Drieëenheid A 2014

15 juni 2014  (Viering)

God, driemaal (2 Kor. 13,11-13; Joh. 3,16-18)

Na alle grote gebeurtenissen herdacht en gevierd te hebben – geboorte, doop, lijden, dood en verrijzenis van Jezus, tot en met de gave van de Geest vorige week met Pinksteren  – zet de liturgie Diegene in de schijnwerpers die het allemaal op gang heeft gebracht en het ook voltooien zal: God zelf.

Dat op dit feest God als ‘Drievuldigheid’ of ‘Drie-eenheid’ gepresenteerd wordt, daar voel ik mij niet zo lekker bij. Jezus heeft dat woord nooit in de mond genomen, nergens in de Bijbel komt het voor. Die term werd gelanceerd door een concilie in de zesde eeuw, een tijd waarin de Kerk zich met duidelijke en klare definities meende te moeten afzetten tegen zogenaamde ketterse visies. ‘Drievuldigheid’ werd toen omschreven als “drie goddelijke Personen die  de éne God zijn, omdat zij alle drie één en dezelfde godde­lijke natuur hebben.” Voor mij is die definitie alles behalve klaar en duidelijk. En zonder veel scrupules laat ik haar rustig liggen onder het stof in de archiefkamer van de kerkgeschiedenis.

Mijn voorkeur gaat uit naar het woordgebruik van Jezus die God ‘Abba’, ‘Papa, lieve Vader’ noemde; die ook sprak over de Geest die Hij zou zenden als helper en trooster; en die zelf door zijn leerlingen ‘Zoon van God’ werd genoemd. God als Vader, Zoon en Geest dus. Drie invalshoeken om over God te spreken, drie beelden die ons zeer vertrouwd zijn. We spreken ze uit in ieder kruisteken dat we maken als we gaan bidden, vóór en na iedere eucharistieviering, in alle sacramenten. Ook in onze geloofsbelijdenis.

God, die wij, in navolging van Jezus, ook ‘onze Vader’ mogen noemen. Daarmee zeggen we iets over Hem én over onszelf. Daarmee zeggen we dat ons bestaan in laatste instantie niet aan het blinde toeval is te wijten. Wij zijn er omdat wij door Iemand gewild zijn, gewild door een Schepper met een vaderhart. Wij zijn er omdat wij, tot in de wortel van ons wezen, door God worden bemind.
Dat klinkt mooi maar tegelijk is het wel een controversiële uitspraak: aan de ene kant spreken over een liefdevolle Vader en aan de andere kant moeten vaststellen dat er in onze geschapen wereld zoveel is dat helemaal niet wijst in de richting van Gods goedheid.

Maar we hebben ook nog niet alles gezegd over God. We hoorden daarnet in de evangelielezing: “Zoveel heeft God van de wereld gehouden dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken (…). God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om door Hem de wereld te redden.”
Er gebeurt in de wereld zoveel dat God niet heeft gewild. Maar Hij laat de door Hem geschapen wereld niet aan zijn lot over. Hij komt er zelf naar toe, om persoonlijk alles mee te maken wat mensen kan overkomen. Tot in de diepste absurditeit en verschrikking van het ontwrichte bestaan daalt Hij af. Omdat op deze aardbol zoveel kruisen staan, heeft Hij er zelf een gedragen. Met ons eigen kruis op de schouders, staan we dus nooit meer alleen.
Misschien hadden we liever gewild dat Hij alle kwaad, lijden en miserie met een grove borstel van deze aarde had weggeveegd. Maar Hij kiest niet voor geweld en overmacht om de wereld naar zijn hand te zetten. Hij kiest voor liefde en offer, tot en met het offer van zijn eigen leven.

En eens de Zoon zijn taak ten einde toe heeft volbracht en in de heerlijkheid van de Vader is opgenomen, laat God ons niet verweesd achter. “De God van liefde en vrede zal met u zijn”. Met die belofte sluit Paulus zijn tweede brief aan de christenen van Korinthe af, zo hoorden we in de eerste lezing.
God is niet ‘ver weg’, ergens boven de wolken in een verre, andere, transcendente wereld. Hij is bij ons, met ons, in ons, hier en nu: in tekenen en symbolen waarop Hij zijn stempel heeft gedrukt, die van Hem, van zijn Geest doordrongen zijn, zoals het brood en de wijn die Hij ons straks aanbiedt; Hij is diep in het hart van mensen die ‘Abba, lieve Vader’ tot Hem bidden; Hij is in de gemeenschap van hen die in zijn Naam gedoopt zijn. God laat zich vinden in de veelvuldige gedaanten van de liefde: in vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid. Die worden niet toevallig ‘de zeven gaven van de heilige Geest’ genoemd – vruchten dus van Gods-bij-ons-zijn.

Dat is dus onze drie-ene God: God boven ons als Schepper en Vader; God naast ons: Jezus, Broeder en Tochtgenoot; God in ons als Geest van liefde, vrede en gerechtigheid.
Vader, Zoon, Geest… betere woorden om over die ene God te spreken, ken ik niet.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.