een heel normaal gebeuren. Dat doen wij ook. In onze nood gaan we te rade bij gelijkgezinden, sociaal gelijk-gestelden, mensen met hetzelfde intellectueel niveau.
De vraag van de koningen veroorzaakt een schokeffect niet alleen bij Herodes en zijn medegezagdragers maar ook bij de bevolking. Onrust ontstaat. Hun macht, hun geld, hun eigen zekerheid dreigt aangetast te worden en ze worden bang. Hun bereidwillige hulp is enkel schijnhulp en bedoeld om hun  eigen levenswijze te bestendigen, te rechtvaardigen. Aan andere opties hebben ze geen boodschap en ze begrijpen ze ook niet.  En daarin schuilt het gevaar dat de zoekende medemens wordt gebruikt of zelfs misbruikt.
Dus zegt Herodes: ‘Ga naar Bethlehem en vertel ons het resultaat. Dan kunnen we de juiste maatregelen treffen.’ Eigen veiligheid  voor alles.
En weer volgen de koningen de ster in zichzelf en ze reizen naar  Bethlehem. En daar ontdekken ze dan een kind. Totale verbijstering overvalt hen. Is het dat maar… Hebben we daarvoor zoveel getrotseerd, alles opgeofferd?
Plots verschijnt het licht van de ster, dat ze in zichzelf dragen, in het Kind. Hun ziel juicht. Totale vreugde vervult hen. De vreugde van de herkenning van wat ze zochten en nog niet konden benoemen. Hun hardnekkige  tocht resulteert in het aanvaarden van de  openbaring van God zelf  in het Kind met de naam Emmanuel. De naam die God zichzelf geeft.  Die zegt:‘Ik ben die ben’ die uitnodigt en de zekerheid biedt: ’Wees maar niet bang want ik ben er altijd. Ik draag mee uw lasten’. Wat een bevrijding! Wat een toekomst!

En zij, de koningen, voor wie anderen altijd hebben geknield, knielen nu zelf in volle overgave. Ze offeren zichzelf volledig, wie ze zijn, in de koninklijke de symbolen: goud, wierook en mirre. Ze hebben zichzelf ontdekt en de zin van hun leven verstaan in het herkennen en aanvaarden van een kosmos waarin God in totale liefde zichzelf kan zijn. Ze zijn andere koningen geworden – eindelijk.
Ze keren niet meer terug naar Herodes. Die schijnwereld van eigen belang en angst bestaat niet meer voor hen. Maar ze onderschatten wel die  wereld . Die tot alles in staat is. Hun besluit veroorzaakt tragiek. In zijn machtsdrang laat Herodes alle jongens jonger dan twee jaar vermoorden. In zijn intuïtieve relatie met God, in zijn droom, voelt Jozef wat komen gaat. Hij vlucht met Maria en Jezus door de Sinaïwoestijn vol gevaar, zonder onderdak, totaal ontredderd naar Egypte. Ze hebben geluk. Ze bereiken het land van rijkdom, werkgelegenheid en cultuur. Na de dood van Herodes keert het gezin terug. Uit angst voor weerwraak van Herodes’ zoon durven ze niet terug naar Judea, waar ze oorspronkelijk thuis horen  en vluchten ze naar Nazareth in Galilea. Zo wordt Jezus een ontheemde, een  vluchteling in eigen land.

En wij? Wat moeten we met zo’n verhaal vandaag? Wie zijn wij in het hele  gebeuren? Zijn we Herodes? Houden we vast aan onze geopolitieke en economische macht?  Offeren we daarvoor miljoenen kinderen op? Laten we kinderen van honger omkomen, weigeren we hen medische zorg want te duur ? Kijken we de andere kant op als kinderen worden verkocht, misbruikt, gefolterd? Veroordelen we verlaten kinderen tot straatdieren die maar op straat moeten slapen in onze steden? En kijken we via televisie rustig toe hoe kinderen verdrinken in gammele bootjes? Zijn we mondiale moordenaars?
Of zijn we de koningen? Durven we – de ster die in ieder van ons klaar ligt – laten schitteren in HET KIND ? Accepteren we die openbaring van GOD ? Willen we knielen voor DAT KIND  en in HEM alle kinderen van de wereld ontmoeten? Delen we ons  goud, wierook en mirre? Durven we kinderen – waar ook in de wereld – in de ogen kijken en  in hen God ontmoeten en dan zeggen : ik ben bereid?
Maria Van Heuckelom

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.