Doop van de Heer A 2020

12 januari 2020      (Viering)


Door de Doper gedoopt
             (Mt. 3,13-17)

In de woestijn, langs de oever van de Jordaan, liep een zekere Johannes te roepen dat het laatste oordeel nabij was. Een zonderling met een rare boodschap… In het landelijke Galilea was dat ‘plaatselijk nieuws’. Maar men lag er niet van wakker. De mees­ten glimlach­ten even. Enkelen konden hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en gingen een kijkje nemen. Onder hen een zekere Jezus, een timmerman uit het dorpje Nazareth.

Dat Hij zich door Johannes had laten dopen, is in het leven van Jezus een ingrijpend moment gebleken. Als Hij later over de Doper sprak, was dat altijd met grote eerbied. Op een bepaald ogenblik zei Hij zelfs: “Van alle mensen die uit een vrouw geboren zijn, is Johannes de Doper de groot­ste” (Jo. 11,11).

Wie was die Johannes die door Jezus zo hoog gewaardeerd werd? Wat bezielde die man en wat beoogde hij met zijn dooppraktijk?
In de herinnering van het jonge christendom leefde Johannes voort als iemand die bezeten was van één gedachte: weldra komt God de wereld oordelen, een vernietigend oordeel voor al wat kwaad is. Al het slechte, al wat niet deugt, zal met wortel en al worden uitgeroeid.

Dat God de mens ooit ter verantwoording zou roe­pen, en dat Hij van bomen die niet deugen, brandhout zou maken, dat ge­loof­den de meeste Joden wel. Maar Johannes schreeuwt: ‘Let op mensen, het is niet `ooit zal God komen oordelen’, maar Hij gaat het komen doen: “De bijl ligt al klaar bij de wortel van de bomen!” (Mt 3,10). “Hij komt de goeden dopen met de heilige Geest, en de slechten met vuur” (Mt.3,11). Je enige kans om het komende oordeel goed door te komen, is de doop met water, de onderdom­peling in de Jordaan als teken van bekering, van totale ommekeer’.

Het aantal mensen dat zich door Johannes liet dopen zal wel niet overweldigend geweest zijn. Waarschijnlijk keerden zij nadien terug naar hun dorp, hun gezin, hun werk, nagekeken door de meewarige blikken van hun dorpsgenoten: wie laat zich nu van de wijs brengen door een donderpreek van zo’n zonderling? En de spotters kregen gelijk: Het godsoordeel – “dat nù ging gebeuren” had Johannes gezegd – greep niet plaats.

Een van hen die zich door die vreemde figuur liet aanspreken was dus Jezus. Hij kiest voor de totale ommekeer die Johannes verkondigt. Meer nog, als, enige tijd later, Johannes door Herodes gedood is, gaat Je­zus met zijn predikatie een soortgelijke toer op. Hij heeft het niet over een straffende God, zoals Johannes, maar zegt wel: “Bekeert u want het Koninkrijk van God is nabij”. Sterker nog: “Het Koninkrijk Gods is midden onder u”.
En inderdaad, aanvankelijk althans, leek dat Rijk Gods in Jezus’ woord en werk een begin van realisering te kennen: de mensen waren onder de indruk, Hij straalde gezag uit (Mt 7,29), op een bepaald moment wilden ze Hem zelfs tot koning uitroepen (Jo 6,15). Maar een paar jaar later is alles wéér voorbij. Jezus wordt gekruisigd. En ook van zíjn voorspelling blijft weinig over.

Neen, het begint pas! De begeestering van Jezus slaat met Pinksteren over op zijn volgelingen: Het Koninkrijk Gods is wel degelijk onder ons, maar wij moeten eraan handen en voeten en een gezicht geven.

Pas toen, met Pinksteren, begrepen zij dat Jezus de Messias was. Pas toen be­grepen zij dat alles begonnen was met zijn doop door Johannes. Van die achterafse ontdekking zien we sporen in ons evangelieverhaal. Plots veranderen toon en stijl. Ons doopver­haal begint heel gewoontjes. Maar ineens krijgt dat ‘fait divers’ een omkade­ring van wonderlijke tekenen: de hemel scheurt open, de Geest daalt neer, een stem uit de hemel sprak: “Gij zijt mijn geliefde Zoon in wie Ik vreugde vind”. Op die manier introduceert Mattheus de diepere betekenis van het gebeuren als hij een paar decennia later dit verhaal neerschrijft.

Johannes, die aanvankelijk de hoofdrol ver­tolkte, krijgt van dan af nog slechts een minuscule bijrol toebe­deeld. Daarmee komt zijn betekenis in het juiste daglicht te staan. Hij trok destijds de aandacht door zijn vreemde boodschap en zijn zonderling voorkomen. Maar onmiddellijk leidde hij die aandacht af naar het godsoordeel dat nakend was. Pas achteraf begre­pen de christenen dat Johannes gelijk had. Het godsoordeel wàs verschenen! Maar niet in de vorm van een schrikwekkende catastrofe zoals ze gedacht hadden, maar in de persoon van Jezus: zíjn leven, zíjn liefdesbood­schap is de maat­staf om in de wereld goed en kwaad te beoorde­len.
Zíjn komst was de komst van Gods oordeel voor de hele mens­heid, voor die van toen en voor die van nu.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.