Allerheiligen C 2019 p

1 nov. 2019          (Viering)

Mensen die ons heilig zijn (1 Joh 3,1-3 ; Mt. 5,1-12)

Het verhaal van mensen begint bij mensen.
Elk mensenleven ontwaakt in een moederschoot.
En als die schoot ontsloten wordt
staan mensen klaar om het op te vangen, om het te ontvangen.
God heeft het zo geregeld en gewild dat mensen mensen nodig hebben
en dus, zo schreef Johannes in onze eerste lezing,
moeten wij elkaar vasthouden als kinderen van éénzelfde gezin,
met God als Abba, onze Vader,
wiens Liefde wij aan elkaar hebben door te geven.

Zo moet de ene mens de andere verlossen uit het niet-zijn,
uit de hulpeloosheid, uit de onwetendheid,
uit de miskenning, uit het onbemind-zijn.
Zo moet de ene mens de ander bevrijden
van het gevoel het leven niet meer aan te kunnen,
het gevoel niets waard te zijn,
voor anderen niets te betekenen.
Zo moet de ene mens de andere leren ademen in verwondering en verlangen,
in weten en willen,
in begeren en beminnen
– zichzelf leren beminnen om wie hij is;
anderen leren beminnen door zich bemind te weten.
Wij hebben mensen nodig die ons heel maken, die voor ons heling zijn.
Zulke mensen zijn ons heilig.

Partners die meer naar elkaar toegroeien, doorheen het gedeelde leed van kwade dagen.
Ouders die hun deur openen, door zoon of dochter nuk­kig dichtge­gooid.
Kinderen die hun bejaarde ouders trouw blijven…
Zulke mensen zijn ons heilig.

Werkers in ziekenhuizen, in woonzorgcentra die hun lach, hun warmte,
hun hele mens-zijn tot werkinstrument maken.
Leerkrachten, sociaal werkenden wier job geen job is, maar simpelweg dienst­baarheid.
Of zij die het thuis of op het werk gezellig maken, de sfeer blijmoedig houden…
Zulke mensen zijn ons heilig.

Armen van geest die zich niet laten verleiden door de luxe waarmee mensen elkaar overbluffen.
Door tranen doorgroefde gezichten die het hoofd toch nog rechtop houden.
Moedigen die zacht een hand uitsteken naar wie met de nek wordt aangekeken.
Naïevelingen die vasthouden aan rechtvaardigheid daar waar het recht van de sterkste de boventoon voert.
Zulke mensen zijn heilige verademing.

Er is die weduwe, die, verbaasd over zichzelf, beslissingen neemt die ze voorheen niet voor mogelijk hield. En die me, heel overtuigd, vertelde dat haar man daar de hand in had, met wie ze dage­lijks, bij een brandende kaars, een gesprekje had, al was het maar tien minuutjes.
En die jonge man, die zijn werk opzegde en als ontwikkelings­helper naar Burkina Faso trok, in het voetspoor van zijn vriend die ginds bij een auto-ongeval om het leven was gekomen. “Want is het niet omdat Joris dood is, dat zijn werk ginds niet moet verdergaan”.
Sommige mensen groeien nog na hun dood,
kunnen voor ons heili­gen zijn,
alsof ze iets weerkaatsen van God die Licht en Liefde is.
Doden kunnen, in al hun verschillendheid,
voor ons afglans zijn van Gods volheid, heel­heid.
Doden die voor ons, en voor Hem, heilig zijn.

Hoe het er ginds aan toe gaat, voorbij de grens van het leven,
– God en die grote kring van heiligen –
gaat ons voorstellingsvermogen te boven.
“Dat is ons nog niet geopenbaard” schreef Johannes.

Daar liggen die weduwe en die ontwikkelingshelper in Burkina Faso ook niet wakker van.
Maar wat hun wel is geopenbaard,
dat is, dat het verhaal van mensen niet eindigt als as of in een graf.
Want liefde blijft…
in zoveel gedachten en herinneringen
en zoveel zoeken naar de oude tederheid
en duizend, duizendmaal vertellen hoe het was en hoe het eenmaal is geweest.
Wij blijven met elkaar verbonden.

Het verhaal gaat verder
als wij bidden voor elkaar;
als wij bidden met elkaar – levenden met doden –
langs de fijne draden van geven en vergeven verweven met Gods leven.
Het verhaal gaat verder
als wij op onze eigen levensweg
het levenswerk van een lieve dode mogen verder zetten,
en wat zij fout deden, pogen te herstellen.

‘Allerheiligen’,
zo luidt de titel van het verhaal van mensen die voor elkaar bestaan
en in liefde verdergaan
tot over de dood
tot in Gods eeuwigheid.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.