Allerheiligen B 2015 p

1 november 2015  (Viering)

Een heilige durven worden?
  (Matt. 5,1-12)

We vieren weer het feest van alle heiligen. Wie of wat waren zij? De levens van heiligverklaarden verbazen ons zozeer dat we graag denken dat ze met onszelf niet zoveel te maken hebben. Wij wijzen heiligen onbewust af. We verbannen ze naar een hiernamaals en toch willen we ze niet missen. Het is dubbel.
In een interview onlangs, aan de KULeuven, zei rector Rik Torfs: “…nee, ik ben geen heilige. Dat zijn per definitie mensen die dood zijn.” Toen ik een vormeling vroeg wat een heilige was, antwoordde het kind: “heilig is in de hemel. – Later dus, na de dood”. Rik Torfs voegde aan zijn uitspraak wel toe dat  het vervelend was dat heiligen enkel gestorvenen zijn. Bekritiseerde hij met die boutade een voorbijgestreefde visie? En wij? Wat vinden wij ervan? – Ik wil geen heilige zijn. Maak van mij geen heilige. Maar we branden een kaarsje bij een foto of een beeld. Van Maria vooral. Maar ook bij Rita, voor hopeloze zaken, of bij Antonius, als we iets verloren legden. Ze mogen er zijn, de heiligen, als we ze voor onze kar kunnen spannen. Maar weten we nog iets essentieels over hen? Ze waren elk aparte persoonlijkheden, zoals wij. Ze hebben zich naar de Liefde, die God is, toegeworsteld, in aandacht en bekommernis voor anderen. Ze gingen dieper leven en werden daardoor profetisch. Ze corrigeerden de inzichten van hun tijd, waardoor ze voor ons eigentijds gaan klinken. Ze zijn niet zo ver weg van ons.
Vandaag kunnen we er best een paar apart beluisteren. Augustinus (5°eeuw): “Laten we kinderen van de hoop zijn, met ergernis om de onrechtvaardigheid in de wereld, en met de drang om er iets aan te doen.” Het zouden woorden van aartsbisschop Romero kunnen zijn. Hij werd vermoord in 1980 en onlangs zalig verklaard. Martinus de Porres, dominicaan (16° eeuw) verzorgde en beschermde weerloze dieren (muizen) en probeerde mensen te genezen met kruiden. Hij koesterde grote zorg voor de natuur. Bernadette Soubirous (19° eeuw): “Het zou beter zijn mocht men wat meer over heiligen vertellen, wat voor moeilijkheden ze overwonnen dan wel spectaculaire gebeurtenissen in hun leven… Ik zal hier blijven (Nevers) om arme en zieke, eenzame mensen te verzorgen. Ik houd van hen… God, aanvaard a.u.b. mijn hoogmoed… Het is voldoende te beminnen.” Madeleine Delbrêl (20° eeuw): “De straat, de communistische wijken in Ivry (Fr.), dat is de plaats waar we heilig kunnen worden, heel gewoon, dagelijks tussen de gewone mensen.”
Ik citeer ook graag Cheik Ibn Arabi (13°eeuw): “Ik geloof  in de religie van de liefde, waarheen ik ook ga, want de liefde is mijn religie en mijn leven.” Zo horen we het ook eens van een moslim.
Zo zien we maar dat heiligen leven op het kruispunt tussen verticale en horizontale transcendentie, tussen God en de wereld. Ze laten de liefde, die God is, toe. Hij wordt zo in hen weer mens. Hun heiligheid begint met een ervaring van een gemis, en dus met verlangen, zoeken, pogen, hopen. Met gebed en inzicht in eigen falen en het accepteren daarvan.
Ik ben geen heilige. Heilig betekent: heil dragend, heil brengend, heilzaam. Heil (=heel) is synoniem voor welzijn, geluk, zaligheid. Elk vers van dit evangelie begint met de term ‘Gelukkig’. We zouden hem kunnen vervangen door ‘heilig’. Het eerste vers is heel belangrijk: gelukkig of heilig wie nederig van hart kan zijn. Want zonder nederigheid brengen we van de overige aanbevelingen niets terecht. Nederigheid is in het aanvaarden van verdriet, van geschonden geluk. Dat geldt ook voor zachtheid, voor medeleven met armen en noodlijdenden, voor mildheid, rechtzinnigheid en vredelievendheid. Nederigheid en liefde vallen samen. Nederigheid is: de ander belangrijker vinden dan jezelf, uit vriendschap, respect, schroom. Het is delicaat omgaan met iedereen en alles. Het is een moedige en vreugdevolle levenshouding. Het is wijsheid.
Gelukkig en nog eens gelukkig. Dit evangelie klinkt euforisch. Gelukkig. Heilig bedoelt Jezus. En het is niet altijd gemakkelijk wat hij hier aanbeveelt. Ik ben geen heilige, maar mag ik er a.u.b. één worden?  “Heb de durf zoiets te vragen”, zegt Jezus ons vandaag. Hij leerde het ons te vragen in het ‘Onze Vader’: uw rijk kome. Het rijk der Hemelen, God in ons bestaan, begint hier en nu, in de liefde die we voor elkaar hebben. Het gaat in dat rijk niet om een bestaan zonder oorlogen, zonder ziekte, zonder moeilijkheden. Het gaat erom die narigheden vanuit de liefde voor mekaar te verzachten en zo te ervaren dat God daarin te vinden is. God is daar, ook als rampen je overkomen. Onwaarschijnlijk, en toch is zijn liefde er dan. ‘Twijfel niet’ bezweert Jezus ons ‘Je zal in moeilijke omstandigheden tegen alle schijn in, een gelukkig mens zijn en anderen gelukkig maken, want Ik ben er.’ Dat is voor veel mensen totaal onaanvaardbaar en voor iedereen erg moeilijk. Waar was God in Auschwitz? Horen we vaak. “Hier” zei Maximiliaan Kolbe, de Poolse franciscaan. Hij bood zich in het concentratiekamp aan om de hongerdood te sterven i.p.v. een huisvader. Daar was God, ook al stierf de pater. Waar is God nu, als mensen een kind verliezen? De realiteit van dit evangelie is hard. En tegelijk een bron van vreugde… Dit blijft moeilijk.
Mag ik a.u.b. een heilige worden? Durven we nog?
We zijn al op weg. Als we God niet zochten, waren we hier nu niet. Vandaag vieren we dankend ons eigen feest, ook de stukjes heiligheid in onszelf. Ze zijn er. Soms, nog niet altijd. We streven naar meer en beter. Dat was ook zo met die fameuze heiligen. Ze waren niet perfect. Ze zijn niet ver weg, ze zijn onze vrienden in ons streven en pogen en vallen en bidden.
En morgen bidden we voor de reeds gestorvenen. Dat zij tot een nieuw inzicht mogen zijn gekomen aangaande hun leven en hun verhouding tot God, dat ze nieuwe mensen mogen zijn geworden in God. Gedragen door de mildheid van medemensen gebeurt zo’n ommekeer gemakkelijker. Daarom: ‘God we houden van hen. Mogen ze a.u.b. heilig zijn in U?
Helena Oomes

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.