Dieptedimensie van mensenrechten

Diegenen onder ons die niet meer van de jongsten zijn maar wel over een goed geheugen beschikken – ik bedoel mensen die de tijd van vóór het Tweede Vaticaans Concilie bewust hebben meegemaakt – herinneren zich misschien een wat ongewoon detail in de liturgie van deze 3de zondag van de Advent. In die tijd waren deze zondag, samen met de 4de zondag van de Vasten, de enige in heel het kerkelijk jaar met rozerood als liturgische kleur.

Rozerood, een wat vreemde, dubbelzinnige kleur: geen adventspaars, maar het bleef er wel in de buurt. Ook de liturgische teksten van die dagen hadden iets dubbelzinnigs: ze hadden een blije, zelfs juichende toon, maar het klonk niet echt enthousiast. Want dat hoorde niet in de sfeer van de Advent of de Vasten.

Die dubbelzinnigheid vinden we nog terug in de lezingen van vandaag. In de eerste roept de profeet Sefanja zijn volk toe: “Jubel, juich, Israël, verheug u en wees blij met heel uw hart. De Heer is binnen uw muren, een reddende held”. Maar wat er in onze lezing niet bij stond, was dat er weinig aanleiding was voor gejuich. Het ging juist bijzonder slecht met Israël: het rijk stond op instorten, machtsmisbruik en onrecht vierden hoogtij, godsdienst was verworden tot een ritueel onderhouden van de sabbat en voor het overige was religieuze onverschilligheid troef. En midden die sfeer van catastrofe en neergang klinkt de stem van de profeet die met ongepast optimisme het verdrukte volk niets anders te bieden heeft dan de belofte van de Heer God: ‘Hij laat zijn volk nooit in de steek; maak ernst van je geloof en dan halen we het want de Heer is de reddende held die bevrijding brengt.’

Ook Johannes de Doper verkondigt: “Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; Hij zal de dorsvloer opruimen, Hij zal het graan verzamelen in zijn schuur maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur”. Een boodschap vol optimistisch perspectief, maar ze komt wel uit de mond van een roepende in de woestijn, die zich walgend uit de maatschappij van toen had teruggetrokken. En op het woord van zo’n man zou je alle heil moeten verwachten uit de hoek van het geloof.
Wat is de zin van geloven in een God, Redder en Verlosser, als je daarvoor geen enkel aanknopingspunt ziet in de materialistische woestijn van het dagelijkse leven?

Eigenlijk zou dat een overbodige vraag moeten zijn. Het antwoord zou immers op het puntje van onze tong moeten liggen. Wij noemen ons immers allemaal ‘gelovigen’, anders zaten wij hier niet. Als gelovigen nog niet weten wat de zin van geloven is in deze tijd, wie zou het dan wel moeten weten? Of is geloof misschien ook voor ons een wekelijks uurtje ritueel zoals ten tijde van de profeet Sefanja?

Of je jezelf gelovig mag noemen of niet, hangt niet zozeer af van wat je binnen maar van wat je buiten dit kerkgebouw doet. Geloven is niet zozeer een zondagse maar in de eerste plaats een doordeweekse aangelegenheid. Geloof is geen kwestie van zitten (al of niet in de kerk), maar van doen.
“En wat moeten we dan doen?” Het antwoord van Johannes de Doper is heel eenvoudig, heel concreet, maar niettemin veeleisend: “Wie dubbele kleding heeft, laat hij delen met wie niets heeft, en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen”.
Het is niet omdat je toevallig wat meer hebt dan een ander, dat je recht hebt op meer. Het beginsel van de fundamentele gelijkheid tussen mensen is hier in het geding. Dat is niet alleen een zaak van rechtvaardige wetgeving; ieder van ons is daarvoor medeverantwoordelijk. Wie meer heeft, heeft niet ‘meer rechten’ maar ‘meer plichten’; in de eerste plaats de plicht om te delen met elkaar!
Of denk aan wat Johannes de Doper zegt tegen de tollenaar en de soldaat. Wie meer macht heeft, of sterker is mag van zijn macht of zijn kracht niet profiteren om anderen uit te buiten.
Wat doe je als je staat tegenover iemand bij wie wat te halen valt, wetende dat je daartoe sterke troeven achter de hand hebt?
Wat doe je, als de mogelijkheid zich aandient om het alleen voor het zeggen te hebben?
Wat doe je met je vrouwelijke charmes als je daarmee de zaken een duwtje kunt geven in de voor jou gewenste richting?

Over dergelijke vragen eens rustig en ernstig nadenken, is zeker zinvol.
Maar wat heeft dat met geloof te maken? Medemensen niet manipuleren, niet ondergeschikt maken aan je persoonlijke belangen, recht doen aan de gelijkwaardigheid van alle mensen, dat is toch een kwestie van mensenrechten, van humane waarden…

Ja, zegt Johannes, en daarom wil ik jullie graag dopen met water. Want bij écht humane mensen staat het hart open voor de Komende. Na mij komt er Iemand die krachtiger is dan ik, Hij wil u dopen in de heilige Geest en met vuur. Weet dat wie medemensen ten volle respecteert, ook recht doet aan God die in mensen leeft. Hou je hart open voor de dieptedimensie van naastenliefde en mensenrechten. Laat Jezus in jou geboren worden. En straal de Geest van Jezus uit in je omgang met rijk en arm, met zieken en gezonden, met bekenden en onbekenden. Geef zijn vuur door aan elke mens die je levenspad kruist zodat Hij, mede door jouw toedoen, in hen tot leven mag komen.
Kerstmis is pas echt Kerstmis als we samen Kerstmis mogen vieren: de geboorte van het Kind in elke mens, de geboorte van Hem die ons allen maakt tot kinderen van dezelfde Vader.

Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.