Driekoningen C 2016

3 januari 2016   (Viering)

De vierde Koning
                                                                       
Dat de Driekoningen met drie waren, stond niet in onze evangelietekst. Het zou dus wel eens kunnen dat er ook een vierde koning was.
En jawel, ergens in Azië woonde nog een koning die de ster had gezien. Ook hij had begrepen dat dit het teken was dat Jezus was geboren. En dus ging ook hij op weg. Natuurlijk nam hij de nodige geschenken mee: goudstukken en edelstenen, bont, zijde, en een pot met de allerfijnste honing.
Op zijn reis naar het westen kwam hij de andere drie koningen tegen. En samen volgden zij de ster.
Na vele dagen stappen kwam de karavaan in de buurt van een grote stad. Aan de stadspoorten werden ze aangesproken door een groep bedelaars. De drie koningen deden alsof ze hen niet gezien hadden en liepen door. De vierde koning bleef staan, en kocht met enkele van zijn goudstukken voedsel zodat de bedelaars eens lekker konden eten.
Door dat oponthoud speelde hij wel de andere koningen kwijt. Ook op m’n eentje zal ik de ster wel kunnen volgen, dacht hij. En Jezus zou wel tevreden zijn met een geschenkje minder.
Een eind verder zag hij een groep slaven. Het was vreselijk om te zien hoe zij door hun eigenaar beestachtig behandeld werden. Daarom kocht onze koning, met de edelstenen die hij bij zich had, de slaven vrij. Maar die slaven reageerden helemaal niet dankbaar, integendeel. Ze zeiden: “Ja, we kregen wel slaag, veel soms, maar we kregen ook te eten. Nu hebben we helemaal niets meer”. De koning schrok, maar begreep hen wel. En met de rest van zijn goudstukken kocht hij een vervallen boerderij, knapte ze samen met hen op en leerde hun hoe ze moesten zaaien en planten, en oogsten.
Dat nam nogal wat tijd in beslag, en om wat op te schieten koos de koning ervoor om niet rond maar dwars doorheen de woestijn te trekken. Daar werd hij plots overvallen door een zwerm bijen die hongerig op zoek was naar voedsel. Omdat die beestjes niet van honger zouden omkomen, gaf hij ze dan maar zijn pot honing. Jezus zou ook wel tevreden zijn met bont en zijden weefsel, dacht hij.
Een paar dagen later trof hij onder een schrale boom een melaatse aan. Toen hij de etterende wonden van de man zag, haalde hij de zijden doeken uit zijn bagage, scheurde ze in repen en verbond er de wonden van de melaatse mee.
Ondertussen werden de nachten kouder en langer, en noodgedwongen moest de koning het stuk bont dat hij als geschenk had meegenomen, voor zichzelf gebruiken. Hij sukkelde verder en toen hij eindelijk weer de bewoonde wereld had bereikt, zag hij er zelf uit als een bede­laar, gehuld in een weliswaar dure, maar tot op de draad versleten bontmantel.
Plots hoorde hij een vrouw luid schreeuwen en hij zag hoe soldaten haar zoon meesleurden. De zoon had heel wat schulden gemaakt en was daarom veroordeeld tot een straf van 30 jaar dwangarbeid als galeislaaf. Omdat hij haar enige zoon was en de moeder ook nog weduwe was, betekende dat dat de moeder ook tot de bedelstaf veroordeeld was. Bewogen door medelijden stelde de koning aan de rechter voor dat hij de plaats van de gestrafte jongen zou innemen. Die aanvaardde de ruil en zo kwam de koning terecht in het ruim van een schip waar hij de straf – dertig jaar roeien – moest uitzitten.
Na al die lange jaren dwangarbeid werd hij vrij­gelaten. Het schip lag op dat moment – toeval of voorzienigheid? – aangemeerd aan de kust van Palestina. Oud en versleten kroop hij aan land. Geen idee waar hij Jezus moest vinden. De ster was allang verdwenen. Hij sukkelde verder, richting de hoofdstad Jeruzalem.
Daar aangekomen, trok het gejoel van een samengestroomde menigte zijn aandacht. Hij volgde de mensen en kwam bij een heuvel waarop drie kruisen stonden. Aan elk kruis hing een man. Verdwaasd stond hij ernaar te kijken. En plots zag hij dat de middelste van de gekruisigden naar hem glimlachte. Hij ging dichterbij en las het opschrift bovenop het kruis: “Jezus van Nazareth, koning der Joden”.
“Jezus!” riep hij uit. En met gedempte stem vervolgde hij: “Al die tijd ben ik naar U op zoek geweest. En nu ik U gevonden heb, sta ik hier met lege handen. Ik heb niets meer om U aan te bieden. Ik heb alleen nog mijn leven, en ook dat is niet veel zaaks, want ik ben oud en versleten. Totaal op.” En toen sprak Jezus: “Ik heb net aan de man naast Me gezegd dat hij met Mij mee mocht naar het huis van mijn Vader. Kom ook maar mee met Mij.”
Op dat ogenblik kreeg de koning een visioen. Hij zag hoe de bedelaars die hij destijds bij de stadpoorten te eten had gegeven, nu een goeddraaiende winkel runden. Hoe de vrijgekochte slaven samen een groothandel van dadels en palmolie hadden opgezet. Hij zag dat de bijen aan wie hij zijn pot honing had cadeau gedaan, zelf zoveel honing hadden gemaakt dat een hele nomadenstam ervan kon leven. De melaatse… die was blijkbaar genezen en was arts geworden, huidspecialist. En de jongen die destijds veroordeeld was tot galeislaaf, leidde nu een eerlijk leven, en had zijn moeder in huis genomen. En nu hij dat allemaal gezien had, sloot onze vierde koning tevreden de ogen.
“Kom nu” zei Jezus tot hem, “Het is vandaag Goede Vrijdag, even voor drie uur. Hoog tijd om naar het huis van mijn Vader te vertrekken.”
naar een Middeleeuwse legende

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.