Allerheiligen C

Uit de verdrukking komen    (Openb. 7,1-2.9-14 ;  Mt., 5. 1-12)
Als mensen boos zijn op elkaar, weigeren ze soms met elkaar in gesprek te gaan. Ze negeren elkaar. Wat op het einde van de eerste lezing gebeurt, is het tegendeel. Johannes wordt in het visioen voor een gesprek uitgenodigd. Hem wordt een vraag gesteld door een oudste: ‘Wie zijn dat in die witte kleren en waar komen ze vandaan?’ Een oudste is – in de joodse cultuur – een wijze man met verantwoordelijkheid. De man verwacht geen antwoord van Johannes maar tilt hem op zijn niveau door hem als gesprekspartner te kiezen. Johannes beseft wel dat hij een oudste niets te leren heeft en dat de vraag retorisch is. Maar door die vraag krijgt hij de ruimte te bestaan, krijgt hij de aandacht van de oudste. Dat maakt hem niet ijdel. Hij geeft op zijn beurt de oudste de ruimte, hem te onderrichten. ‘Heer, dat weet u.’ Zo vinden ze elkaar, en ontstaat bevrijdend geluk. Er ontstaat heiligheid.

Het is ook dat wat Jezus in de zaligsprekingen beoogt.

Onlangs zei me een kind : ‘Heilig ben je als je dood bent.’ Het kind verwarde duidelijk heiligheid met officiële heiligverklaring door het kerkelijke gezag. Toch gaat aan die officiële heiligverklaring steeds een duiding van heiligheid vooraf door de gewone mensen.
Ik was in een parochiekerk in Vlaanderen. Daar stond een foto van de vermoorde Salvadoraanse aartsbisschop Romero te kijk op een zijaltaar. Na de eucharistieviering kwam een dame naar de celebrant met de boodschap: ‘Die foto daar, dat hoort niet. De man is nog niet heilig verklaard.’ Ze bedoelde: door het kerkelijk gezag. Zij stond strak in de wet. Maar de liefde van de meeste parochianen voor de Liefde van God die Romero ooit uitstraalde, liet zich niet vangen en verkleinen tot een kerkelijk voorschrift. Dat is verblijdend. Het volk heeft een zuiver gevoel voor wat bevrijdend en genezend is. Dat kan schuilen in kleinigheden die we voor elkaar over hebben. Zo vinden en bevrijden we elkaar tot heil.
Op de stelplaats voor autobussen in hartje Antwerpen zag ik het plots: een sjofele, dronken, zwarte man had zijn mobieltje laten vallen. Hij deed verwoede pogingen om het opgeraapt te krijgen zonder zelf tegen de straatstenen te smakken. In mijn haast naar de bus raapte ik het voor hem op. Hij riep me achterna: ‘Gij zijt een goede vrouw.’ Er overviel me een onzeglijke, warme vreugde. Vanwaar kwam die? Toen ik me – met enige moeite – bukte voor die onbekende, dronken man, en hij mij op zijn manier bedankte, toen was er even niets dat ons scheidde: geen rassenverschil, geen sekseverschil, geen leeftijd, geen morele, financiële, materiële, intellectuele status. We waren niet meer dan twee mensen voor elkaar, op elkaars niveau. En zie daar komt een glimp van de hemel. Van waar anders het mij overstijgende geluk? Zo hebben we hier wel allemaal  een eigen verhaal van vreugde, waarin een zaligspreking geconcretiseerd wordt.

In de recente Bijbelvertaling is de term ‘arm van geest’ geïnterpreteerd als nederigheid. Dat is het juist, dat oude begrip dat ons leert elkaar te vinden zonder hinder van enig verschil op welk gebied dan ook. Het betekent loskomen van eigenwaan, menselijk opzicht, vrees niet door anderen geaccepteerd te worden. Een groot probleem voor jongeren en ouderen. Het is niet gemakkelijk. Toch is die nederige levenshouding fundamenteel.  Ze is de basishouding in alle zaligsprekingen.  Ze betekent  kwetsbaarheid, zachtheid, geduld met jezelf en de anderen, zin voor waarachtigheid. Zuiver zijn van hart.
Een zuivere, moedige, waarachtige kijk op jezelf, helpt je God zijn liefde te ontwaren, waar je die anders niet zou vermoeden. Soms krijgt dat inzien een bijzondere concretisering . Zoals bij Johannes in de Openbaring. Hij heeft een bevrijdend visioen. En dichter bij ons, de kleine Bernadette Soubirous in Lourdes. Zij zag wat anderen niet zagen. Er was in haar geen gekonkel, geen schijnvertoon. Ze was wie ze was. Ze zag wat ze zag. En niemand kon haar het geluk ontnemen ‘dat van een andere wereld was’. Zoals de lieve Dame in de grot het voor haar verwoordde.
Arm in de geest is tevreden zijn met wat je maar kan hebben, zijn, betekenen. Dat maakt je tot een blij, rustig iemand. Je brengt evenwicht en rust voor anderen. Ze voelen zich bij jou goed. Tot toegevingen bereid. Alhoewel… sommigen begrijpen het helemaal niet zo. Je krijgt tegenkanting, openlijk of bedekt. Maar, ondanks alle moeilijkheden, groeit je geluk. Je heil, je heiligheid. Het is die kracht van het weerloze lam, in de Openbaring, symbool voor Jezus de Christus, die je sterk maakt. Je kleed wordt witter om het in de beeldende taal van de Openbaring te zeggen.
‘Wie zijn dat in die witte kleren en waar komen ze vandaan?’ Ze komen uit de grote verdrukking. Dat was in die tijd van de Openbaring: christenvervolging. Wat is voor ons nu de verdrukking? De verdrukking waaruit de zaligsprekingen ons hier, nu willen bevrijden, dat zijn de moeilijkheden die ons persoonlijk geluk bedreigen als we ze niet kunnen ombuigen tot heil voor onszelf en anderen. We hebben verdriet soms, we verlangen naar eerlijkheid, we lijden onder roddel en verdachtmaking, we zouden zo graag tevreden zijn.
Jezus is in het evangelie de therapeut die ons de uitweg biedt, maar we moeten die weg zelf gaan. Hij geeft het recept om onszelf te bevrijden van wat ons in onszelf angstig maakt, beklemt en verlamt. We kunnen met zijn hulp ons ego tot waarachtige proporties terug brengen en gezonde, helende relaties onderhouden. Nu, in deze tijd, vandaag.
‘Wie zijn dat in hun witte kleren en waar komen ze vandaan ?’
Misschien komen ze dan wel uit de Witte Kerk! Zalig feest!
Helena Oomes

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.