Driekoningen A 2017 p

Vreemde Godszoekers (Mt. 2, 1-12)                (Viering)

Beste Vrienden,

Dit super-populaire kerstverhaal kennen wij al vanaf onze prille jeugd – hebben jullie zoals ik ook de herinnering aan die zeer speciale sfeer die rond de kerststal hing ?
Zie je ons nog door de straten lopen, met kroon en laken achter een kartonnen ster op een bezemsteel ? En dan maar zingen over die drie koningen !
+++
Als wij voor iemand een speciale verering hebben, dan gaan we aan onze medemensen hierover een verhaal vertellen.  We schetsen de levensloop van die persoon – en hoe hoger onze bewondering – hoe meer we de nijging hebben om het verhaal te stofferen – we willen het met andere woorden “in geuren en kleuren” vertellen.

Zo moet het ook Matheüs vergaan zijn,  toen hij aan zijn joods-christen gemeente zijn boodschap kwijt wilde  over zijn grote idool,  zijn Messias !
Zo een verhaal begint dan meestal met de vermelding van geboorteplaats en datum.   En hier stond Matheus  (zo rond het jaar 80) al voor een eerste grote hindernis : noch bij Marcus, die zijn evangelie al vroeger schreef, noch bij oudere bronnen kon hij iets vinden over de kindsheid van Jezus.

Hij ging dan maar te rade bij de profeten van het oude testament.  Hij viel op Jesaja  – die de glorie van Betlehem beschrijft – kwam op verschillende plaatsen de uitdrukking “Davidszoon” tegen en – beetje bij beetje – puzzelde Matheüs zijn verhaal bijeen om zijn boodschap uit te drukken in een mooie en eenvoudige symboliek –  een symboliek die het kleinste kind – dus iedereen – kon verstaan. Want vergeet niet dat zijn mensen meestal ongeletterd waren – dat  trouwens vaak geen geschreven woord beschikbaar was.
Zo wou hij – met dit deeltje uit zijn verhaal – de nadruk erop leggen dat zijn Messias niet alleen voor de Joden uit Israël gekomen was, maar voor alle volkeren. Daarom is de kerk dit feest dan ook “Openbaring des Heren” gaan noemen.

De geschiedenis heeft bewezen dat dit een geniale formule was. Al spoedig gaan kunstenaars, schilders en beeldhouwers dit thema overnemen. Reeds in de Romeinse catacomben vinden wij fresco’s met de uitbeelding van het bezoek van de magiërs.  Een onnoemelijk aantal schilderijen van grote kunstenaars zullen de altaren gaan versieren.

In de loop der eeuwen gaan de mensen – die er vol van zijn – het verhaal nog wat opsmukken.  De magiërs worden koningen – zij brachten immers koninklijke geschenken mee – en zij waren met drie, vermits zij uit alle continenten afkomstig waren (het bestaan van een vierde en vijfde continent werd pas heel laat ontdekt).
In de vijfde eeuw krijgen ze ook een naam en in de twaalfde eeuw laat de Duitse keizer, Frederik Barbarossa, het gebeente van die zogenaamde drie koningen overbrengen van Milaan naar Keulen.  In de dom van Keulen worden zij nog altijd vereerd.

Als – in de dertiende eeuw – Franciscus van Assisi zijn eerste kerststal bouwt, zal hij een os en een ezel in de stal zetten. Hij heeft immers ook Jesaja gelezen. En deze laatste schreef “ De os en de ezel kennen de hand van hun meester, maar gij, mijn volk, kent uw meester niet !”

Maar zijn al deze toevoegingen niet ontstaan uit dezelfde drijfveer die de evangelisten reeds aan de dag legden :  een uitdrukking van een diep volksgeloof ?
Is het  uitbeelden, versieren, draperen van het kerstgebeuren geen poging om iets dichter te komen bij dat grote mysterie van de menswording ?
Is het geen middel,  om onze machteloosheid tegenover het transcendente te relativeren ?
En is het niet zo, dat we – geconfronteerd met het Kerstekind – terug aan de onschuld van onze eigen jeugd denken, waarbij we overstemd worden door goede gevoelens – gevoelens van vredelievendheid en naastenliefde ?

Haal de kerststal dus terug van de zolder – zet de herders en de koningen terug erin en wordt terug kind…
Misschien …komen we dan een klein beetje dichter bij de Andere.
De Andere die we zo slecht begrijpen, maar die we zo hard nodig hebben !

Laat ons dus  – zoals die vreemde Godszoekers –  de ster volgen;  zoals Frans Weerts schreef:

Voor elke tocht is er een ster,                                  Voor elke tocht is er een ster,
Een woord, een teken,                                              Die wijzen brengen zal
Een weg, een uitweg,                                                Waar ’t wonder van het leven
Een terugweg als het moet.                                      In eenvoud wordt getoond
Waar Gods liefdevol geven
In kinderogen woont.
Voor elke tocht is er een ster,
Voor ieder mens,                                                      Voor elke tocht is er een ster.
Voor oud en jong                                                       Zoek niet te ver ! …
Die wijs wil heten,
Voor iedereen die zoekt
Naar redding en naar recht.

Paul Caroen

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.