De verhouding tussen wet en godsdienst

Marcus 7, 1-8. 14-15. 21-23

Ook onze samenleving kent allerlei regels en wetten. Die zijn nodig om onze maatschappij in goede banen te leiden.
Nochtans loopt de gemiddelde burger niet zo hoog op met de wet. Vaak beschouwen we al die normen eerder als een soort noodzakelijk kwaad en hebben wij te weinig oog voor het doel ervan: het welzijn van iedereen, het goed functioneren van een gemeenschap.

Volgen we de regels enkel omdat er sancties, straffen, op de overtreding staan, of zijn we ook overtuigd van de zin en het nut ervan? Alleen als we het doel ervan inzien, zullen we van binnenuit gemotiveerd zijn om de wet na te leven, ook als niemand ons op de vingers kijkt.

Er wordt soms te veel naar de letter van de wet gekeken en te weinig naar de geest, naar de eigenlijke betekenis. Dan gaat men mazen in de wet zoeken om via slinkse wegen toch aan die wet te kunnen ontsnappen. En vinden we gemakkelijk excuses waarom bepaalde wetten en regels op ons niet van toepassing zijn.

Geen enkele geordende samenleving kan echter zonder regels, anders wordt het chaos troef. Wetten en regels moeten de intentie hebben het welzijn van iedere mens te waarborgen. Doen ze dat niet dan schieten ze hun doel voorbij.
Jammer genoeg heeft de wetgever, ook in het canoniek recht, dat negatief kijken tegen de wet zelf in de hand gewerkt, door geboden en verboden te handhaven ofschoon ze in een veranderde en veranderende maatschappij hun zin verloren hebben.

Dat is nu net het verwijt van Jezus aan het adres van de Farizeeën in ons evangelie: bij hen was alles vast omschreven door allerlei regeltjes, vaak tot in de kleinste details, soms tot in het absurde toe. Hij verwijt hen verkramptheid en schijnheiligheid.
Jezus beantwoordt niet direct hun vraag: ‘Waarom gedragen uw leerlingen zich niet naar de traditie van de oudsten, maar eten ze hun brood met onreine handen?’
Nee, hij wijst hen – met een woord uit de Schrift – op de kern van het probleem: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij!’

Wij hoeven tegenwoordig niet meer te discussiëren over het wassen van handen of over het afwassen van bekers en kruiken, maar ook bij ons bestaat het gevaar van oppervlakkige praktijken.
Het gaat dikwijls niet zozeer om het afschaffen van tradities maar wel om aan eeuwenoude rituelen opnieuw een actuele zin te geven. Er zijn ook nu talloze christenen die zich vastklampen aan aloude tradities van de Kerk, die geen aansluiting meer vinden in hun dagelijks leven.
Zij laten hun kindje nog dopen, maar spreken niet meer over Jezus met hun kind. Zij laten hun kind nog vormen, maar laten in de opvoeding geen ruimte meer voor de goede Geest van Jezus. Zij gaan node nog naar de vieringen op hoogdagen, maar leven vanuit de gezindheid van de Heer, dat is ver te zoeken.
Deze tradities hebben enkel zin wanneer ze gedragen worden door een christelijke levenshouding, maar als dit alles niet méér is dan een uiterlijke formaliteit, dan zal Jezus ook voor hen het schriftwoord herhalen: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij!’

Het gaat bij Gods wil nooit om een dictaat: zo is het opgeschreven, dus zo moet het uitgevoerd worden. De essentie is een relatie met God en je medemensen, een relatie waarmee je je leven lang bezig bent. Vanuit die houding komt er gevoeligheid voor Gods wil in je leven, niet als een wet die kant en klaar voor je ligt, maar als een wegwijzer die je met anderen, met God, moet volgen.

Jezus zelf spreekt van het eerste en enige gebod: God liefhebben, en van het tweede daaraan gelijk: de naaste liefhebben.
Als er dan in de loop der tijden, afhankelijk van cultuur of omstandigheden, nieuwe regels ontstaan, zullen deze ondergeschikt moeten zijn, aan dit ene gebod. Men dient ze te toetsen aan het criterium: beogen zij het welzijn van de medemens? Zijn zij gericht op het bevorderen van het samen leven?
Alle nieuwe regels moeten aanvulling zijn van dat ene gebod en moeten daar constant aan getoetst worden. Wetten en voorschriften moeten het heil van de mens dienen. Als ze dat niet – of niet meer doen -, moeten zij overboord gegooid worden.

Eigenlijk is er dus maar één grondregel die heel ons leven en samenleven zou moeten beheersen: heb God en elkander lief. Als we die regel in al zijn facetten echt onderhouden, dan vallen al die andere regels en wetten vanzelf wel op hun plaats.

Monique Van Caenegem-Suys

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.