7e paaszondag C 2022 p

Zodat de wereld kan geloven (Joh. 17, 20-26)

Op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren, lezen we als evangelietekst elk jaar een stuk uit het gebed van Jezus tot zijn Vader waarmee Hij zijn afscheidsrede op Laatste Avondmaal afsluit. Daarnet hoorden we daarvan het laatste deel. Meteen daarna begint het verhaal van Jezus’ arrestatie, lijden en dood.
Biddend tot zijn Vader hoorden wij Hem driemaal zeggen: “Mogen allen die in Mij geloven, één zijn, zoals U en Ik één zijn.”

‘Eénheid’ is een begrip dat – ook in de context van geloof en Kerk – heel uiteenlopende betekenissen kan hebben. Een paar voorbeelden:
-In het verleden werd eenheid vaak gelijkgesteld met uniformiteit. Het centrale gezag in Rome beantwoordde geloofsvragen met dogmaverklaringen die boven elke discussie verheven stonden en waaraan iedereen zich te confirmeren had. Ze golden tevens als criterium om uit te maken wie wel en wie niet tot de Rooms-Katholieke Kerk behoorden. Eenheid in naam van de enige waarheid. Samen sterk tegenover ongeloof en tegenover afwijkende, ‘ketterse’ opvattingen.
-Sinds het Tweede Vaticaans concilie – en explicieter nog sinds paus Franciscus – ligt het accent niet meer op eenvormigheid maar eerder op één-gemeenschap-zijn. Volkeren en culturen hebben – tot op zekere hoogte – recht op hun eigen beleving van Kerk-zijn. Natuurlijk blijven die kerken-met-hun-eigen-kleur bij elkaar horen. Het is de taak van de kerkleiding om die verscheidenheid bijeen te houden opdat we elkaar zouden helpen om in deze wereld aan de volle rijkdom van Jezus’ Boodschap gestalte te geven.
-‘Mogen allen één zijn’ is ook het motto van de ‘internationale Gebedsweek voor de Eenheid van de Christenen’. Uitgangspunt hier zijn gescheiden kerken. Ondanks diepgaande verschillen weten zij zich toch verwant omdat zij zich laten inspireren door dezelfde geloofsbron: het Godsgetuigenis van Jezus van Nazareth.

Het één-zijn waarover Jezus het heeft in zijn Laatste-Avondmaalgebed is echter geen zaak van structuren of instellingen, maar van geloofsovergave. Zich aan Jezus toevertrouwen verzekert toegang tot het Rijk van God: “Ik ben de deur” zei Jezus ooit, “Elke rank die niet in Mij blijft” wordt afgesneden en weggeworpen. Het geloof in Jezus is beslissend voor ons toebehoren tot Gods volk.
De schriftbeelden  ‘deur’ en ‘rank’ maken duidelijk dat met ‘geloof’ onze levende relatie met Jezus wordt bedoeld, en dus niet kennis of ‘belijden van wat als waarheid wordt voorgehouden’. Geloven in evangelische zin is Jezus kennen door met Hem om te gaan, door in Hem te zijn, zijn Stem te herkennen, Hem te volgen, Hem zorg te laten dragen voor ons, met Hem te eten en drinken, één te zijn met Hem, Hem lief te hebben. En daarbij ten volle te beseffen dat Jezus de Gezondene Gods is, de ‘doorgang’ naar God, Gods Gevolmachtigde die uitvoert wat God aan en voor ons wil doen, die, in de liefde die Hij ons betoont, de liefde doorgeeft die Hij van zijn Vader geniet.
Zo geloven houdt ook in dat Jezus kennen door met Hem om te gaan en Hem lief te hebben, niet ophoudt bij Jezus, maar dat we in Hem God erkennen, God liefhebben en beleven. En ook omgekeerd: de liefde van God, zijn herderlijke zorg, zijn Leven zelf vloeien in en doorheen Jezus naar ons toe. Liefdevol in Jezus verblijven is in God verwijlen. En omdat God liefdevol in Jezus verwijlt, verblijft Hij ook in ons. Zo gezien, zijn geloof en liefde synoniemen.

Daarvoor bidt Jezus dus:  “Mogen allen één zijn. Zoals Gij, Vader, in Mij zijt en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn.” Maar Hij voegt er nog iets belangrijks aan toe: “zodat de wereld kan geloven dat Gij Mij hebt gezonden”. In zijn bidden breekt Jezus de kring van gelovigen open. Die gemeenschap van mensen – onderling én persoonlijk in liefde met Jezus verbonden – moet zó in het leven staan dat het voor buitenstaanders opvalt dat daar iets goeds, iets moois gebeurt, zodanig dat zij zich gaan afvragen wat daar achter zit, wat daarvan de inspiratiebron is. M.a.w. authentiek gelovige-zijn is leven vanuit zo’n intense verbondenheid met Jezus dat in ons iets doorschemert van de liefdeseenheid tussen Jezus en zijn Vader. Het is die transparantie die de wereld op het spoor kan zetten van de christelijke God.

Misschien klinkt dit wat te vroom in uw oren. Maar u mag de tijdsgeest waarin deze tekst geschreven werd niet uit het oog verliezen. Onze evangelist legde Jezus deze woorden, deze geloofslogica in de mond in een antieke cultuur met zijn veelgodendom en zijn vanzelfsprekend geloof in hogere machten. De achtergrond van onze geseculariseerde tijd is heel anders. Het begrip ‘God’ roept bij velen alleen maar sceptisch ongeloof op. Maar ik denk dat synoniemen voor God, zoals ‘Leven’ en ‘Liefde’, in onze tijd nog niets aan betekenis ingeboet hebben. En daar gaat het toch om.
Ik verwijs in dit verband even naar de alom gekende lofzang van Paulus over wat ware liefde vermag.
Liefde is geduldig  – zij slaat er niet meteen op los.
Liefde is niet afgunstig – wil de ander niets afhandig maken of hem overtroeven.
Wie liefheeft, probeert in de huid van de ander te kruipen om hem recht te doen, om hem te doen leven. Een eerlijk mens weet hoe zwak hij zelf is en kan dus een ander z’n fouten vergeven i.p.v. hem erop vast te pinnen.
Liefde gelooft in ommekeer en in goede voornemens.
Liefde slaat bruggen tussen mensen en volkeren.

Die liefde in al zijn rijkdom voorgeleefd laat vele geloofsbuitenstaanders niet onverschillig. Daarvan ben ik overtuigd. Als wij proberen iets daarvan uit te stralen, dan stralen wij iets uit van onze God. Want God is Liefde.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.