7e Paaszondag B 2014 p

17 mei 2015  (Viering)

OPKLIMMEN UIT EEN DIEP DAL (Hand. 1, 12-17.20-26; Joh. 17, 11b-19)
Een beetje onverwacht misschien dat op de zondag na Hemelvaartsdag Judas Iscariot in beide lezingen ter sprake komt. In de eerste noemt Petrus hem met naam en toenaam in zijn openingsspeech op de bijeenkomst waarin een nieuwe apostel moet worden aangesteld. In de evangelielezing bidt Jezus in zijn afscheidswoord: “Vader, ik heb over mijn leerlingen gewaakt, en geen van hen is verloren gegaan, behal­ve die ene” (Jo. 17,12). Twee keer een verwijzing naar zijn verraad.

Natuurlijk was Judas de grote verrader. Maar, terugblikkend naar de dagen van Witte Donderdag tot Pasen… was de houding van de andere apostelen dan zoveel beter? Denk aan Petrus die tot driemaal toe beweerde dat hij Jezus nooit had gekend. Denk aan alle leerlingen die de benen namen toen Jezus werd gearresteerd. En ook op het moment van de kruisiging zaten ze allemaal ergens onderge­doken.
Op de eerste bladzijden van de ‘Handelingen van de Aposte­len’ proef je tussen de regels dat de jonge Kerk kort na Pasen nog volop in crisis zat. Het prille paasgeloof had de schande van het kruis en de wroeging van verraad en ontrouw nog lang niet weggepoetst. En dan kwam Hemelvaart er nog bovenop. Jezus leeft? Best mogelijk maar Hij is wel weg! En het laatste dat Hij zei – u hoorde het op Hemelvaartsdag -: “Jullie moeten van Mij gaan getuigen in Jeruzalem, in heel Judea, in Samaria en …. tot het uiteinde van de aarde” (Hand. 1,Smilie: 8). Ga er maar aan staan, een handvol werkloze vissers, bijeen­gekropen in een donker hoekje van Jeruzalem. Het zag er triest uit. De jonge Kerk tussen Pasen en Pinkste­ren zat in een diep dal.

Dat het met de Kerk vandaag net zo erg gesteld is, hoor je mij niet zeggen, maar enigszins herkenbaar is het wel. Steeds meer kerkgangers haken af. Wat rest zijn hoofdzakelijk grijze koppen. Er is de steeds luider klinkende klaagzang over het priestertekort. De geseculariseerde samenleving staat onverschillig tegenover al wat Kerk is. Voor wie zich nog wel verbonden voelt met de Kerk, is teleur­stel­ling en onzekerheid niet ver weg. In zoverre is de huidige situatie zeker wel verge­lijkbaar met die van de jonge Kerk.

En wat blijkt? Zittend in dat diepe dal, was de jonge Kerk niet stuk te krijgen. Petrus komt als eerste overeind. De rest volgt. De gelede­ren worden gesloten. Het twaalftal moet weer vol worden gemaakt, de groep beseft dat hij aan de slag moet. Er was geen Jezus meer om een vervanger voor Judas op te roepen of aan te wijzen, en dus doen ze het zelf, in een wonderlijk samenspel van vertrouwvol gebed en eigen initiatief: Er worden er twee voorgesteld en tussen hen wordt geloot.
Het getuigt van hernieuwde vitaliteit. Ze laden zich op. Ze gaan door met samen-Kerk-worden. Ze groeien toe naar het moment dat zij kunnen gaan verkondi­gen wat zij ervaren hebben. Zij worden rijp voor de komst van de Geest van Pinksteren.

Als wij ons willen spiegelen aan de wijze waarop de jonge Kerk uit het dal is geklommen, dan moeten wij ons eerst afvragen waar die eerste christenen in hemelsnaam die spirit vandaan haalden? Wat was het geheim van die vitali­teit die voorkwám dat zij verdronken in de zee van teleur­stellin­gen en onzekerheden?
Hun geheim was niets anders dan dat ze, ook in tijden van depressie, bleven volhar­den in het gebed: “Ze bleven allen trouw en eensgezind in gebed, samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers” , schrijft Lucas (Hand. 1,14). ‘Volhardend bidden’ betekent: beseffen dat je het in je hebt, omdat je het ontvangen hebt, aangereikt als een gave.
Dat is de kern van alle gebed, leert onze evangelielezing. Tijdens zijn laatste samenzijn met zijn vrienden, sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad: “Heilige Vader, bewaar in uw naam hen, die U Mij hebt toevertrouwd, opdat ze één mogen zijn zoals Wij” (Jo. 17,11b). Wij moeten onder elkaar eenheid creëren. Samen willen Kerk-zijn is tegelijk beseffen dat dit pas mogelijk is als wij elkaar bewaren en respecteren zoals de Vader zijn Zoon, en al zijn zonen en dochters, be­waart en in hun waarde laat.
En nog zei Jezus: “Ik vraag U niet hen uit de wereld weg te ­nemen, maar hen te behoeden voor de macht van het kwaad” (Jo. 17,15). Wij moeten niet weg uit de wereld, de wereld niet ontvluchten. Nee, onze plaats is in de wereld, met alle bijbe­ho­rende twijfels, onzekerheden en teleurstellingen. Daar ontsnappen we dus niet aan. Maar Jezus vraagt zijn Vader wèl dat Hij ons behoedt voor het kwaad, ons vrijwaart van negatieve krachten die de menselijke waardig­heid bedreigen. Het is funest wanneer wij ons laten op­slorpen door de wetmatigheden van de wereld: individualisme, uitbuiting, de strijd om de macht in welke vorm dan ook. Denk ook aan groepsegoïsme dat mensen met andere huidskleur of godsdienst geen plaats gunt onder ‘onze’ zon in ‘ons’ land; of aan het economische machtsspel tussen Noord en Zuid. Dat werelds spel horen wij, christenen, niet mee te spelen. Wij zijn niet van de wereld maar in de wereld. En daarin hebben wij te getuigen van de hoop die in ons leeft, te getuigen van de levende Heer in ons midden.
Overbekend in dit verband is het gebod van de naastenlief­de. Dat is geen oproep tot algemene medemenselijkheid  maar een typisch christelijk appèl: wat wij in Jezus ge­zien, gehoord en aan den lijve ondervon­den hebben, mogen en moeten wij – zijn leerlingen – zichtbaar maken in en aan elkaar. “Hieraan zal iedereen kunnen zien dat jullie mijn leerlingen zijn: als er liefde onder jullie heerst” (Jo. 13,35; zie 1 Jo. 3,10-11).
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.